‘21st century skills’ in het beroepsonderwijs

‘Een timmerman is nooit uitgeleerd’

Langzaam maar zeker kruipt het beroepsonderwijs uit het dal. Vakmanschap is daarbij het sleutelwoord. De grote vraag: hoeveel theorie moeten we de vakmensen van de toekomst meegeven?

Lucas is ‘een talentje’. ‘Van hem maken we wel een vakman’

Tik, tik, tik. Zachtjes slaat Lucas van Hensbergen (18) met zijn houten hamer op een houtbeitel. ‘Ik maak hier een uitsparing voor het scharnier’, legt hij uit. ‘Daarna maak ik het deurtje op maat en hang ik hem er zo netjes mogelijk in. Mooi recht moet hij hangen.’

‘Een talentje’, zegt Ron Metselaar, zijn praktijkbegeleider die tevreden toekijkt. ‘Net als bij voetbal zie je het vaak binnen een paar minuten. De manier waarop hij een hamer vastpakt, de zorgvuldigheid waarmee hij met gereedschap omgaat, dat zegt veel. Van hem maken we wel een vakman.’

Op de buitenplaats van het Nova College in Beverwijk staan twee groene plaatijzeren werkplaatsen. Het ruikt naar hout en zaagsel. Eén wand wordt ingenomen door hardhouten raamkozijnen, met zachter waaibomenhout aan de zijkanten. Daar worden de komende dagen nog heel wat ramen ingehangen.

Lucas werkt per week vier dagen in de bouw en gaat één dag naar school. ‘Voor mij ideaal, want school vond ik helemaal niets’, zegt hij. ‘Die ene dag is goed te doen en wat ik leer, kan ik toepassen in mijn werk. En ik krijg gewoon een salaris, óók niet onbelangrijk.’

De mbo 3-opleiding tot allround timmerman wordt verzorgd door Bouwmensen Kennemerland Zaanstreek Waterland (kzw), een samenwerkingsverband van vijftien bouwbedrijven uit de regio, en het Nova College. ‘Na die drie jaar hebben ze een gedegen vakkennis van het gereedschap en de materialen waarmee ze werken’, zegt Metselaar. ‘Maar we doen veel méér. We leren de jongens – er zijn zelden meisjes – hoe ze zich op een bouwplaats moeten gedragen. Hoe ze zich staande houden en over het werk kunnen overleggen – ook met andere disciplines. Met loodgieters, metselaars, stukadoors.’

Een vakvolwassen timmerman is een probleemoplosser, vindt Metselaar: ‘Kijk, een tekening geeft vaak niet helemaal de praktijk aan. In het echt is het net even anders. Er loopt toch een leiding of een hoekje zit net anders. Daar moet je creatief op inspelen.’ Bij Bouwmensen kunnen de timmermannen zich specialiseren in bijvoorbeeld nieuwbouw en prefabwoningen, of juist in renovatie en ook restauratie. ‘We bieden een brede opleiding, maar gaan ook de diepte in. Een timmerman is nooit uitgeleerd.’

Werk is er volop. 74 procent van de timmerstudenten studeert na drie jaar af en negentig procent heeft dan voor zijn leeftijd een goed betaalde baan (bijna veertien euro per uur). De crisisjaren waarmee bouwvakkers massaal ontslagen werden liggen inmiddels ver achter ons en zullen volgens Metselaar niet snel terugkeren: ‘De vergrijzing slaat binnenkort in onze sector toe en er is een enorme vervangingsvraag. Bovendien komt er heel veel werk op ons af. Nieuwbouw, renovatie en wat dacht je van de verduurzaming? Het CO2-neutraal maken van oude huizen is een enorme klus.’

Lucas werkte onlangs aan een nieuwbouwvilla met houtskeletbouw. ‘Je zet dan eerst het houten skelet neer, maakt het wind- en waterdicht en gaat dan de wanden zetten en het huis langzaam maar zeker opbouwen.’ Als hij wat moois gemaakt had, maakte hij er met z’n mobieltje foto’s van. ‘Die liet ik dan thuis zien, of ik ging ermee naar opa – die was ook zijn hele leven timmerman.’ Metselaar hoort het tevreden aan. ‘Je moet wat móóis willen maken. Dat is vakmanschap, dat jouw oplossing er gewoon goed uitziet.’

Jarenlang zat het voorbereidend en middelbaar beroepsonderwijs in de hoek waar de klappen vallen. Veel ouders deden er alles aan om hun kind vooral niet naar het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) te laten gaan. Nee, het moest minimaal havo zijn, desnoods mavo of vmbo-t, want dan was de weg naar een hogere, theoretische opleiding tenminste nog niet afgesloten. Leraren worden zelfs door ouders onder druk gezet om een havo-advies te geven.

Vmbo’s en middelbare beroepsopleidingen (mbo’s) worden namelijk nog steeds vaak gezien als onveilige leerfabrieken waar jongeren nauwelijks nog een vak leren. Aan de opleidingen kleeft het imago van ‘niet goed genoeg’. Tegelijkertijd zitten er bijna een half miljoen studenten op het mbo en 350.000 op de verschillende vormen van het vmbo. Ruim veertig procent van de beroepsopleiding heeft een mbo-opleiding.

Toch is er heel voorzichtig een omslag te bespeuren ‘Met beroepsonderwijs is niets mis’, stelden onlangs Thomas van der Staak en Jan Nijhuis, directeuren van het Landstede MBO Zwolle, in de Volkskrant. ‘Het gepersonaliseerde leren op het mbo biedt iedere jongere volop kansen om zich op zijn eigen manier te ontwikkelen, om van zijn verhaal een succesverhaal te maken. Met het mbo is – in tegenstelling tot de havo – niets mis. Het enige wat er niet aan klopt, is het imago, dat gebaseerd is op onwetendheid.’ Onwetendheid vooral bij politici en journalisten die vaak andere leerwegen volgden. Maar ‘de 500.000 mbo-studenten van nu houden straks de BV Nederland op de been’, stellen twee mbo-directeuren zelfverzekerd.

Ook lesmateriaal-ontwikkelaar Baukje Visser ergert zich al tijden aan het slechte imago van vmbo en mbo. ‘En dan vraag ik me af: wat is nou belangrijker? Dat een kind ontdekt waar hij warm voor loopt, wat hij goed kan en dat hij ertoe doet? Of wat anderen op basis van het opleidingsniveau van een kind denken?’ schrijft ze op de site Maak werk van onderwijs. Op de scholen ziet Visser vooral ‘heel veel leerlingen met onwijs veel talent. Die prestaties leveren waar ze trots op mogen zijn.’

Sleutelwoord in dit hernieuwde zelfvertrouwen is vakmanschap: in het beroepsonderwijs leren de leerlingen en studenten door de persoonlijke aandacht een echt vak dat bij hem of haar past. En aan deze gemotiveerde vakmensen heeft Nederland juist behoefte.

‘Het enige wat er niet klopt aan het mbo: het imago, dat gebaseerd is op onwetendheid’

Natuurlijk is niet alles koek en ei. Niet alleen de maatschappij wordt complexer maar de problemen van veel leerlingen vaak ook. De scholen moeten soms oppassen om geen zorginstelling te worden, waarschuwen mbo-directeuren in het noorden van het land. Tegelijkertijd is het vaak onvoldoende om studenten alleen op de beroepspraktijk voor te bereiden. De arbeidsmarkt vraagt om flexibiliteit, de maatschappij om betrokkenheid. Maar kan iedereen een wendbare flexibele student worden? ‘De maatschappij vraagt veel’, zegt een docentenbegeleider. ‘We krijgen meer studenten binnen met problemen thuis. De wereld wordt complexer voor jongeren. Dat kun je niet alleen als school oplossen.’

Desondanks lijkt de ommekeer op meerdere vlakken ingezet. De termen laagopgeleid en hoogopgeleid zijn inmiddels op veel plekken vervangen door praktisch en theoretisch geschoold en dat is meer dan een bordjeswissel. Er wordt ook gepleit voor een titel voor mbo’ers, dat zou bijvoorbeeld Skilled (Sk.) kunnen zijn voor mbo 2, Craftsman (Crf.) voor niveau 3 en Expert (Exp.) voor mbo 4. Want komt de titel master niet juist uit het beroepsonderwijs dat al heel lang het meester-gezel opleidingssysteem kent?

De scholen lopen ook minder te pronken met de enigszins besmette term roc. Nee de studenten (het vroegere ‘deelnemers’ is vervangen) gaan naar hun ‘college’ op een ‘techcampus’. Bij de richting zorg en welzijn doen ze een ‘Makathon Smart Solutions’ waarbij studenten drie dagen aan de slag gaan met slimme oplossingen rond de zelfregie van patiënten. En ook de buitenlandse stage behoort tot de mogelijkheden.

Hasan en Camiel – ‘Deze vakmensen geven de technologische revolutie van de toekomst handen en voeten’

‘Kijk dat zijn typisch bol’ers.’ Praktijkbegeleider installatietechniek Ton Huisman van IW wijst op vier jongens die bij een werkbank staan. Eentje heeft een metalen buis in zijn hand, een ander een liniaal. Ze staan druk te praten. ‘Dat kan rustig zo een half uurtje doorgaan’, zegt Huisman, ‘ze willen snappen wat ze doen en overleggen wat de juiste aanpak is. Daar kan ik heel blij van worden. Ze denken voordat ze doen. Ze zitten dan wel op een in naam praktische opleiding, maar er komt ook een hoop theorie bij te pas.’

‘Bol’ staat voor beroepsopleidende leerweg, deze studenten volgen een vierjarige fulltime mbo-opleiding en doen praktijkervaring op via stages en bedrijfsbezoeken. De andere smaak is de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), waar de studenten vier dagen per week in een bedrijf werken en één dag naar school gaan, zoals timmerman Lucas. ‘Die bbl’ers gaan bij zo’n opdracht direct aan de slag’, illustreert Huisman het verschil tussen de twee leerwegen. ‘Die gaan zagen en lassen en komen er dan na een half uurtje achter dat het zo niet werkt. Ze halen alles weer uit elkaar en proberen het nog een keer. Ze komen er ook wel, maar de weg ernaartoe is geheel anders.’

Huisman zit achter zijn bureau midden in de gloednieuwe praktijkruimte van het Nova College in Beverwijk. Koperen pijpen lopen langs de muur, houten werkbanken zijn over het dubbele lokaal verdeeld, een ouderwetse geiser hangt aan de wand. ‘Maar een geavanceerde warmtepomp hebben we óók’, verzekert de praktijkbegeleider.

‘Ik heb mijn werkschoenen niet bij me’, komt een jongen naar Huisman, ‘want ik wist niet dat ik vandaag praktijk had.’ ‘Kijk maar even in de kast of we je maat nog hebben’, antwoordt hij.

De studenten dragen allemaal een stofjas en werkschoenen met stalen neuzen. ‘Veiligheid staat natuurlijk voorop’, zegt Huisman later. ‘We werken wel met bijvoorbeeld gas en gevaarlijke machines. Daarom wil ik ook goed zicht hebben op wat ze doen.’ En hij wil makkelijk benaderbaar zijn. ‘Deze studenten floreren bij persoonlijke aandacht. Je ziet ze soms echt opbloeien, goed contact met de leraar is essentieel.’

Aan beide typen mbo’ers is in de toekomst grote behoefte, is de overtuiging van Huisman. ‘De bbl’er installeert straks bij jou de waterpomp als je huis van het gas af moet. We hebben hier al zo’n apparaat staan en voor de installateurs wordt dat echt een belangrijke taak.’ De bol’ers stromen hoger in bij technische bedrijven. ‘Dat zijn de planners, de werkvoorbereiders en projectleiders. Zij zijn breed opgeleid, maar met voldoende vakkennis. Ze kunnen meerdere disciplines aansturen en moeten echt goed kunnen communiceren.’

De bol’ers van Huisman doen bij het Nova College de zogenaamde MyTec-opleiding, waarbij nauw samengewerkt wordt met technische bedrijven in de regio – een lesprogramma dat het Nova College met twintig bedrijven ontwikkeld heeft. ‘We maken een brede opleiding mét diepgang’, zegt Huisman. ‘We vinden het nieuwe vakmanschap uit, met mensen die ook nu nog in de praktijk staan. Dat is een spannende puzzel.’

Maar wat is vakmanschap eigenlijk? En hoe wordt het aangeleerd? Die vragen stonden centraal in het literatuuronderzoek dat het Kohnstamm Instituut twee jaar geleden publiceerde. Het begrip blijkt als een generieke oplossing gezien te worden voor veel problemen van de moderne tijd. Richard Sennett bijvoorbeeld vindt vakmanschap cruciaal voor de innovatiekracht van de economie. Het is een combinatie van hand- én hoofdwerk. Anderen wijzen op de noodzaak van flexibele professionals die vooral over de (communicatieve) 21st century skills beschikken en een bijdrage kunnen leveren aan een lerende economie. Pedagogen trachten de hooggespannen verwachtingen daarentegen juist te temperen, in hun ogen moet vakmanschap juist staan voor de praktische vaardigheden die nauw aansluiten bij jongeren voor wie een academische loopbaan niet is weggelegd. Door beroepsopleidingen te zeer op te tuigen, zouden ook weer leerlingen buiten de boot kunnen vallen.

De Kohnstamm-auteurs Régina Petit en Jesper Rözer onderscheiden twee dimensies van vakmanschap: de smallere versus de bredere vakman en de meer routinematige vakman versus de vernieuwende vakman. Uiteindelijk leidt dit volgens de auteurs tot drie typen vakmensen.

‘Machtig om zo vanachter je bureau een hele fabriek in de hand te hebben’

Allereerst de niet-routinematige smalle, oftewel specialistische vakman, ‘die met specialistische kennis kan bijdragen aan de innovatiekracht en de groei van de economie’. Vervolgens is er de niet-routinematige brede vakman, ‘die ingezet kan worden in een veranderende en lerende economie’. Tot slot is er de routinematige, praktische vakman die doet wat hij moet doen. Dit laatste type sluit aan bij leerlingen die meer praktisch dan theoretisch zijn ingesteld. Er is geen sprake van vakmanschap als er geen specialistisch werk of complexe taken worden verricht.

Vakmanschap, zo leert de literatuur, doe je vooral op door oefening in de praktijk. Die ontwikkeling begint door tast en beweging, door doen, zo ontstaat Fingerspitzengefühl. Dat pleit voor de routinematige smalle vakman. Maar dat is de computerprogrammeur die maar één taal kent en dus alleen in de nieuwbouw werkt en weer ontslagen wordt als bij een crisis de huizenmarkt stokt, het is de administratieve kracht bij een bank of verzekeraar die boventallig is omdat computers zijn werk overnemen.

Bedrijven hebben op dit moment nog wel behoefte aan specialistisch routinematig werk, maar niet tot in de lengte van dagen. ‘Daarom moeten we die studenten in de beroepsbegeleidende leerweg ook genoeg theorie bijbrengen. Die ene dag naar school is voor hen essentieel’, zegt praktijkleraar Huisman. ‘En zij kunnen ook doorstromen naar het middenkader van bedrijven. De weg is langer, maar als ze blijven doorleren kunnen ze ook mbo 4-niveau halen en planners en werkvoorbereiders worden.’

De Kohnstamm-onderzoekers pleiten voor het opleiden van flexibele krachten. Die flexibele expertise is volgens hen aan te leren door vroeg in de opleiding al te wijzen op de tijdelijkheid en beperktheid van de huidige inzichten en ontwerpen. Leerlingen moeten niet alleen de opdrachten van de leraar uitvoeren, suggereren ze, er moet ook ruimte zijn voor eigen experimenten. Het onderwijs zal studenten ‘moed en vertrouwen’ moeten geven om met eigen voorstellen te komen. ‘Want anders ligt passiviteit op de loer.’

‘Kijk, ik zal het even voor je tekenen.’ Camiel Bakker (17) pakt pen en papier en tekent een driehoek, hij zet er een grotere driehoek omheen en arceert de ruimte ertussen. ‘Dat is het isolatiemateriaal.’ Hij tekent de deksel, twee ronde knoppen met een gat erin. ‘Daar pasten dan twee buizen in waarmee we de pan goed konden oppakken.’

De groepsopdracht was om een pan te maken om olie te verwarmen, vertelt de eerstejaarsstudent operationeel technicus MyTec niveau 4 mbo. ‘Iedereen maakte een ronde pan, maar waarom geen driehoek? dachten wij. Dat bleek wonderwel te werken.’

Bakker zat op de havo en wilde naar het hbo. Op één vak haalde hij zijn diploma niet. ‘En ik had geen zin om het hetzelfde jaar nog een keer te doen.’ Hij heeft geen spijt van zijn keuze voor het mbo. ‘De praktijkgerichtheid bevalt me en dat we veel in groepen werken. Samen oplossingen verzinnen, dat ligt me wel. Je ontwikkelt een eindproduct en kijkt ook terug op de stappen die daarbij genomen zijn. Daar leer je heel veel van.’

‘Opeens zie je hetzelfde apparaat dat jij ook gebouwd hebt, maar dan honderd keer groter.’ Hasan Kaymakci (17), ook eerstejaarsstudent MyTec mbo 4, kreeg aan het begin van het jaar de opdracht om met een groep een minuscule maar werkende stoomturbine te bouwen. Hij pakt het apparaat uit een kast. ‘De onderdelen kregen we aangeleverd’, wijst Hasan op een klein langwerpig metalen vat en een schoepenrad, ‘maar wij moesten de verbindingen maken en bijvoorbeeld de in- en uitgangen bij het vat erop lassen.’ Een hefboom met een gewicht steekt uit het vat. ‘We verhitten het met water gevulde vat met een brander’, legt hij uit. ‘De druk regelen we dan met die hefboom’. Een spuitmond waar de stoom uitkomt staat gericht op het schoepenrad, waarvan de as verbonden is met een dynamo. ‘Als we alles goed afstelden, lukte het om zelfs vier watt aan vermogen op te wekken.’

Tijdens de excursie naar de Nuon-elektriciteitscentrale in Amsterdam kwam Hasan een stoomturbine tegen die volgens dezelfde principes werkt. ‘Dat is dan wel geweldig om te zien.’ Het inregelen gebeurt hier echter door procesoperators, zag hij, die met tientallen computerschermen het proces in de gaten houden en zo optimaal mogelijk laten lopen. ‘Dat lijkt me in de toekomst echt een heel interessante baan. Machtig om zo vanachter je bureau een hele fabriek in de hand te hebben.’

De drie mbo’ers blijken sowieso al aardig zicht te hebben op hun werkende toekomst. Timmerman Lucas van Hensbergen wil eerst een aantal jaren voor een baas werken en daarna misschien als zzp’er voor zichzelf beginnen. ‘Het lijkt me geweldig om zelfstandig te zijn. Om zelf de mooie projecten uit te kunnen kiezen.’ Misschien kan hij hiermee al zelfs een start maken vanuit de houtwerkplaats die zijn opa inmiddels weer heeft ingericht.

Ook Camiel Bakker ziet zichzelf over drie jaar wel als procesoperator achter een rij beeldschermen zitten. In ieder geval tijdens zijn stage van een half jaar in het derde jaar. ‘Oplossingen verzinnen als een proces niet goed loopt, met anderen samenwerken voor een goed resultaat. Het lijkt me een hele leuke baan.’

‘Deze vakmensen geven de technologische revolutie van de toekomst handen en voeten’, stelt praktijkbegeleider Ton Huisman. Hij neemt de grootste waterstoffabriek van Europa die gepland staat bij Tata Steel als voorbeeld. ‘Natuurlijk wordt die door theoretisch geschoolde natuurkundigen en ingenieurs ontworpen, maar mbo’ers zullen tijdens de bouw oplossingen moeten verzinnen voor problemen die op de tekentafel niet te zien zijn. De energietransitie en ook bijvoorbeeld de verduurzaming van huizen zullen in de praktijk door theoretisch én praktisch geschoolden uitgevoerd gaan worden.’


Met medewerking van Frank Mulder