Hoe nazistisch was een lid van de nazi-partij

Een toevallig complot

In Duitsland is de oorlog opnieuw aanleiding voor een strijd onder historici: nu over het NSDAP-lidmaatschap van intellectuelen. Ze hebben het allen ‘niet geweten’.

Afgelopen weken regende het opnieuw namen van prominente Duitsers die in 1944 lid blijken te zijn geweest van de nsdap. Het gaat onder anderen om de voormalige sdp-ministers Erhard Eppler en Horst Ehmke, filosoof Hermann Lübbe en oud-hoofdredacteur Peter Boenisch van Bild Zeitung.

Wéér moesten hoogbejaarde mannen zich verdedigen, zoals enkele weken daarvoor de schrijvers Martin Walser en Siegfried Lenz en cabaretier Dieter Hildebrandt ook hadden moeten doen.

Weekblad Focus heeft de nsdap-Zentralkartei van het Bundesarchiv in Berlijn gescreend op partijlidmaatschap en stuitte tussen de duizenden namen op een aantal nog levende intellectuelen van het geboortejaar 1926/1927. Aan de echtheid van de documenten wordt niet getwijfeld. Zwart op wit is te lezen dat zij officieel zijn toegetreden tot de partij op 20 april 1944, de 55ste verjaardag van Adolf Hitler.

Na deze onthulling verschenen ze stuk voor stuk, op de doodzieke Lenz na, aangeslagen en boos tegelijk voor de camera’s. Binnen de groep is Martin Walser de meest opmerkelijke, omdat hij via zijn boeken en lezingen het naoorlogse vraagstuk over de belaste Duitse moraal aanboort en tracht ‘de verlammende werking van de herinnering aan de catastrofe van Hitler-Duitsland’ te doorbreken. Tegenover de pers verklaarde hij net als de anderen het ‘niet te hebben geweten’.

Het heeft de vraag opgeworpen hoe het mogelijk is dat zij in de registers van de nsdap vermeld staan als lid, iets wat niet alle volwassen Duitsers waren en ook niet meer wilden zijn toen de verwording van Hitlers macht totaal was, de Duitse steden door de geallieerden werden platgebombardeerd en de nederlaag een kwestie van maanden leek te zijn. Wie in die fase nog lid werd, was uit op eigen gewin of stond met de rug tegen de muur. Of werkte het systeem anders?

Over de status van deze beschuldiging is onder historici een debat begonnen. Op z’n Duits: heftig. De vraag is: werd een hele lichting jongens en meisjes collectief en automatisch lid, zonder een individuele handtekening, of niet? Het principe van ‘vrijwilligheid’ staat ter discussie. Om de verwarring groter te maken, verklaarde Ehmke namelijk dat hij niet tegen zijn eigen wil op de lijst is terechtgekomen; hij accepteerde dat gewoon. ‘Zo ging dat toen nou eenmaal.’

Een eenduidig antwoord is niet zomaar gegeven. Een zoektocht door de archieven en het oproepen van ooggetuigen zijn volop gaande. Het geeft tevens aan hoe ver weg de oorlog langzamerhand is. Want niemand blijkt precies te weten hoe het proces technisch verliep.

De linkse historicus Hans Mommsen (1930), een van de grote kenners van het Derde Rijk, meent dat ‘er zonder twijfel massarekrutering plaatsvond. Vervolgens blufte de partijleiding dat de jongens en meisjes van de Hitlerjeugd op hun achttiende vrijwillig toetraden tot de partij.’

Anderen, zoals historicus Norbert Frei (1955), zeggen dat deze redenering van ‘ongevraagd of onvrijwillig maar met dwang lid worden’ na de oorlog erg geliefd was onder voormalige partijleden. Het zou hen vrijpleiten van hun politieke overtuiging en deelname aan het regime.

Waar gaat dit nog over? vragen jonge Duitsers zich af. Ze vinden het een storm in een glas water. In Die Süddeutsche Zeitung constateert critica en journaliste Franziska Augstein (1964) dat ‘het opvalt dat vooral linkse intellectuelen en politici worden beticht van een nazi-verleden. Dat impliceert dat het absoluut niet toevallig is dat deze informatie nu in de openbaarheid wordt gebracht. Het is een poging om alles wat links is in diskrediet te brengen.’

De commotie is ondertussen nog niet geluwd, hoewel de impact van deze onthullingen zich niet laat vergelijken met de affaire vorig jaar rondom Günter Grass. Aan de vooravond van het verschijnen van zijn boek Beim Häuten der Zwiebel, onlangs in Nederlandse vertaling verschenen als De rokken van de ui, beleefde hij – hét morele geweten van het naoorlogse Duitsland – zijn coming out over zijn deelname aan de Waffen SS. Het boek is een poging om te ontrafelen waarom hij als jongeman de verkeerde keuze maakte en geen vragen stelde over wat er om hem heen eigenlijk aan de hand was.

Toen vorige maand het nieuws over zijn generatiegenoten bekend werd, bemoeide Grass zich er vanuit New York, waar hij op dat moment was voor een literaire bijeenkomst, bijna verlekkerd tegenaan. Met veel tamtam gaf hij een steunbetuiging aan de beklaagden. Omgekeerd stond Walser vorig jaar vierkant achter Grass terwijl heel Duitsland over de schrijver heen viel.

In Duitsland blijft de nazi-tijd als een bom tikken onder de reputatie van een generatie die toen jongvolwassen was en nu uitsterft. Maar de oude mannen vallen elkaar over de oorlog kennelijk niet af. Bijna onvoorwaardelijk, want alleen zij kunnen nog weten hoe er toen keuzes gemaakt werden. Of dat nou een actieve stap is naar de SS-gelederen of het vermeende ondertekenen van Hitlers partij.

Grass schrijft in zijn boek over zíjn keuze voor de SS: ‘Wat ik met domme trots van mijn jonge jaren had geaccepteerd, wilde ik na de oorlog uit groeiende schaamte achteraf voor mezelf verzwijgen. Maar de last bleef, en niemand kon hem verlichten. Hoe ijverig ik ook in mijn herinneringen pook, niets is te vinden dat gunstig voor mij kan spreken. Blijkbaar waren er geen twijfels die mijn jeugd vertroebelden. Ik was gemakkelijk te overtuigen en deed aan alles mee wat het dagelijks leven, dat zich opgewonden als “nieuwe tijd” voordeed, te bieden had.’

De ontkenning van Walser lijkt in ieder geval wel oprecht. In een interview met De Groene Amsterdammer (16 maart 2007) beantwoordde hij de vraag ‘Houdt u uit het verleden nog iets verborgen?’ hardop lachend met: ‘Ik? Nee, nee, nee. Ik geef mezelf aan de openbaarheid prijs door mijn dagboeken te publiceren.’

Als je ervan uit kunt gaan dat dagboeken betrouwbaar zijn: daarin staat niks over zijn lidmaatschap.