Ethel Portnoy thuis in Den Haag met haar kat Coocky, mei 2002 © Marco Okhuizen / ANP

Vandaag ben ik aan het strijken, maar meestal zit ik op de veranda en doe ik niets. Ik kijk gewoon hoe het gras groeit. Af en toe valt er een blad, of huppelt er een vogeltje rond. Dit zijn grote gebeurtenissen.

Hier is niet een zenboeddhist aan het woord, en zelfs niet een taoïst of deeltijdprinses. Ethel Portnoy heeft geen leer of excuus nodig om de lof op het nietsdoen te zingen. Heb je er eenmaal oog voor, dan zie je dat gebrek aan angst om voor lui te worden versleten vaker opduiken in haar verhalen.

‘Ik vind dat de wereld veel te vroeg opstaat’, begint ze een stuk over het genoegen dat ze beleeft aan slapen. ‘Als ik kan zitten sta ik niet en als ik kan liggen, zit ik niet.’ Slapen is zo’n genot, schrijft ze. Het is de grootste genezer, de grootste zegen die er bestaat. Om hier nog aan toe te voegen, met uitroepteken en al: ‘Dat de mensen dat niet zien!’

Elders laat ze weten weliswaar op de hoogte te zijn van ‘de beweging die bekendstaat als feminisme’, en de doelstellingen van ganser harte te onderschrijven, maar graag naast gelijke mogelijkheid tot werken ook de mogelijkheid tot nietsdoen in het programma van eisen zou willen opnemen. Nietsdoen is voor Portnoy de aarde waarin kunst tot bloei kan komen, een royale nachtrust de voorwaarde om te kunnen schrijven.

Waarom begin ik nu juist over dat nietsdoen om een schrijfster in herinnering te roepen die er niet bepaald van verdacht kan worden niets te hebben gedaan? Ik denk omdat in dat schaamteloos beleden languissante ik het dichtst de levenshouding kan naderen die zo voelbaar is in haar verhalen. Een houding die per se niet koket is – hoogstens soms een beetje, charmánt koket – en die alles te maken heeft met haar zín in veel en tegelijkertijd een vermogen tot relativeren. In ieder geval zich niet heel druk te maken over dat waarover men zich zoal druk maakt. Ik deed mijn best om belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog op te wekken, schrijft ze in haar debuut Steen en been (1971). Het is geen bekentenis, het is een constatering.

Die zogenaamde luiheid van haar heeft iets superieurs in zijn resignatie. Alleen dit al: ik schrijf over Portnoy en ik betreed een belachelijk elegant discours. Pik woorden uit de schappen met een fluwelen strik eromheen, languissant, resignatie, ze dringen zich op, ik kan ze niet laten liggen. Petite histoire, dat ook. Een frivole natuur als de mijne, schrijft ze, is dól op petite histoire, en ze heeft een onnavolgbare smaak wat dat betreft. Lees je de brieven terug die vanuit het Parijs van midden jaren zestig over en weer gingen tussen ooit-echtgenoot Rudy Kousbroek en Willem Frederik Hermans, waaraan zij soms het hare toevoegde in het Engels, dan is zij de levendige voetnoot – ‘now having said absolutely nothing at all for a whole entire page, here is Rudy with a sensible question’ -, de onverwachte gids met oog voor net dat kleine museum, die ene prent, de niet te missen begraafplaats. Zij is de gelukkige struiner op de rommelmarkt die het Chaneltasje herkent in de berg onduidelijke meuk.

Met haar essays in de hand kun je een lange leeslijst van haar eigenzinnige voorkeuren aanleggen, met daarop behalve Evelyn Waugh, de vroége wel te verstaan, voordat hij in haar ogen een niet te verteren kwezel werd, Henry Green, Ivy Compton-Burnett, Conan Doyle’s Sherlock Holmes-verhalen, Babar de olifant, maar ook John Aubrey, de zeventiende-eeuwse historicus die zozeer geïnteresseerd was in mensen dat hij ultrakorte biografieën schreef van zowel de prominente types uit zijn tijd als hun personeel.

De geschiedenis is tot dusver een veel te gewichtige zaak geweest om er vrouwen in toe te laten, schrijft ze in het essay dat ze aan de ‘innemende’ Aubrey wijdt. Het is een soort herenclub waar je omheen moet lopen, op zoek naar de zijingang waarboven staat: ‘Ladies’ entrance’. Dat is wat Portnoy doet, die zijdeur openduwen, hooggehakt stel ik me voor, behandschoend, een vosje om haar nek gedrapeerd. Ze is niet boos of verongelijkt, voelt zich niet veronachtzaamd, maar ze is nieuwsgierig, levenslustig, en ze moet een beetje lachen om al die in de herenclub op zware toon beleden sensibility.

Structuralist! Toen ze in de jaren vijftig in Parijs antropologie studeerde bij Lévi-Strauss noemde iedereen zich opeens zo. Zij vond alleen het woord structuur al komisch, vanwege het gezag dat het probeerde uit te drukken. Ze zat erbij toen Lévi-Strauss hardop denkend het verband onderzocht tussen de begrafenisrites van een Braziliaanse Indianenstam en die van Noord-Amerikaanse Indianen. Hij maakte een sleetse indruk, schrijft ze, alsof hij door een mangel was gehaald. Maar gelukkig, er was niets vermoeids aan de manier waarop zijn verstand werkte. Hij vertelde uit zijn hoofd, maniakaal gedetailleerd, over de Bororo die zichzelf beschouwen als vissen, Orari, maar als zij eenmaal gestorven waren werden ze vogels, Arara. Twintig jaar na dato lepelt ze de formule nog op, voorgoed in het geheugen gestanst als iets wat je in een stadion roept: les Bo-ro-ro sont des A-ra-ra!

Begin twintig was ze, en hoe hij naar de dingen keek – vergelijkend, want zonder te vergelijken zie je niets – en er betekenis aan gaf, maakte een onuitwisbare indruk op haar. Nieuw was de keuze van de dingen die hij met elkaar vergeleek. Bijvoorbeeld iets wat veren krijgt met iets wat juist veren kwijtraakt, of iets wat eet met wat opgegeten wordt.

Zelf zou ze zich ontwikkelen tot een evenzeer onnavolgbaar antropoloog, eentje die met een zacht en verwonderd oog de intieme betrekkingen en de grote verschijnselen bestudeert. Niet in een academische context, maar gewoon, voor het plezier, zo lijkt het. Het leverde zo’n twintig boeken op, merendeels essays, maar ook romans, toneel, verhalen, schrijversportretten en verzamelingen volksverhalen. Het proza waarin ze haar waarnemingen verpakt is luchtig maar in een rijk en precies register gevat; ze stipt iets aan en maakt er het finale punt over.

Portnoy lees je niet omdat je per se benieuwd bent naar wat zij van iets víndt, maar omdat ze iets beschrijft wat je nog niet eerder beschreven zag. Dat iemand een gezicht kan hebben als een bord melk, de meeste mensen zich beter voelen als ze straf hebben gehad, dat er zoiets bestaat als lelijke schoonheid en dat alle kunstwerken die kwaliteit hebben, net als seksueel interessante mensen. Het zijn observaties als kwinkslagen bijna, wars van zwaarwichtigheid. Dat men in Nederland nooit iets of iemand rechtstreeks zal prijzen, mannen zich niet kunnen herinneren wat ze aanhadden bij belangrijke gebeurtenissen en in die zin geestelijke naaktlopers zijn. En dit: in het leven heb je een zekere hoeveelheid middelmatigheid nodig. Dat is net zoiets als slaap, daar rust je van uit.

Als ik haar essays, cursieven en verhalen nu opnieuw lees, zie ik hoezeer ze een voorloper was in de manier waarop ze het huiselijke en het intellectuele domein met elkaar vervlecht, net zoveel inzicht biedt in moederschap en familieleven als in de revival van de jugendstil en de voedseleigenaardigheden van het culinaire westen. Hoe de mens is, in zijn vergeeflijke onvolkomenheid; niet meer, niet minder.

In een tijd waarin de tweede sekse de straat opging om zich te bevrijden van het vrouwelijk korset, had zij oog voor de manier waarop vrouwen zich vrijwillig laten ketenen. ‘De vrouw is het unicum in de natuur dat haar eigen kwelgeesten ter wereld brengt’, begon ze het verhaal van haar bevalling. Ze definieerde de vrouw als ‘de gevangene van endocrinologie en erfelijkheid, of zoals sommigen het proberen te noemen, de liefde’. Niet eerder vond het vrouwelijk lichaam zich in zo’n geestig intellectueel discours terug, als een wonderbaarlijke machine die kan bloeden, baren, melk geven, en dat niet anders kan dan zorg dragen voor haar afschrikwekkend lelijke baby’s.

Haar biografie laat zich in grote lijnen en saillante details reconstrueren uit dat wat ze erover loslaat in haar veelal autobiografische verhalen. Er is niet één boek, er zijn bundelingen, die met gezette regelmaat begonnen te verschijnen vanaf begin jaren zeventig, en sommige stukken blijven opnieuw gebundeld worden tot er een soort autobiografie in twee delen ligt: Portret uit 2002 en Parijse feesten uit 2004.

Daar zit ze, in Parijs, in de Bibliothèque Nationale, dag na dag het enige exemplaar te bestuderen van Voyage en Turquie et en Egypte, fait en l’année 1784, ze wil uitzoeken of dit geschreven zou kunnen zijn door Jan Potocki, logisch. Ze staart naar de tweehonderd jaar oude bladzijden en voor haar ogen veranderen de essen in effen, de f van Floris, de wereldverbeteraar in openvallend shirt van dun Indiaas katoen met wie ze kort ervoor onrustbarende ontmoetingen beleefde op een matras onder diens zoldering. Zijn lichaam gloeide, zijn hart bonkte; ze zit in de bibliotheek en in plaats van haar onderzoeksbevindingen te noteren, schrijft ze: ‘Ik zit hier en denk eraan. Ik voel het nu nog.’

Ethel Portnoy en Rudy Kousbroek in Parijs begin jaren ‘50 © Ed van der Elsken / Nederlands Fotomuseum / ANP

Hoe kwam deze Amerikaanse studente in Parijs en uiteindelijk in Den Haag terecht? Wie was ze? Kijk ik naar de foto’s van haar uit de jaren vijftig, dan begrijp ik niet helemaal hoe ze eruitziet. Ze heeft donker steil haar ja, niet sluik maar dik, geknipt in een bob tot op de schouder, ze heeft soms een bril op, met een tamelijk zwaar montuur, soms lijkt ze een filmster maar vaker ziet ze er een beetje vergeestelijkt uit. Meer vergeestelijkt dan je op grond van haar frivole stukken zou verwachten.

Om even op wat zaken vooruit te lopen: ik heb haar twee keer in het echt gezien, toen ze veel ouder was, en bij geen van die gelegenheden kon ik greep op haar verschijning krijgen. In 1991 nam ze de Opzij Literatuurprijs in ontvangst in De Nieuwe Kerk in Amsterdam, en toen ze naar voren liep om haar dankwoord uit te spreken leek ze klein, en een beetje krom, terwijl, hoe oud was ze, ik denk net iets ouder dan ik nu ben. En, eigenaardig, ik weet niet meer wat ze aan had, ik snapte haar kleding denk ik niet. Wel was er een ondefinieerbaar chique indruk, ook vanwege dat zware Amerikaanse accent waarmee ze Nederlands sprak, in het geheel niet haar best doend om dit te minimaliseren.

Tien jaar later had ik meer tijd om haar op te nemen, zat ik tegenover haar in haar woning aan de Koninginnegracht in Den Haag om haar te interviewen ter gelegenheid van haar 75ste verjaardag en de publicatie van Portret. Ze had zich in een brede fluwelen fauteuil genesteld en ik was onmiddellijk kwijt waar zij ophield en de stoel begon; het was van rood brokaat en het sprak tot mij, levendig en lachend. Laat ik het zo zeggen: meer dan een duidelijk omlijnde gestalte was ze een poreuze verschijning die een jubelende symbiose met haar omgeving leek aan te gaan.

‘Ik ben altijd bang als ik op reis ben’, zal ze eind jaren tachtig bekennen, ‘bang dat ik zal verdwijnen.’ Opmerkelijk voor iemand die op haar 23ste haar thuisland verlaat om er nooit terug te keren, in ieder geval niet om er weer te gaan wonen, en die nog twee keer een nieuw land zal omhelzen met alles erop en eraan – geliefden, taal, werk, vrienden, kinderen, katten. Van de angst te verdwijnen, opgeslokt te worden in een kloof, rept ze als ze in 1987 eindelijk Rusland bezoekt, het land van haar vader, dat haar vertrouwd is omdat ze in een heimweeversie van Rusland opgroeide in de Bronx, New York. Het is het land dat een deel van haar familie uitroeide onder Stalin, en het land waarnaar familieleden terugkeerden omdat ze dachten het socialisme vooruit te moeten helpen.

Misschien zijn ze nog ergens, die krabbels. Denk ik aan Portnoy, dan denk ik aan haar wegwuivende gebaren

‘Ik ben in wezen ernstig van aard, net als een Rus’, bekent ze. ‘Ik ben humeurig als een Rus, maar ik kan plotseling in vervoering raken – net als een Rus. Ik ben Slavisch, want ik heb de ziel van een slaaf, en dienen is mijn manier om de liefde te bewijzen. Ik ben koppig als een Rus, en gebouwd voor de eeuwigheid; hoewel ik niet zal aanvallen, houd ik voet bij stuk. (…) ik ben indolent en slordig, maar even gesloten en sluw als een boer. Ik kan liegen, en ik kan lang en geduldig op wraak zinnen.’

Met dit saluut aan de Rus in haar brengt Portnoy een saluut aan haar vader. Rusland is haar vaderland, de Verenigde Staten haar moederland. Ze wordt geboren op 8 maart 1927 in Philadelphia, de stad waar haar vader terechtkwam toen hij samen met zijn vader en twee van zijn zes zussen vanuit Kyiv emigreerde. Hij sprak Russisch, zijn moedertaal was Jiddisch. In New York ontmoette hij het negentienjarige meisje dat Ethels moeder zou worden. Deze was als zeventienjarige samen met haar zusje de honger in Polen ontvlucht; het orthodoxe milieu van waaruit ze afkomstig was ruilde ze gretig in voor de Amerikaanse way of life, in ieder geval in uiterlijke zin.

Foto’s van haar uit die tijd laten volgens haar dochter de fysionomie zien van een bijna gestoorde persoon die zich schrap heeft gezet om het hoofd hoog te houden voor de buitenwereld. ‘Om een of andere reden, misschien hetzelfde gevoel van fataliteit waarmee iedereen zich in het huwelijk stort’, schrijft de dochter, ‘besloten deze twee onverenigbare wezens – mijn exuberante moeder en mijn gereserveerde bedachtzame vader – met elkaar te trouwen. In het eerste jaar van hun huwelijk werd ik geboren.’

Naar haar moeder kijkt Portnoy met het speciaal soort liefdevolle afkeer dat dochters voor hun moeder bewaren. De moeilijkheden van het sappelende immigrantenbestaan vertaalden zich bij haar in allerlei lichamelijke obsessies. ‘Wat is mijn leven?’ herinnert ze zich dat haar moeder herhaaldelijk riep. Om dan zelf het antwoord al te geven: ‘De drie borden!’ De belangrijkste rol die ze voor zichzelf weggelegd zag was het zorgen dat drie borden konden worden vol geschept, die van haar man en van haar kinderen, Ethel en haar zeven jaar jongere broertje.

Ze groeide op in New York, in de Bronx, de buitenwijk die in de jaren twintig en dertig nog op de rand van de wildernis verkeerde en waar de joodse en Italiaanse immigranten in hun gescheiden werelden leefden. Lyrisch schrijft ze over de ‘jungle’ die ze doorkruiste als ‘een wilde buffel’, en grappig over haar dickensiaanse schooljaren, als enig kind in de klas dat niet Italiaans was, als gevolg van een verhuizing naar een goedkopere wijk. ‘Toen ik veertien was keek ik tegen de wereld aan met de ogen van een onschuldige – om niet te zeggen die van een imbeciel.’ Daarin kwam enige verandering toen ze werd toegelaten tot het Hunter College for Women in Manhattan, en ze een zaterdagbaantje kreeg in warenhuis Macy’s, noodzakelijk om haar ‘verslaving aan cultuur’ te kunnen bekostigen. Wat die verslaving dan inhield? De aanschaf van de Phaidon-editie van Leonardo da Vinci, bezoekjes aan balletvoorstellingen met een fluwelen bandje om haar hals en handschoenen tot over haar ellebogen.

Ik vraag me af of ze ooit iemand anders is geworden dan die zestienjarige die haar eigen persoonlijkheid als zo ongevormd beschouwde dat ze alles, zoals ze zelf zegt, als gelijkwaardig beoordeelde. Of daarin niet haar essentie schuilgaat. ‘Ik zag het leven niet als in een donkere, maar als in een wazige spiegel. Elke gebeurtenis leek gelijke betekenis te hebben in een context waar uitsluitend chaos heerste.’ Het is een blik die haar vrij maakt, niet bevattelijk voor de gevoelens van ongenoegen waaraan het merendeel der mensheid onderdoor gaat. Overal waar zij is, is zij tijdelijk.

‘Ik was niet van plan daar te blijven’, denkt ze als ze haar collega-winkelmeisjes hoort klagen over de omstandigheden waaronder ze hun werk moeten doen. ‘Dat het warenhuis zelf deel uitmaakte van een systeem, en dat dat systeem op zijn beurt weer deel uitmaakte van een nog groter systeem, was een inzicht aan de uiterste rand van mijn bewustzijn. Ik voelde de onrechtvaardigheid van bepaalde toestanden, maar legde nooit een verband. Men hoeft alleen verband te leggen, heeft Forster gezegd, maar dat is een moeilijk uitvoerbare opgave wanneer men de wereld voor het eerst ontmoet.’

De wereld voor het eerst ontmoeten, in zekere zin is ze dat haar leven lang blijven doen. Anders dan tijdgenote Renate Rubinstein was Ethel Portnoy er niet op uit om te onthullen of te ontmaskeren, en ook niet om de strijd aan te gaan. Het zou niks voor haar zijn om iedere week een column af te moeten scheiden over de toestand in de wereld, hoezeer ze zichzelf ook als graadmeter voor die toestand zou mogen nemen. Wat zij en Rubinstein wel gemeen hadden was de manier waarop ze de grootheid van fenomenen als liefde en verraad, schoonheid en macht, benaderden: onbevreesd en persoonlijk, met de volledige en schaamteloze inzet van hun ‘ik’ in kringen waar dat nog niet bepaald gebruikelijk was. Én wat ze gemeen hadden was hun grenzeloze mededogen met de vaderfiguur.

Met zijn spaarzame centen was Joseph Portnoy een eigen kledingatelier begonnen, op Manhattan, in een zijstraat van Fifth Avenue, waar hij onverwacht bezoek kreeg van zijn dochter, ‘in de roes van haar eerste dagen op college’. Fashionable gekleed kwam ze een donker atelier binnen waar ze de ex-gymnasiast uit Kyiv aantrof in hemdsmouwen, achter een snijmachine, de hele dag door de hendel van dat ding overhalend. Als hij thuiskwam reageerde hij zijn woede af op zijn vrouw, en op zijn zoon, die hij een losbol vond, omdat die Frank Sinatra wilde worden en zijn schamele inkomsten als loopjongen voor een kruidenier verkwistte om zijn haar in de pommade te zetten, en aan zanglessen. ‘Vaak hoorden we hem oefenen, onder de douche, loeiend als een jong kalf.’

Zijn dochter moest iets veiligs worden, lerares, of ambtenaar. Plichtsgetrouw slaagde Ethel voor het ene examen na het andere, ze ging Engels studeren aan de universiteit van Wisconsin, werd prompt assistent en kreeg het gevoel opgesloten te zitten in een ivoren toren. ‘Geborgenheid was het laatste waarnaar ik op zoek was.’ Pas na de plotselinge dood van haar zwijgzame vader, ineengezegen op een metrostation, begreep ze hoezeer hij haar had willen beschermen tegen de barbarij die hij vanuit zijn familiegeschiedenis van nabij had meegemaakt. Zijn liefde was de brandstof waar haar motor een leven lang op bleef lopen.

Als zestienjarige had ze in New York Jean Cocteaus film Le sang d’un poète gezien, en toen wist ze eigenlijk al: ‘Waar ze die film gemaakt hadden, dáár bevond het zich.’ Het was de taal, de onalledaagsheid, het waarlijk nieuwe. ‘Dit was een universum ver, ver van de smalle gesloten wereld van de Bronx waar ik door het rampzalig toeval van er geboren te zijn noodgedwongen mijn dagen sleet. Hier, eindelijk, was een gat waar ik door heen kon kruipen, een scheur in het wereldplan waar ik mij doorheen kon wurmen om mijn ware ik te vinden.’ Ze kroop door het wormgat toen ze in 1950 dankzij een Franse overheidsbeurs de kans kreeg in Frankrijk te gaan studeren.

Ethel Portnoy op het strand in Amerika in 1950 © Jan Stegeman / Nederlands Literatuurmuseum

Haar ‘annus mirabilis’ brak aan: een jaar van wonderen waarin alles voor haar zou veranderen, voorgoed. Om te beginnen trof ze op een mooie zonnige ochtend tegen het einde van oktober in Musée de Cluny een blonde jongen in een lichtbruine houtje-touwtjejas die daar ook aan het rondwandelen was. Hij bleek telkens precies hetzelfde te willen zien als zij, dook steeds weer achter of naast haar op. Bij de ansichten in de winkel bij de uitgang kwam de vraag over zijn lippen, of hij haar een kop koffie mocht aanbieden. Nee, zei ze. Maar een kop chocola, dat wilde ze wel.

‘Rudy en ik zaten op dezelfde golflengte, dat begrepen we direct’, memoreert ze. ‘Bovendien was ik een Amerikaanse, en dus exotisch, afkomstig uit een land dat destijds nog grote bewondering genoot. Hij vertelde dat hij een Hollander was – een verrassing, want hij leek helemaal niet op wat ik me bij een Hollander voorstelde, grof en aanmatigend, als figuren uit de romans van Joseph Conrad. Hij schreef gedichten. Ik was ook schrijfster. Hij publiceerde een literair tijdschrift. Ik had net m’n eerste verhaal in zo’n soort tijdschrift gepubliceerd! En ik had ook gedichten geschreven. O, die wilde hij graag zien!’

Een scenario voor een Woody Allen-film ontrolt zich. Hij die haar gedichten vervolgens in de taxi laat liggen, niet wetend hoe hij zich erna in excuses moet uitputten, smekend om vergiffenis – ‘en die schonk ik’ – , de speurtocht naar waar ze woont, de brieven over en weer, haar trage overwegingen om ja te zeggen op zijn aandringen. ‘Sprongen in het duister wagen – was dat niet de inhoud van het leven? (…) Intuïtief wist ik dat je nooit een tweede kans krijgt.’

Ze ontdekte wat ze moest studeren, antropologie, ze vond haar levensgezel, alles gebeurt in dit wonderbaarlijke jaar. Remco Campert komt bij hen logeren en hij is degene die, ‘in vodden gehuld’, getuige is op hun huwelijk, Ethel ravissant, in de gardenparty-jurk die haar moeder nog voor haar heeft genaaid en met de grote strohoed die ze uit Florence meenam. Ze is in Europa, het land van haar dromen, zoals Amerikanen dat nu eenmaal zien, en ze zal er niet meer uit weggaan.

Tot de Hollanders die bij hun over de vloer komen, en met wie ze een onmiddellijke verwantschap voelt ‘omdat we dezelfde denkbeelden hadden, dezelfde kijk op de dingen’, behoren behalve Vinkenoog en Campert en hun eega’s, Willem Frederik Hermans, Lucebert, Ed van der Elsken, Frank Lodeizen, Gerard Reve, Hanny Michaelis. De zus van Renate Rubinstein, Gerda, was een tijdje hun buurvrouw. Als ze Hugo Claus en Corneille ontmoet, en hun beider vrouwen, weet ze: dit is het soort mensen bij wie ik in de buurt wil zijn. In een van haar verhalen, Waarover praten kunstenaars?, notuleert ze de hoogstaande gesprekken op zomaar een avondje. De mannen die praten, sterke verhalen over hun reizen en veroveringen; de vrouwen die zwijgen, af en toe ontzetting tonen. Zoals Portnoy het noteert: ‘De dames in het gezelschap zeiden oe.’

De belangrijkste inzichten over de schrijfkunst deed Portnoy op bij de colleges van Roland Barthes, het beste soort leraar volgens haar, namelijk het soort dat je laat zien hoe je in je eentje verder kan. Hij leerde haar dat het erom gaat ‘om de echt te schrijven’. Tijdens een college retoriek besteedde hij aandacht aan de echtheid die je al dan niet voelt bij het lezen van een schrijver. Of iets goed of slecht was, zei Portnoy niet zoveel. Het ging haar om echt of onecht.

Ze voelde zich vrij om de waarheid te vertellen, zo vertelde ze me toen ik tegenover haar zat in de Haagse woning die ze in 1970 met man en beide kinderen had betrokken, en waar ze tot haar grote genoegen al lange tijd alleen woonde. Haar broer, die in Amerika was blijven wonen en tegen alle verwachtingen in erg rijk was geworden, pakte haar boeken bij zijn bezoekjes altijd nieuwsgierig op, om alleen de straatnamen van zijn jeugd te herkennen. En dat het maar gelukkig was dat hij niet verder bladerde, want dan zou hij de namen van zijn vrouwen tegenkomen. ‘Ik kan alles zeggen’, zei ze, ‘want ik spreek een geheime taal.’

In Sei Shonagon, Japanse hofdame in de Middeleeuwen en schrijfster van Het hoofdkussenboek, zag zij een geestverwant. Het werk van miniaturisten, borduurders, bevredigde haar intens. Haar dochter herinnerde zich dat ze altijd op stukjes papier dingen aan het krabbelen was. Toen ze alleen was en weer meer tijd had, kwamen die papiertjes goed van pas, zei ze. Ze was bezig haar leven als een soort legpuzzel vast te leggen, in kleine beschrijvingen en overpeinzingen. ‘Als je zo’n vorm ontdekt, blijk je alles daarin te kunnen gieten.’

Misschien zijn ze nog ergens, die krabbels. Denk ik aan Portnoy, dan denk ik aan haar wegwuivende gebaren. Er was aan een kant een niet aflatende geldingsdrang – ‘Wat er ook gebeurt, ik schrijf tot ik neerval’, zei ze – en aan de andere kant een diep besef van tijdelijkheid. Een van de redenen dat ze zich zo op haar plaats voelde in Nederland was het formaat van ons land en de reikwijdte van het taalgebied. Ze werd gezien, en gewaardeerd, in haar tijd, maar bleef ook een tevreden buitenstaander.

Iemand die zichzelf liever niet als ‘te intellectueel’ beschouwde maar als iemand met een groot vermogen tot verbazing, moet bijna tegen haar zin op het podium van de publieke intellectueel worden gehesen. Schoonheid, kunst, school voor haar in nonchalance. Of het nu om kleding gaat, eten, inrichting of tuinen, schilder- of schrijfkunst, niets mag er uitzien alsof ervoor is gezwoegd. Het is die uitzonderlijke lichtheid van Ethel Portnoy, met inspanning gewonnen op de altijd op de loer liggende neiging naar te mooi, te zwaar, die blijft spreken. Zonder hierin demonstratief te willen zijn, bepaalde ze zelf waarover je wel en niet geacht werd te schrijven en hoé je dat moest doen. ‘Schrijvende vrouwen hebben geen meesters, maar meesteressen’, schreef ze, niet vermoedende dat ze zelf zo’n meesteres zou worden.

Dit is een bewerking van de lezing over Ethel Portnoy die Marja Pruis uitspreekt op dinsdag 13 december in De Balie in Amsterdam, in de programmareeks Publieke intellectuelen.