Een tik tegen de werkelijkheid

K. Schippers, Poeder en wind. Uitgeverij Querido, 315 blz., 345,-
KUNST, WERKELIJKHEID en taal, en het spanningsveld daartussen. Dat is het gebied waarin K. Schippers zich bij voorkeur ophoudt in zijn werk. Het maakt niet uit of het gaat om proza, poëzie of essayistiek. Vooral de verwantschap tussen zijn essays en romans is groot.

Misschien klinkt het woord wat te zwaar, gegeven het naïef-speelse, bijna sprookjesachtige element dat in al zijn romans zit, maar je zou ze ook ‘beschouwingen’ kunnen noemen. Beschouwingen over kijken bijvoorbeeld, gewaarworden, erotiek, lichamelijk denken, het overgangsgebied tussen de kindertijd en volwassenheid of in het algemeen de tijd.
Sommige van zijn titels spreken meteen al boekdelen: Eerste indrukken (1979), Beweegredenen (1982) of Vluchtig eigendom (1993). Wat verder opvalt is het kennelijke gemak waarmee Schippers al jaren zijn verwondering op peil weet te houden, steeds blijft hij verrassen. Die verwondering is het kompas bij zijn vele malen hernomen terreinonderzoek op de smalle strook die ligt tussen ontvankelijkheid en bewustzijn, het grensgebied tussen wat we wel en niet kunnen weten.
Drempelverkenningen zou je zijn schrijven kunnen noemen. Zijn zoeken geldt het 'vluchtig eigendom’, het richt zich op iets wat voor slechts een enkel ogenblik te begrijpen valt. Woordloze momenten zijn het. Daarna zijn ze hooguit nog met andere middelen op te roepen. Vandaar zijn voorkeur voor kunstenaars die een tik geven tegen de werkelijkheid, zodat die er anders uit komt te zien. En in de romans valt zijn hang naar het buitengewone op, waardoor leesgewoonten aan het wankelen raken en zekerheden onderuit worden gehaald.
Hoe ingenieus ze ook in elkaar zijn gezet, de verhalen over bijvoorbeeld de eerste herinneringen van een driejarige of de jongen die zich naar zijn geliefde toetovert (Een liefde in 1947, 1985), bewondering had ik er wel voor, maar anders dan in zijn essays raakte ik altijd weer snel uit de greep waarin het boek me aanvankelijk gevangen hield. De constructie ervan had uiteindelijk toch iets voorspelbaars, het idee van de roman was meestal sterker dan de roman zelf.
Maar met zijn nieuwste, boek Poeder en wind, overtuigt Schippers me weer helemaal. Met oogstrelend proza en een duizelingwekkende roman.
IN FEITE ZOU JE Poeder en wind de fantastische catalogus of een ideeënbiografie kunnen noemen van al Schippers interesses en voorkeuren. De roman vat, lijkt het wel, heel zijn schrijversleven samen. Bijna terloops weeft Schippers de namen en bijzonderheden van allerlei bewonderde kunstenaars door het boek: Stan Laurel, Antoine de Saint-Exupéry, Hergé, Vilhelm Hammersh⅛i, Buster Keaton, Man Ray, Nijinski en zijn balletchoreografie. Als altijd is er ook nu weer zijn aandacht voor het detail, en laat hij zien wat er overblijft van een tijd als alle oorlogen, koningen en politici zijn vergeten: een lichtstraal van Turner, een venster van Terborch, een borst van Cranach. Hij beschrijft opnieuw de gewaarwordingen waar we doorgaans aan voorbijgaan, datgene wat hij in een essay het 'verhaalloze’ noemde: 'wat er gebeurt als er geen duidelijke gebeurtenis voorhanden is’, een toevallige aanraking, het thuisbrengen van een geur, de ambiance binnen een gezelschap dat een kroeg bezoekt, met daarin bijvoorbeeld het kruisen van de blikken. Subtiel speelt hij zijn spel met de tijd en meer dan ooit dat met de woorden. Als een ware Hefaistos smeedt Schippers nieuwe uitdrukkingen voor de toestand waarin hij zijn figuren brengt, geslaagde en minder geslaagde: herhalingsdronken, huidnabijheid, vergisschotel, leeftijdsverwarring of wegwiekritme.
HET VERHAAL is even uitzonderlijk als wonderlijk en onderhoudt wellicht niet helemaal toevallig connecties met het veilingwezen. Dat immers is een wereld waarin catalogi een belangrijke rol spelen; ze brengen bij elkaar wat na de veiling onherroepelijk uiteen zal vallen. Aan die dualiteit refereert de hoofdpersoon uit het boek als ze zich voorstelt met de woorden: 'Ik besta bij de gratie van wat uiteenvalt en dat is hoogst erotisch.’ Het gaat hier om de zeventigjarige Marian Bimba, een woordspelige achternaam, het woord is Italiaans voor meisje. Ze is een succesvolle veilingmeester, iemand voor wie - ook vanwege haar beroep - de dingen eeuwig jong blijven.
Ze zou nog één keer de zachte vernieling van de tijd willen weerstaan, het proces dat de zintuigen doet vervlakken en langzam verhardt wat eens spontaan was. Nog één keer jeugdig zijn, het is een onmogelijkheid die Schippers werkelijkheid maakt. Ze spreekt de wens daartoe uit in een spraakmakend televisieprogramma, waarin ze terecht is gekomen omdat ze bij de verkoop van een cilinderbureau, tegen alle regels in, zelf was gaan meedingen. Niet vanwege het bureau maar om het portret van een zevenentwintigjarige vrouw dat er als los paneel bij hoort, een zeventiende-eeuws schilderij waarin ze de trekken van haar even oude schoondochter Tine herkent, de levensgezellin van haar dochter Toef. Ze vermoedt dat er iets raadselachtigs mee aan de hand is en wint door haar inzet het gevecht om de koop. Hoe dan ook, het doek zal haar het perspectief van een zevenentwintigjarige teruggeven.
Na deze inleidende manoeuvres kan het boek pas echt beginnen. In hoog tempo schuiven beelden voorbij. Hoewel, in hoog tempo - dat is in zekere zin optisch bedrog. Schippers schrijft in welliswaar vloeiend maar ook precies proza, beweegt zich van detail naar detail, en begeeft zich waar nodig tussen de regels met zijn commentaar. Desondanks zit er vaart in de roman, veel vaart, hij bruist van vitaliteit.
WIE KRIJGEN ER zoal een rol in Schippers’ choreografie van de ontvankelijkheid? Naast Marian en haar dochter Toef zijn dat haar twee andere kinderen Beppie en Jan voor wie 'taxeren, beschrijven, verkopen’ een spel is dat ze al sinds hun jeugd spelen. Dan zijn er verder Bert, haar ex-man, en zijn jongere vriendin Tamara. Tijdens haar gedaanteverandering in zevenentwintigjarige zal ze haar opvolgster verleiden en op die manier wraak nemen op Berts ontrouw. Maar meer dan uit haar wraak haalt ze voldoening uit een reis op de kermis gemaakt in een zweefmolen 'hoog door de lucht en dan de wind door je haren voelen’.
Minstens zo belangrijk als deze gelukkig makende woordloze ervaring zijn voor Marian de cahiers die ze tegenkomt bij de taxatie van een oude apotheek die haar ter veiling is aangeboden door een zekere Cocheret. Daarin staan nogal opmerkelijke aantekeningen waarin Cocherets vader onbevangen zijn gevoel voor mogelijkheidszin heeft uitgeleefd. Ze leest er gretig in en put er moed uit voor haar verjongingsexperiment. De schriften vormen een boek in het boek, genereren voor een deel de eigenlijke roman wanneer Marian ontdekt dat ook Cocherets vader worstelde met de vraag 'of het woordloze en de eerste indruk zich kunnen verenigen tot wat aan elk voorval voorafgaat, het verhaalloze van de jeugd, zaad dat onvoorspelbaar zal ontbotten’.
Last but not least is er Marians kleindochter. Ze is een ware vraagstaart, vertegenwoordigt de beweeglijke wijsheid van het kinderlijke denken. Ze moet in haar klas een spreekbeurt houden en zal dat doen over het 'deesjafu’. Het déjà vu, dat raadselachtige amalgaam waarin sfeer, een bekend gevoel en de opheffing van de tijd samengaan dat Marian ogenblikkelijk ook had bij de aanblik van het zeventiende-eeuws portret.
Enfin, wie het hoe en waarom van dit alles wil weten, verwijs ik graag naar de roman zelf. K. Schippers schreef met Poeder en wind een uitzonderlijke roman die een zware hypotheek legt op zijn volgende proza.