1945: Biografie van een jaar van Ian Buruma

Een topjaar

Ian Buruma schrijft global history, wereldgeschiedenis in moderne vorm, over het interessantste jaar uit de geschiedenis. Zijn grootste kracht is het vertellen van verhalen.

Over het jaar 1945 is ontzettend veel geschreven. Worldcat, de gezamenlijke catalogus van meer dan tienduizend bibliotheken, vermeldt maar liefst 573.000 items met dit jaartal in de titel, 327.000 daarvan zijn boeken. Al zijn deze getallen onzuiver want ook verwijzend naar publicaties die met het historisch fenomeen niets van doen hebben (‘Onomastische studiën uit het jaar 1945’), het is onmiskenbaar dat 1945 voor onderzoekers een topjaar is, vermoedelijk zelfs het meest onderzochte jaar ooit, meer dan 1914, 1492, 1789, 1453, 0, 1989 en 2001. John Lukacs: 1945: Year Zero, Brian Gardner: The Year that Changed the World: 1945, Harry Truman: Year of Decisions: 1945. Je moet wel een durfal zijn én van zeer goeden huize komen om hieraan nog iets toe te voegen.

Doet Ian Buruma dat? Of is hij vooral een durfal? Eén ding staat vast: Buruma heeft veel mee. Hij kent de situatie in de Aziatische wereld die – het wordt nogal eens vergeten – in 1945 minstens zo’n ingrijpende omkeer doormaakte als Europa. Hij kent de Angelsaksische cultuur – van moederskant én als professional; én hij kent Europa, Nederland in het bijzonder: door opvoeding en van vaderszijde. Laatstgenoemde, de vader, zette Buruma ook aan tot het schrijven van dit boek. Het begint en eindigt met hem.

Vader Buruma begon tijdens de oorlog te studeren, in Utrecht, maar kreeg nauwelijks de kans, weigerde zoals de meeste studenten de loyaliteitsverklaring te tekenen, werd gepakt en in Berlijn te werk gesteld. Daar maakte hij de bombardementen, de bevrijding en een boel ellende mee. Ergens in de zomer van 1945 keerde hij terug naar Utrecht en begon alsnog aan wat eerder onmogelijk was geweest: studeren. Zoals zovelen ging Buruma sr. bij het corps en werd ontgroend. Kikkeren, afgesnauwd worden, uren in een rij staan, een boel onzin, om niets. Maar vader Buruma onderging het, zoals ik het dertig jaar later eveneens onderging. Waarom doet een mens dat? Waarom deed vader Buruma het? Hoe kan een man die in Berlijn het einde van de Tweede Wereldoorlog meemaakte en zo’n beetje de laatste ring van de hel bereikte, enkele maanden later gewoon doorgaan met leven, zelfs meedoen aan spelletjes die de eerste ring van de hel suggereren? Het was deze verbazing die zoon Buruma, heel begrijpelijk, op het spoor van dit boek zette. Centrale vraag: hoe herrijst een feniks uit zijn as? Wat gebeurt er met een gemeenschap of wereld die uit weinig meer dan puin bestaat? Wat doen de leden van zo’n gemeenschap? Hoe vindt herstel plaats?

Op de achtergrond van Buruma’s vraag speelt de actualiteit. Het kan haast niet anders. Buruma heeft zich tot op heden vooral met hedendaagse zaken beziggehouden: Japanse cultuur, de botsing tussen Oost en West, de moord op Theo van Gogh, democratie en religie in de moderne wereld. Eén keer eerder schreef hij nadrukkelijk over de Tweede Wereldoorlog en wel over de wijze waarop deze in de daderlanden Duitsland en Japan werd verwerkt. Maar ook in dit boek (Het loon van de schuld) ging het hem niet zozeer om het verleden als om het heden. Dat is in 1945 tot op zekere hoogte eveneens het geval, veel minder dan in het andere werk, maar toch. ‘We hebben de afgelopen jaren genoeg voorbeelden gezien waarbij er vol goede hoop een oorlog wordt begonnen om een dictator ten val te brengen en een nieuwe democratie te stichten’, schrijft hij op een van de eerste pagina’s. In het vervolg van de tekst komt hij hier weliswaar zelden op terug, maar de lezer kan niet anders dan regelmatig denken aan Irak, Afghanistan en de Arabische wereld. Tabula rasa – en dan?

Hoewel de kracht van Buruma zonder twijfel schuilt in het vertellen van verhalen – en heel vaak zijn dat andere dan de gebruikelijke, bekende en uitgekauwde – heeft hij een vrij duidelijke visie op het jaar 1945. Hij ziet drie complexen; zijn boek bestaat dan ook uit drie delen.

De vrouwen lagen in hun brits, uitgemergeld, strompelden door de zalen en het kamp maar wel met vuurrode lippen

Het eerste complex is dat van de chaos. Ellende, honger, verdriet, woede. Terecht, denk ik, besteedt Buruma in dit eerste deel van zijn boek veel aandacht aan fysieke zaken, aan seks, gebrek, geweld. Hiermee legt hij in zekere zin een wat andere klemtoon dan gebruikelijk. Zo heeft het eerste hoofdstuk van zijn boek nog een traditionele titel: ‘Euforie’. Daarbij wordt gewoonlijk gedacht aan juichende mensen, uitgestoken vlaggen, omhelzingen, bloemen. Buruma heeft het daar eveneens over maar gaat al na enkele pagina’s over op het onderwerp lichamelijkheid, in het bijzonder seksualiteit. Zo vertelt hij, mooi, hoe het een Britse luitenant opviel dat de bevrijde vrouwen in Bergen-Belsen met niets zo gelukkig waren als met, jawel, lippenstift. Ze lagen in hun brits, uitgemergeld, half dood, strompelden door de zalen en het kamp maar wel met vuurrode lippen. ‘Die lippenstift gaf hun hun menselijkheid terug.’

In verband met de seksualiteit had Buruma de beroemde dichtregels van Remco Campert over de bevrijding kunnen citeren. Hij doet het niet, terecht, want die regels zijn van later (1962), maar zijn beeld is wel als in die regels en in zoverre toch wat anders dan gebruikelijk: rauwer, om het in één woord te zeggen. Zo vertelt hij dat de Japanse overheid vrouwen verzocht ‘hun lichaam ten dienste te stellen van het vaderland’. Alleen zo zou de Amerikaanse overwinnaar tevreden gesteld kunnen worden. Elders, in Frankrijk bijvoorbeeld, deden vrouwen uit eigen beweging en met geheel andere motieven hetzelfde. Een van hen is de later bekend geworden schrijfster en feministe Benoîte Groult. Buruma citeert uitvoerig uit haar (met haar zusje geschreven) Journal à quatre mains, een dagboek van twee jonge vrouwen die niet van plan waren bij de pakken neer te zitten en besloten uitbundig te genieten van de grote hoeveelheid Amerikaans mannenvlees dat bij de bevrijding beschikbaar kwam. Slavenmarkten, zo noemt Groult de clubs waar ze kerels oppikte. Maar let wel, de slaven waren die kerels, Groult en haar vriendinnen waren de meesteressen.

Op de meeste plekken ging het zo overigens niet. Daar, met name in het door de Russen bevrijde deel, lagen de verhoudingen andersom en waren vrouwen simpelweg oorlogsbuit. Als vanouds.

Dit, zo je wilt, ‘platte’ perspectief op de bevrijding is kenmerkend voor dit boek van Ian Buruma, zeker voor het eerste deel. Geen vrome praatjes en mooie plaatjes maar bloed, neuken, haat, liefde en geweld. 1945 als een wereldwijde orgie.

Het gemak waarmee Buruma zaken uit Oost en West naast elkaar zet, is zonder twijfel zijn grootste kracht

Het tweede deel van 1945, getiteld ‘Puinruimen’, is slechts gedeeltelijk minder fysiek. Het beschrijft om te beginnen de pogingen van miljoenen displaced persons, onder wie vader Buruma, om huis en haard te hervinden, vervolgens van de pogingen dat huis en die haard opnieuw het vertrouwde aanzien te geven. Dit laatste bracht de behoefte met zich mee allen die tijdens de oorlog vuile handen hadden gemaakt te zuiveren. ‘Het gif uitzuigen’, noemt Buruma dat. Hierover vertelt hij weinig nieuws, maar hij beklemtoont wel twee belangrijke tendensen – tendensen die decennia lang weggemoffeld werden maar tegenwoordig glashelder zijn. De ene is de toenmalige behoefte aan een heroïsche visie op het verzet. Het leverde ‘de stichtingsmythen van de nationale wedergeboorte’, zoals Buruma schrijft. De andere tendens betreft de voorzichtige aanpak van de bestuurlijke en economische elite. Ondanks hun goede voornemens konden de zuiveraars het zich niet permitteren het kader te hard aan te pakken. De samenleving zou als een plumpudding in elkaar zijn gezakt. En dus werd veel vuil bedekt met de mantel der liefde (lees: opportunisme).

In het derde deel van zijn boek kijkt Buruma vanuit het jaar 1945 vooruit. Vandaar de titel ‘Nooit meer’. In dit deel maakt de fysieke werkelijkheid van verleden en heden plaats voor een potpourri van ideeën over de toekomst: een verenigd Europa, een wereld van samenwerkende staten, een nieuwe orde. Hiermee betreedt Buruma redelijk platgetreden paden. Over dergelijke ideeën immers gaat, denk ik, het merendeel van de geschriften die 1945 als onderwerp hebben: het jaar niet als eindpunt maar als nieuw begin. Stunde Null, zoals de Duitsers het noodgedwongen zagen. Mao zag het zo ook. Toen de Japanse premier hem in 1972 excuses aanbood voor hetgeen zijn landgenoten tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden aangericht, wuifde hij de hoffelijkheden weg en zei dat de Chinezen juist dankbaar moesten zijn. Zonder de Japanse bezetting zouden hij en de zijnen nooit aan de macht zijn gekomen. Het is zonder twijfel een juiste maar ook pijnlijke waarheid – en een waarover tegenwoordig toch weer anders wordt gedacht. Interessant aan deze ‘waarheid’ is dat ze goed het verschil illustreert tussen de functie die de Tweede Wereldoorlog gehad heeft voor Europa en voor Azië, niet alleen China maar bijvoorbeeld ook Indonesië. Daar heeft hij in veler ogen immers ook goeds gebracht – al is het alleen maar het einde van bestaande regimes.

Het gemak waarmee Buruma zaken uit Oost en West naast elkaar zet, is zonder twijfel zijn grootste kracht. Voor de meeste Europeanen, ook voor mij, staat 1945 in de eerste plaats voor de ineenstorting c.q. bevrijding van het Hitler-rijk. Alles wordt in dat licht bekeken. Maar een dergelijk perspectief is te beperkt en in een internationale wereld als de onze onvoldoende. Er is steeds meer behoefte aan global history, wereldgeschiedenis in moderne vorm. Een dergelijke alomvattende geschiedenis brengt onvermijdelijk met zich mee dat gebeurtenissen en ontwikkelingen slechts aangestipt worden. Voor meer is geen tijd, geen ruimte. Het geeft een boek als dit iets brokkeligs en willekeurigs. Dat wringt wel eens. Hier staat tegenover dat de verhalen van Buruma zo sterk zijn en zijn visie zo duidelijk is dat het zelden deert. Voeg hieraan toe dat de man een onafhankelijke geest bezit en niet geremd wordt door vakgroepen, nationale taboes of welke preutsheid ook en je kunt niet anders dan erkennen dat dit boek toch nog iets aan 1945 heeft toegevoegd. Da’s knap.

Hier staat een interview met Ian Buruma waarin hij de volgens hem vijf beste boeken van de naoorlogse periode noemt


Ian Buruma
1945: Biografie van een jaar
Atlas Contact, 400 blz., € 24,95