De personages van Paul Auster

Een tik van de maan

De personages in de romans van Paul Auster raken verstrikt tussen paranoia en antiparanoia en bestaan uiteindelijk alleen nog in hun eigen hoofd. Waarna de gekte op de loer ligt.

In 1982 verscheen nummer 24 van het tijdschrift Raster met als thema «Gestoorde teksten». Er zat een roze buik band je om met in vrolijke hanenpoten: «Wie dit leest is gek». De redactie was blijkbaar even «uit zijn bol gegaan». Het boeiende van Raster 24 was dat de teksten van schrijvers en «geestelijk gestoorden» broederlijk naast en door elkaar heen waren opgenomen, of die nu Joyce, Van der Meer, Artaud, Van den Berg, Beckett of Ku perus heetten. Het was de bedoeling van Raster om subversieve teksten, «tekstver storingen», te belichten die «uitbraakpogingen uit taalconventies» betekenden. Im mers, een opstand tegen de taal betekent tegelijkertijd een opstand tegen de maatschappij, schreef Jacq Vogelaar in zijn inleiding.

Een van de begeleidende theoretische teksten was van Michel Foucault: «De waanzin, het afwezige werk» (1964). De openingszin was prikkelend: «Misschien zal op zekere dag niemand meer goed weten wat waanzin ooit geweest is.» Want de geneeskunst was ook al in het pre-prozactijdperk tot grote hoogten gestegen en de farmacologische revolutie stond in haar kinderschoenen. Er komt een tijd, voorspelde Foucault, dat Antonin Artauds proza de basis van ons taalgebruik is en dat neurosen geen afwijking meer zijn maar de werkelijke kern van ons wezen. Waanzin onthult de waarheid van de mens en «het levende beeld van de rede» zal in vlammen opgaan. De kunst die niet wil behagen maar ondermijnen, laat de wereld op z'n kop staan, alsof ze een dwaze gekscherende clown is.

Wat moeten we in de moderne literatuur zonder de gekken, de ontspoorden, de wartalers, de wanhopigen, schizofrenen en paranoïde pennenvoerders die van toevalligheden een sluipend terroristisch complot maken waarin alles met alles te maken krijgt? De schrijvers zouden met lege handen zitten en het papier zou blanco blijven. Het is heel goed mogelijk, verzuchtte de Amerikaanse Faulkner- en Conrad-biograaf Frederick Karl in zijn monumentale studie Modern and Modernism (1985), een overzicht te schrijven van het modernisme tussen 1885 en 1925 waarin alleen gekte ge schiedenissen aan bod komen, dat wil zeggen verhalen die alles te maken hebben met deconditionering en zuiveringsrituelen.

De «waanzin» als thema domineerde de modernistische schilderkunst, poëzie en romanliteratuur omdat zij de afgestompte zintuiglijkheid van de burgerlijke wereld (de «bourgeois») aan de kaak stelde. De grote onbekende was niet meer God, want die was door Nietzsche doodverklaard, maar de Vrouw (Strindberg in zijn A Madman’s Defense van 1888), het onbewuste of de techniek. Mallarmés Un coup de dés (het «azuur») wilde doordringen in het rijk van de gekte; Conrads Heart of Darkness was niet alleen een afdaling in de duistere rimboe van de Congo maar ook de reis van Marlowe naar de oorsprong van de waanzin («the horror, the horror!»); Rilkes klaagstad, Poe’s «verwardheid en schreeuw van het bloed» (Karl); Joyces Dublin; Yeats’ Byzantium; Baudelaires «kunstmatige paradijzen»; Jarry’s maskerades en Picasso’s vertrokken clownsgezichten: stuk voor stuk zijn het vormgegeven pogingen de bekrompen (klein)burgerlijke geest zo drastisch te verruimen dat de verstaanbaarheid in gevaar komt. Uit hun avant-gardistische kunstwerken — vaak begeleid door waanzinnig ronkende, hemelbestormende manifesten — kwamen dada en het surrealisme voort die de parodie, de spotkunst en de ironie beoefenden en niet buiten schrille subversieve tonen konden. De opstand van de taal werd een opstand tegen een zogenaamd gezonde wereld die in wezen waanzinnig was omdat ze een alles en iedereen vernietigende wereldoorlog teweeg had gebracht.

Heeft de oude bard Shakespeare niet al geformuleerd, onder meer in King Lear, dat de dwazen een hogere vorm van waarheid bereiken, is gekte niet een superieure vorm van waarnemen? De gek of dwaas in de moderne literatuur groeit vaak uit tot een sjamaan die buiten de oevers van de rede is getreden en geen boodschap meer heeft aan zogenaamd beschaafde, redelijke waarden.

Het is deze modernistische traditie waarin de Amerikaanse schrijver Paul Auster — minder bekend als essayist gespecialiseerd in Franse surrealistische poëzie — zich thuisvoelt. Zijn romans, van Moon Palace (1989) tot Timbuktu (1999), worden bevolkt door creatieve «gekken», schrijvers of andere fanatieke «reizigers» die de grenzen van de rede tot op de rand van de afgrond willen aftasten, die een dwaze queeste ondernemen naar de oorsprong van hun afkomst. Austers hoofdfiguren raken zo gebio logeerd door de slingerbeweging tussen paranoia en antiparanoia dat ze onwillekeurig naar een niemandsland worden gemanoeuvreerd, een leeg en desolaat landschap waar ze nog alleen in hun eigen hoofd bestaan. Waarna de gekte op de loer ligt. Want als je het ene moment denkt dat alles met alles te maken heeft en het volgende ogenblik meent dat alle gebeurtenissen los zand zijn en dat het leven zinloos blijft, raak je verstrikt in de draden die je toch in je existentiële eenzaamheid blijft spinnen.

Moon Palace kan een familieroman worden genoemd, het bizarre verhaal van grootvader, vader en zoon die niet van elkaar weten dat ze familie zijn. Het is gekkenwerk de labyrintische plot in dit boek vol verschijningen en verdwijningen uit de doeken te doen. Interessanter is het op te merken dat alle personages zich als outcast in de marge van de maatschappij ophouden: grootvader Effing als teruggetrokken en doodverklaarde avonturier, vader Solomon Barber als vetzuchtige historicus die met behulp van Berkeleys filosofie van het waarnemen een nieuw licht op de Amerikaanse geschiedenis werpt, kleinzoon Marco Stanley Fogg (de naam is een samenstelling van drie notoire globetrotters) als een in de jaren zestig opgroeiende broodmagere, eenzame student die «maanziek» is (iemand noemt hem een «lunatic»), ten slotte een zwerversbestaan op Manhattan leidt en een ongelukkige liefde beleeft. Moon Palace zet het toeval op de troon, door Auster zelf «de muziek van het toeval» genoemd. De invalide grootvader Effing, die zonder het zelf te weten zijn kleinzoon als verzorger aanneemt en hem opvoedt, houdt Marco voor: «Er bestaan geen samenlopen van omstandigheden. Die uitdrukking wordt alleen gebezigd door onnozele mensen. Alles in de wereld is gemaakt uit elektriciteit, zowel de levende als de levenloze dingen. Zelfs gedachten hebben een elektrische lading. Als die sterk genoeg is kan de gedachte van een mens de wereld om hem heen veranderen.»

De paranoia is nooit ver weg in de moderne Amerikaanse literatuur van Don De Lillo tot David Foster Wallace. Paul Auster is een schrijver die de meest ongeloofwaar dige verbanden weet te leggen tussen gebeurtenissen die een «redelijk» mens nooit aan elkaar zou koppelen. De innerlijke logica van zijn verhalen komt tot stand door de tomeloze inzet van fanatieke, «waanzinnige» ordebouwers. In Leviathan (1992) creëert Auster als een ware literaire schizofreen twee schrijvende alter ego’s. De een, Paul Aaron, reconstrueert de geleidelijke verbrokkeling, verwording en verdwijning en zelfvernietiging van de ander, Benjamin Sachs. Dat doet hij met de hete adem van FBI en CIA in zijn nek. Aaron/Auster en Sachs maken een legpuzzel van diverse historische feiten. Hun schrijven, hun manier van leven en hun reflectie daarover vormen een aaneenschakeling van zinsbegoochelingen. En dat allemaal om op de been te blijven, om niet te verdwijnen. Dat is de kern van Austers schrijverschap, dat manoeuvreert tussen vallen (Leviathan) en opstijgen (Mr. Vertigo, 1994), tussen «aan de grond zitten» en succes op z'n Amerikaans.

In Moon Palace is een staaltje te lezen van de paranoïde gedachtegangen van het typische Auster-personage, hongerkunstenaars die vaak een tik van de maan hebben meegekregen, waarbij en passant kritisch commentaar wordt geleverd op de geschiedenis van Amerika: «De ene gedachte riep de volgende op, kronkelend naar steeds massalere betrekkingen. Het idee van een reis naar het onbekende bijvoorbeeld, en de parallellen tussen Columbus en de astronauten. De ontdekking van Amerika als een mislukte tocht naar China; Chinees eten (Moon Palace is de naam van een Chinees restaurant in de roman — gb) en mijn lege maag; gedachte, zoals voedsel voor het denken, en het hoofd als droompaleis. Ik dacht dan: het Apollo-project; Apollo, god van de muziek; oom Victor en de maanmannen die naar het Westen trekken. Ik dacht dan: het Westen, de oorlog tegen de indianen, de oorlog in Vietnam, vroeger Indo-China. Ik dacht dan: wapens, bommen, explosies, atoomwolken in de woestijnen van Utah en Nevada; en dan vroeg ik mezelf af — waarom lijkt het Amerikaanse Westen zo sterk op het maanlandschap?»

Al die «geheime» verbanden die hongerkunstenaar en ontdekkingsreiziger Marco Stanley Fogg in Moon Palace ontdekt, geven hem een gevoel van macht en «gnostische vreugde» omdat hij meent een basiswaarheid omtrent de wereld op het spoor te zijn. Maar misschien «werd ik wel gek».

Ook in Leviathan doen Austers creaties verwoede pogingen een stabiele identiteit te verwerven, «een manier om zichzelf te betrekken bij de gruwelen van (de) eigen tijd». De Verenigde Staten zijn op de verkeerde weg en verloederen, is de achterliggende gedachte van de roman. De maatschappelijke waanzin ligt als een vraatzuchtig monster (de Leviathan van de bijbel en van Thomas Hobbes) op de loer. «Iedere echte staat is corrupt», luidt het motto van Emerson. De lezer krijgt een beeld gepresenteerd van de schrijver Benja min Sachs, virtuoos in het leggen van historische verbanden, die «van het ene eind van zichzelf naar het andere eind (heeft) gereisd». Dat wil zeggen, hij ontwikkelt zich van auteur tot terrorist door replica’s van het Vrijheids beeld en ten slotte zichzelf op te blazen.

Leviathan is niet alleen een paranoïde drama van kijken en bekeken worden (Ber keley) — zoals alle Auster-boeken lijden aan achtervolgingswaanzin — maar ook het relaas van een dwangneurotische schrijver die per se alles met alles wil verbinden want «elk verhaal overlapt elk ander».

Is paranoia niet de redding van de subversieve roman, die steeds opnieuw de geschiedenis wil herschrijven en de oude vertrouwde orde omvergooien? De literatuur blijft het domein van de «waanzin», niet toevallig een woord waarin gekte en rede elkaar in evenwicht houden.