Kanye West maakt korte metten met zichzelf

Een toast voor de assholes

Op de valreep van 2010 werd Kanye Wests My Beautiful Dark Twisted Fantasy in Amerika binnengehaald als het origineelste hiphop-album van het decennium. De plaat heeft iets onmiskenbaar eenzaams.

‘I always find something wrong’, zingt Kanye West in de clip Runaway
JE MOET van goeden huize komen wil je als popster niet door één, maar door twee presidenten publiekelijk worden afgezeken - maar Kanye West is dan ook niet de eerste de beste. Hij heeft inmiddels een patent op grandioos genante acties, het liefst voor een miljoenenpubliek. De kers op zijn slagroomtaart kwam tijdens de MTV Awards van september 2009, toen Taylor Swift (een fragiel, negentienjarig countryzangeresje) de prijs voor beste vrouwelijke zangeres won, hij het podium opklom, de microfoon uit haar bibberende handen rukte en zei 'Yo Tay, I’m real happy for you’, maar eigenlijk had jij niet moeten winnen, maar Beyoncé.

Na van het podium te zijn afgejoeld door het publiek, viel heel de muziekwereld over hem heen, en nadat Jimmy Carter liet weten West een eikel te vinden, liet president Obama zich ontvallen dat hij West, die nog op zijn inauguratiefeesten had opgetreden, een real jackass vond.
Au. West (1977, opgegroeid in Chicago) maakte in eerste instantie naam voor zichzelf als producent, niet als uitvoerend musicus. Hij werkte aan albums voor de grotere namen in de hiphopwereld als Jay-Z, Nas en Mos Def, met een persoonlijke stijl van versnelde soul-samples, handgeklap, kinderkoortjes - een hectische, bijna Phil Spector-achtige wall of sound, die vooral heel speels was, een duidelijke verschuiving van de monotone beat die rap zolang domineerde. In 2002 werkte hij aan zijn eerste eigen album, toen hij slaapdronken van de studio op weg naar huis over de kop sloeg. Nu is hiphop bij uitstek een autobiografisch genre, waar het primaire onderwerp is welke problemen je hebt meegemaakt, hoe je ze hebt overwonnen en hoe crazy rijk en succesvol je nu bent. De clichématige rapper zul je vaker over crystal en ice (champagne en diamanten) horen dan over liefde en vriendinnetjes. Het auto-ongeluk en zijn lange revalidatie voorzagen West van zijn eigen mythologie en hij bouwde er zijn imago en carrière omheen (zijn eerste hit heette Through the Wire, omdat hij het nummer opnam toen zijn gebroken kaken bij elkaar werden gehouden met draad). Sinds die tijd verscheen bijna jaarlijks een album van West, met zijn kenmerkende speelse stijl en een afwisseling van zelfverheerlijkende teksten en hilarische oneliners, die in sommige gevallen meteen in de annalen van de popcultuur werden opgenomen. De bekendste komt waarschijnlijk uit de nummer-1-hit Golddigger uit 2005: 'Now I ain’t saying she’s a golddigger/ but she ain’t messin’ with no broke niggaz.’

Het punt is echter dat al het bovenstaande, alle muziek, hoe goed dan ook, er nauwelijks nog toe deed. Kanye West leek als artiest bijna even begaafd als irrelevant te zijn geworden, door die reeks idiote mediaoptredens die alle aandacht van zijn muziek afleidden. Er was die coverfoto op Rolling Stone, waar hij zich als Jezus met doornenkrans liet afbeelden. Er was het interview bij The Tonight Show van Jay Leno waar hij zei dat 'bekendheden als hij’ de nieuwe Martin Luther Kings waren. Er was het incident bij de tv-uitzending voor de slachtoffers van de orkaan Katrina, toen West van de autocue afweek en direct in de camera zei 'George Bush doesn’t care about black people’, waarna een rotgeschrokken producer direct naar de reclame schakelde.
Na het incident met Taylor Swift trok West zich maanden terug op Hawaï, beschaamd en overspannen, en nam daar en passant een wild eclectisch, volkomen uniek hiphopalbum op, My Beautiful Dark Twisted Fantasy.
Natuurlijk hebben niet alleen rappers het graag over zichzelf. Schrijvers hebben dat ook, filmmakers en beeldend kunstenaars ook. Kunst is ego (zie Freud, sublimatie, et cetera), en dus zie je onherroepelijk het kunstenaarsego terug in de kunst. Dat geldt logischerwijs voor de gehele kunstgeschiedenis, maar de laatste pak ’m beet honderd, honderdvijftig jaar is het voor veel kunstenaars een sport geworden om hun persoonlijkheid als een lichtspot, of een schaduw, over het eigen werk te laten vallen. Het geijkte voorbeeld is hier natuurlijk Andy Warhol, wiens kunst eerder in dienst stond van zijn ego dan andersom.
Een interessanter voorbeeld is nog tot half februari te zien in het Paleis voor Schone Kunsten (Bozar) in Brussel, waar de overzichtstentoonstelling Ensor ontmaskerd staat, over de Belgische meester James Ensor (1860-1949). Ensor maakte meer dan honderd zelfportretten, die hij keer op keer terughaalde, bijwerkte en waar hij elementjes aan toevoegde. Naarmate zijn kunstenaarschap zich ontwikkelde - van impressionisme tot symbolisme, tot fantasievolle werken die eigenlijk nergens mee te vergelijken zijn - wilde hij die evolutie verduidelijken door zijn schildergeschiedenis in een narratief te proppen. En dus voegde hij 'fantastische’ elementen toe, skeletten, maskers, gekke opschriftjes, duiveltjes en in ten minste één geval een bebloemde babyblauwe dameshoed met lila en gele veren. Kunsthistoricus Patrick De Rynck heeft Ensors Zelfportret met bloemenhoed (1883; bijgewerkt in 1888) opgenomen in zijn boek Dit is België, een overzicht van de Belgische schilderkunst in tachtig meesterwerken. Ensors schilderij lijkt als twee druppels water op een zelfportret van Peter Paul Rubens, uit het begin van de zeventiende eeuw. De pose, de gloedvolle belichting en de sfeer zijn precies hetzelfde - alleen de bloemenhoed verschilt. Waarom bleef hij zijn autobiografische doeken bewerken, vraagt De Rynck zich af. Als bijdrage aan zijn eigen mythevorming? Of omdat hij zijn rol als voortrekker van het modernisme dreigde te verliezen, en hij met terugwerkende kracht meer avant-garde wilde zijn?
In zekere zin is het ego, de zelfpresentatie, ook een testcase van de ontwikkeling van een kunstenaar. Is hij in staat een stap terug te doen, en anders over zichzelf en zijn werk te gaan denken? Dit is, lijkt mij, het fundament voor vernieuwing. Dit is wat kunstenaars interessant maakt. Dit is gelijktijdig ook het moment waarop blijkt dat rap en hiphop zelden tot echte kunst gerekend kunnen worden, aangezien bijna alle rappers op hun tweede album al in herhaling vallen. Miljoenenverkopenden als LL Cool J en Jay-Z rappen nu al drie decennia over hoe ze het getto hebben verlaten en nu stinkend rijk zijn - hoe aanstekelijk hun muziek mag klinken, wat ze eventueel te melden hebben is nauwelijks nog interessant.

En daar is dan ineens My Beautiful Dark Twisted Fantasy van Kanye West, dat lyrisch werd onthaald door bladen als Rolling Stone en NME. Op het album staan dertien nummers, maar als je het luistert blijken dat er eigenlijk maar zes of zeven te zijn; de andere nummers werken vaak als prelude of coda, waardoor ze uitgesponnen worden, totdat het onmogelijk lijkt de nummers tot één genre te rubriceren. In het hart van het album staat het nummer Runaway, waar West een film/videoclip omheen maakte van 34 minuten. De film Runaway vertelt het verhaal (als je het een verhaal kan noemen) van de muzikant Griffin (West) die in zijn duivelrode sportwagen door een watergroen bos racet, wanneer een feniks voor zijn banden crasht en hij de half-vogel, half-supermodel (Selita Ebanks) mee naar huis neemt en iets dat op een relatie lijkt met haar begint. Hij leert haar tv-kijken en brengt haar tafelmanieren bij, neemt haar mee naar een galadiner waar ballerina’s een interpretatieve dansvoorstelling geven, er is een seksscène, een majorettenparade, er zijn heel veel explosies en uiteindelijk schiet de hybride vogelvriendin weer als een vuurpijl de lucht in, Griffin verslagen en alleen achterlatend.

Runaway kun je zien op YouTube. Het is een spektakelstuk, een fantasmagorie van popiconen, samples, filmsterren en performance art - de mensen in de majorettenparade, blank en zwart, hebben rode Ku Klux Klan-pakken aan en dragen een enorme buste van Michael Jackson mee, gemaakt van papier-maché - alles even onbegrijpelijk als prachtig.Het nummer zelf is exemplarisch voor het album. Het begint met een enkele noot op een piano die eindeloos staccato wordt herhaald, waarmee een soort paranoïde grondwerk voor het nummer wordt gelegd. Een agressieve beat komt daar uiteindelijk overheen, op de achtergrond roept iemand herhaaldelijk 'Who gotcha?’ terwijl een koor stemmen begint te rappen, Wests stem het duidelijkst hoorbaar. Een sample van Sinead O'Connors tragische evergreen Nothing Compares 2 U wordt steeds duidelijker hoorbaar, terwijl Strawberry Fields-achtige cello’s als dissonant tegen de beat in gaan.
En er is de tekst zelf, de zelfpresentatie. Het refrein gaat 'Let’s have a toast for the douchebags/ Let’s have a toast for the assholes’, waarmee West het overduidelijk over zichzelf heeft; 'Let’s have a toast for the jerk-offs/ who never take work off.’ In de coupletten maakt hij volledig korte metten met zichzelf, schijnbaar aan een vrouw zijn excuses makend dat hij 'zo getalenteerd is in het vinden van wat hij juist niet wil’, dat zij het al veel te lang met hem uithoudt en dat ze het best zo snel mogelijk weg kan rennen. Het nummer duurt acht minuten, de laatste minuten alleen nog de hypnotiserende piano-noot en iets dat op een gitaarsolo lijkt, maar in feite is het West die zingt, bijna onherkenbaar op de computer bewerkt.
Let’s have a toast for the douchebags. Je kunt het bijna een conceptalbum noemen; elk nummer gaat over iemand die is waar hij niet wil zijn, iemand die doodziek wordt van zichzelf en aan zijn eigen branie ten onder gaat. Zoals op zijn andere albums valt veel te lachen, slimme oneliners, popreferenties, seksgrappen ('And my chick in that new Phoebe Philo/ so much head, I woke up to Sleepy Hollow’ in Dark Fantasy), zo ongeveer alle grote namen uit de hiphop geven gastoptredens - Rihanna, Fergie, John Legend, Alicia Keys én Elton John op één nummer, All of the Lights - maar de plaat heeft iets onmiskenbaar eenzaams.
Als je het dan toch ergens mee moet vergelijken, dan kun je Kanye West het best zien als de Nathan Zuckerman van de hiphop, naar het neurotische, per ongeluk ruziemakende alter ego van Philip Roth. In de Zuckerman-trilogie zien we de fictieve schrijver van succesverhaal naar een mentale ineenstorting evolueren, als de consequenties van kunst en bekendheid te zwaar wegen. Met My Beautiful Dark Twisted Fantasy haakt Kanye West naadloos op dat thema aan. 'Me found bravery in my bravado’, rapt hij in Dark Fantasy: hij is zijn eigen rollenspel gaan geloven en moet nu de prijs betalen. Excuses aanvaard.

Kanye West, My Beautiful Dark Twisted -Fantasy, label: Def Jam, € 14,99