Witte schuld

Een Tikkie voor institutioneel racisme

Tegen de achtergrond van wereldwijde anti-racismeprotesten worden mensen van kleur overspoeld met spijtbetuigingen van oude bekenden. De incidenten zijn verjaard, maar de schaamte is vers. Wat moeten mensen van kleur met witte schuld?

‘Lang heb ik getwijfeld of ik deze brief moest sturen.’ De e-mail is van een klasgenoot die ik na ons afstuderen op een hagelwit grachtengordelgymnasium meer dan een decennium terug vrijwel niet gesproken heb. Ze vertelt over haar leven, over haar werk, over vroeger. Uit de alinea’s klinkt een teneur van berouw en spijt. Spijt voor de racistische koosnamen die zij en anderen mij gaven. Spijt voor de ongepaste grapjes die ze maakten. Spijt voor het feit dat haar morele alarm destijds wel degelijk afging, maar dat ze er geen gehoor aan gaf.

De e-mail eindigt met een verzoek dat geen verzoek is: ‘Ik vraag je niet om vergeving of een reactie. Doe met mijn reflectie en spijtbetuiging wat je wil.’ Ik weet niet wat ik ermee wil, ik ben verward. Verward omdat ik geen eenduidige repliek paraat heb.

Ik zie de Andere Tijden-aflevering al voor me die aan dit momentum gewijd zal worden. Hoe de moorden op Breonna Taylor, George Floyd en talloze anderen vanaf de andere kant van de Atlantische sloot onze tijdlijnen overnamen. Historici en sociologen zullen reconstrueren wat precies heeft bijdragen aan het feit dat, in het voorjaar van 2020, duizenden mensen na maanden pandemie en quarantaine aan de waan van de dag ontsnapten en niet meer konden wegkijken van dat etterende gat waar we periodiek een lullig Hansaplast-pleistertje op plakten. De toeslagenaffaire bij de Belastingdienst. Het afserveren van een politie-klokkenluider die racistische wantoestanden bij het Haagse korps aankaartte. De racistische spreekkoren aan het adres van Excelsior-speler Mendes Moreira. Zwarte Piet. Structurele onderadvisering op de basisschool. Racisme op de woningmarkt, op de werkvloer, tijdens sollicitatieprocedures.

Ooggetuigen zullen verhalen, zo stel ik me het voor, dat dát het moment was, daar op de Dam, op de Erasmusbrug, op het Malieveld of in het Nelson Mandelapark, dat ze met het slaapzand in de ooghoeken de kijkers voor de eerste keer écht openden. En dat er bij thuiskomst een brandbrief van het geweten op de deurmat lag met daarin een nauwkeurige evaluatie van het persoonlijke verleden. Er bleken incidenten te zijn geweest, woorden te zijn gezegd, gedrag te zijn vertoond dat met de kennis van nu – stiekem ook met de kennis van toen – niet door de beugel kon.

De afgelopen weken en maanden zullen er vrachtladingen beter-laat-dan-nooit-spijtbetuigingen in de brievenbus zijn gegooid, goedbedoelde WhatsApp-berichtjes zijn getypt, ongenuanceerde Facebook-posts zijn gedeeld en diepgravende e-mails zijn verstuurd. Zo ontboezemde presentator en radio-dj Andrew Makkinga aan de talkshowtafel van Margriet van der Linden dat ook hij een excuus-app heeft gekregen van een oude kennis; ze wilde zich verontschuldigen voor het feit dat zij hem tien jaar geleden een keer ‘neger’ had genoemd. Makkinga haalde zijn schouders op: ‘Ja sorry, dat weet ik echt niet meer, hoor.’

Een goede vriendin vertelde me een soortgelijk verhaal. Een witte collega, die tijdens vergaderingen vaak onsmakelijke, racistisch getinte opmerkingen naar haar hoofd slingerde, was tot inkeer gekomen en ‘zou graag willen praten’. Een andere zwarte vriendin deelt mee dat zij, samen met een zwarte schoolvriendin, uit het niets is toegevoegd aan de WhatsApp-groep van haar oude en verder geheel witte klas. De appgroep bleek al vijf jaar te bestaan. Ze ontving een uitnodiging voor een barbecue, maar bedankte voor de eer. ‘Na al die jaren hebben ze mij nodig om hun vriendengroep diverser te maken. Hebben ze in de tussentijd geen andere donkere mensen leren kennen? Nee, bedankt. Ik ben lang genoeg jullie “zwarte vriendin” geweest.’

Op Twitter scroll ik deze dagen oeverloos door de onverwachte spijtbetuigingen die mensen van kleur de afgelopen tijd zijn toegestopt. Anekdotes uit een ver of soms minder ver verleden. Over dat ze wisten dat het eigenlijk niet kon, over hoe schuldig ze zich voelden of nog steeds voelen, over de mentale kilometers die inmiddels zijn afgelegd, over de schuld en de schaamte waarmee ze kampen. De afzenders zijn grotendeels mensen met wie het contact al geruime tijd is verwaterd en de incidenten zijn vaak al verjaard. Maar de schuld, de schaamte en de spijt lijken vaak vers.

‘Na al die jaren hebben ze mij nodig om hun vriendengroep diverser te maken. Nee, dank’

In pogingen om dat schuldgevoel een plek te geven, grijpen witte mensen niet alleen verwoed naar pen en papier, maar vinden ze ook hun heil in rituelen en ‘grote gebaren’. Zo worden in Amerika op het moment ostentatief straten hernoemd, knielen prominente Democraten – Nancy Pelosi voorop – gedrapeerd in Afrikaanse kente-sjaals, wassen grote groepen witte mensen in North Carolina tijdens haast religieuze ceremonies de voeten van zwarte demonstranten en worden in navolging van Washington DC door het hele land op een gigantische schaal de woorden ‘Black Lives Matter’ op straten geverfd.

In aflevering 162 van de Amerikaanse podcastserie Reply All bespreekt producer Emmanuel Dzotsi een recent, doch vreemd fenomeen: witte Amerikanen die uit het niets een Tikkie overmaken van een paar dollar naar zwarte Amerikanen – een soort ‘herstelbetaling’ voor het institutionele racisme dat ze te verduren krijgen. In de aflevering komt Milly Tamarez aan het woord, die in 2016 furore maakte met een satirische video waarin ze witte mensen aanbiedt om, tegen betaling, hun racistische zonden kwijt te schelden. Zodra het bedrag was overgemaakt stuurde Milly ze een persoonlijk bericht terug waarin ze plechtig – ‘in de naam van alle vrouwen en mensen van kleur’ – beloofde dat de racistische zonden waren vergeven.

De behoefte aan een aflaatmachine voor racistische misstappen bleek groot: waar de storneringen in het begin bescheiden en de zonden zelfspottend waren – ‘vergeef mij voor het feit dat ik van Wes Anderson-films hou’ of ‘ik dacht dat Kanye West en Beyoncé getrouwd waren’ – werden de zonden steeds serieuzer van aard. Tamarez hield ermee op: ze voelde zich té ongemakkelijk bij deze economisch-gefundeerde vergeving. ‘Ik denk dat mensen van kleur soms geneigd zijn het contact aan te gaan met witte mensen over hun schuldgevoel omdat ze denken dat het een en ander op zijn plek zal vallen’, zegt Tamarez in de podcast. ‘Maar het is het niet waard. Ook al betalen ze me, ze betalen me niet genoeg.’

Ik lees de laatste zin van de spijtbetuiging opnieuw: ‘Ik vraag je niet om vergeving of een reactie. Doe met mijn reflectie en spijtbetuiging wat je wil.’

Ik denk aan de woorden van Milly Tamarez – wil ik het gesprek aangaan om het verleden te begrijpen? Na het lezen van de spijtbetuiging was ik in eerste instantie geschokt, licht ontroerd zelfs. Ik voelde me haast plaatsvervangend schuldig, zoals ik dat vrijwel altijd heb als iemand door het stof gaat. Dan voel ik de behoefte om dat gevoel weg te nemen, te zeggen dat het allemaal wel goed komt, te zeggen dat het wel meevalt, in sommige gevallen haast de dader te troosten. Het is verleidelijk om dat ongemak zelf glad te strijken, het probleem van de ander op te lossen. Maar haar beroep op mijn sympathie doet mij afvragen of die sympathie wel van mij moet komen.

In The New York Times verscheen kortgeleden het opiniestuk ‘I Don’t Need “Love” Texts From My White Friends’, uit de pen van de zwarte scenarioschrijver Chad Sanders. In het stuk ontrafelt hij de paradox van vergeving en uit hij zijn frustratie over de berichten die hij, in het kielzog van Black Lives Matter-protesten, ontvangt van witte vrienden. De zin ‘Voel je vooral niet verplicht om te reageren’, die consequent wordt geplakt achter de talloze ongewenste hartjes-onder-de-riem die hij ontvangt, haalt het bloed onder zijn nagels vandaan. Want volgt uit dit sympathiek ogende non-verzoek niet logischerwijs dat het dus eigenlijk helemaal niet uitmaakt of hij hierop reageert of niet? Dat de transactie dus kennelijk compleet is na dat ene bericht? Dat de verzender na op ‘send’ te hebben geklikt met een gerust hart naar bed kan en hij dus enkel een lijdend voorwerp is, een dumpplek voor het schuldgevoel en ongemak van de verzender?

Door op voorhand te vermelden dat er geen reactie van hem wordt verwacht, voelt hij zich bovendien beroofd van zijn handelingsvrijheid om te doen wat hij sowieso al niet gedaan zou hebben: reageren.

Wat zou voor mij de reden zijn om genezen wonden open te halen?

Vergeving heeft iets paradoxaals, aldus de Duitse filosoof Oliver Hallich. Hallich maakt het onderscheid tussen het gedragsmatige aspect – of de houding – en het sturende aspect van een spijtbetuiging, die haaks op elkaar lijken te staan. Een goede spijtbetuiging moet, volgens Hallich, een aantal elementen bevatten. Allereerst is een nederige houding gepast: de schuldige erkent zijn of haar fout, erkent de gevoelens van het slachtoffer en beseft dat hij of zij geen recht heeft op vergeving – dat vergeving niet kan worden afgedwongen met een spijtbetuiging. Tegelijkertijd zijn spijtbetuigingen, in de woorden van Hallich, ‘sturende spraakhandelingen’: ze worden uitgesproken met de intentie om vergeving te verkrijgen van de ander.

Ik denk dat Hallich gelijk heeft en dat in een spijtbetuiging toch altijd de vraag om vergeving besloten ligt, ook al spreekt de persoon dit inherent tegen. Waarom zou ze anders naar mij zijn gestuurd en niet in een dagboek, bij een therapeut of aan een wensballon terecht zijn gekomen? Mijn rol, zo begrijp ik na mijn verwarring nu beter, voelt door deze spijtbetuiging waar ik niet op hoef te reageren zowel essentieel als nutteloos: als zwarte vriend heb ik, net als Tamarez en andere mensen van kleur, het juiste profiel om gratie te verlenen tegen het zelfopgelegde kindertarief van drie weesgegroetjes en drie Onze Vaders. Tegelijkertijd is mijn daadwerkelijke mening voor de afzender eigenlijk overbodig.

Na meer dan tien jaar vrees ik dan ook weer in dezelfde dynamiek te kunnen belanden als waar ik me, in de periode waar spijt voor wordt betuigd, al in bevond. Ik word niet graag herinnerd aan de persoon-in-wording die ik toen was. Binnen mijn spierwitte vriendengroep ontstond geleidelijk aan een dynamiek waarin mijn grenzen werden opgerekt, waarin ik gedoogde dat er racistische moppen werden gemaakt en ‘goedbedoelde’ koosnaampjes (‘Choco’) op mij werden geplakt. Een dynamiek waarin ik werd gereduceerd tot de ‘zwarte vriend’ – een bijrol in andermans sitcom. Op de momenten dat ik er later aan terugdacht, rekende ik het vooral mijzelf aan. Want had ik door mijn mond te houden niet ook mijn morele alarm genegeerd? Was ik niet zelf in die onsmakelijke gedoogconstructie gestapt en had ik daardoor niet zelf mijn portie alledaags racisme naar binnen gelepeld? Of was dit een overlevingsstrategie?

Het was haast een opluchting om met mijn diploma op zak de hele janboel achter mij te kunnen laten en het debacle onder de noemer ‘puberale onzekerheid’ te scharen.

Later in diezelfde aflevering van de podcast Reply All spreekt Emmanuel Dzotsi met zijn vriend Joshua over een soortgelijke geschiedenis. Ze vertellen dat ze zich langzaam aanpasten om te kunnen voldoen aan de sociale normen van hun witte universiteit. Hoe je niet merkt dat je grenzen langzaam worden opgerekt omdat je geaccepteerd wordt, en acceptatie fijn voelt. Joshua vergelijkt het met een stressfractuur. ‘Door de jaren heen blijf je maar incasseren en incasseren tot je breekt.’ Beiden geven toe dat ze na het verlaten van de universiteit een sterke behoefte voelden om vriendschappen aan te gaan met mensen van kleur. En dat op het moment wanneer iemand uit het verleden weer contact zocht, diegene een soort relikwie was geworden van het type relatie dat ze niet meer wilden, het type relatie dat ze in hun verdere leven hebben geprobeerd te ontlopen.

Ook ik koos er na de middelbare school voor om mezelf met andere mensen te omringen, mezelf in andere kringen te bewegen. Het dossier ‘middelbare school’ verdween achter in de archiefkast van mijn brein, en daarmee verdween ook de behoefte om zelf nog erkenning te verlangen uit de dynamiek van toen. Voor mij was de kous af. C’est la vie. Ik besef dat ik, net als vele andere zwarte personen en mensen van kleur, dat ongemakkelijke gevoel reeds heb ontleed, in afzondering heb verwerkt en dat het me heeft gedwongen tot een constant bewustzijn van en reflectie op mijn positie in een maatschappelijke context. En daarom voelt een spijtbetuiging – hoe goed bedoeld ook – een beetje als mosterd na de maaltijd. Dus wat zou voor mij de reden zijn om oude herinneringen op te rakelen, mij emotioneel open te stellen, genezen wonden open te halen?

Iedere 1 juli vieren we Keti Koti. Het was dit jaar ook achttien jaar geleden dat het Nationaal Slavernijmonument in Amsterdam officieel werd geopend: een kolossale, in graniet gegoten, massieve spijtbetuiging. Wat een mooie dag had moeten worden liep destijds uit op een zeer pijnlijk fiasco. Het beveiligingsprotocol rondom koningin Beatrix, die uitgenodigd was om de plechtigheid te voltrekken, schreef voor dat slechts een selecte delegatie toegang had tot het monument. Deze delegatie bestond voornamelijk uit witte mensen. De nazaten van de tot slaaf gemaakten – Surinamers, Antillianen en Afrikanen – die uit heel het land waren afgereisd om deze historische dag, waar ze reikhalzend naar hadden uitgekeken, in levenden lijve mee te maken, werden achter geblindeerde ijzeren veehekken weggestopt.

Op een dag waarop het ‘verbreken van de ketenen’ wordt gevierd werden zij opnieuw in bedwang gehouden door ijzer. Op een dag dat juist het verhaal en de geschiedenis van de afstammelingen van de tot slaaf gemaakten centraal had moeten staan, waren het uiteindelijk witte mensen die hun eigen spijt op de voorgrond plaatsten.

Velen worden in deze periode getrakteerd op een enkeltje naar het spiegelpaleis: de persoon die ze altijd dachten te zijn, correspondeert niet meer een-op-een met de persoon die ze werkelijk zijn (geweest). Het is voor hen verleidelijk om dat schuldgevoel neer te leggen bij de mensen van kleur, te willen praten over vroeger en daarmee hun eigen pijn, hun eigen schaamte en hun eigen behoefte op de voorgrond te plaatsen. Ik geloof dat het ritueel van de spijtbetuiging een uitstekend middel kan zijn om een relatie te redden. Maar als er een decennium voorbij is gegaan, je effectief niet meer kunt spreken van een relatie en het eigenlijk niet eens gaat om de repliek? Misschien is het dan beter om je brief in een fles te doen, hem – geheel therapeutisch verantwoord – de Noordzee in te mieteren en het jezelf te vergeven.


Oscar Bouwhuis is cultuurjournalist en verbonden aan de Amsterdamse koepelorganisatie voor cultuurhuizen Amerpodia (Rode Hoed, Felix Meritis, De Nieuwe Liefde en het Compagnietheater)