Interview met curator Saskia Bos

Een touwtje met een knoopje

Saskia Bos is een tentoonstellingsmaker met grote internationale ervaring. Dit jaar is ze curator van het Nederlandse paviljoen op de Biënnale van Venetië. Ze koos voor Fiona Tan. ‘Ik begin altijd met het uitnodigen van de mensen die het lastigst te krijgen zijn.’

SASKIA BOS is sinds 2005 ‘Dean of the School of Art’ van The Cooper Union, voluit: The Cooper Union for the Advancement of Science and Art in New York. Cooper Union is gevestigd in een groot gebouw van roodbruine baksteen. In de rommelige hal staat een balie met daarachter twee stevige portiers die nauwelijks oog hebben voor de enkele bezoekers die in en uit lopen. Een slungelachtige jongen met een vlasbaardje is bezig met het opruimen van een presentatie. Het kantoor van Saskia Bos is op de eerste verdieping. Het is er ruim, met vrij uitzicht op 3rd Avenue.
Bos was eerder directeur van Stichting De Appel in Amsterdam, en curator van tal van internationale tentoonstellingen en biënnales. Ze werd vorig jaar door de Mondriaan Stichting aangewezen als curator van de Nederlandse inzending naar Venetië.
Waarom bent u hier eigenlijk gaan werken?
Saskia Bos: ‘Ik kon die kans niet laten liggen. Het gebeurt niet elke dag dat je de mogelijkheid krijgt om in downtown Manhattan te werken, en bovendien bij een heel goed instituut. Ik ben nog steeds blij dat ik het gedaan heb. Het is hier levendig en intellectueel stimulerend. Ik geef leiding aan de docenten van de opleiding en ik nodig gastdocenten uit. Verder organiseer ik seminars en debatten. Wat ik daarnaast ook veel doe, is de contacten onderhouden met mensen die ons financieel steunen of die erover denken om dat te doen.’
Vindt u het niet jammer dat u nauwelijks nog tentoonstellingen kunt maken?
‘Ja natuurlijk, maar dat verandert binnenkort. We krijgen een nieuwe tentoonstellingsruimte in het gebouw hier schuin tegenover, ontworpen door Thom Mayne. De kunstenaars en ingenieurs krijgen daar hun werkplekken. Het is het eerste echte “groene laboratorium” van New York vanwege de ecologische specificaties.’
Waarom werd u gevraagd voor Venetië, denkt u?
‘Misschien verwachtten ze dat ik met een “Amerikaanse” blik naar de opdracht zou kijken. Misschien vanwege mijn ervaring. Ik heb al verschillende keren dingen gedaan voor de Biënnale van Venetië. Ik heb in 1988 in Venetië de Aperto georganiseerd, en ik ben ook al eerder co-curator van het Paviljoen geweest, samen met Gijs van Tuyl en Paul Hefting. Toen de Mondriaan Stichting me vroeg, heb ik wel gezegd dat ik vooraf een aantal weken research wilde doen om ateliers te kunnen bezoeken, om kunstenaars te spreken en met collega’s te overleggen. Dat vond ik nodig omdat ik al een tijd weg ben uit Nederland.’
Wat gaf de doorslag om voor Fiona Tan te kiezen?
‘Ik heb vooral gekeken naar de ontwikkeling in het werk van mensen. Bij de meeste kunstenaars die ik bezocht, vond ik het niet zo veel anders dan toen ik het voor het laatst had gezien, zo’n drie of vier jaar geleden. Ik heb ook meegewogen hoe het werk internationaal ligt, hoe er in het buitenland over iemand gesproken wordt en of men de kwaliteit internationaal ook herkent. Bij Fiona zag ik nieuwe richtingen. Haar werk is niet stil blijven staan, ze is nog beter geworden. Ze is afgestapt van dingen waarvan ik dacht dat ze erin zou vastzitten.
Het gaat bij haar vooral over identiteit, over het geheugen en de reconstructie van het verleden. Dat verbindt ze heel vanzelfsprekend met reizen. Ze laat vreemde culturele botsingen zien. Dat is niet alleen inhoudelijk boeiend, het is ook visueel heel interessant. Ik ben gewoon zwaar onder de indruk van wat ze doet. Ik denk dat een kunstenaar als Fiona, iemand die goed kan kijken, misschien bijna als een antropoloog, en beeldend kan vertellen, de ogen van mensen kan openen en een visuele poëzie kan presenteren die mensen uit verschillende culturen aanspreekt. Dat leek me van belang. Dat hebben we hard nodig als contrast met alle slaapverwekkende massacommunicatie waarmee we overspoeld worden.’
Waarom is dat van belang?
‘Ik denk dat die verschillende culturen heviger botsen dan ooit. Dat is natuurlijk geen nieuws. Maar ik denk ook dat er grote groepen mensen zijn die van die culturele confrontaties de positieve kant zien. Zoveel mensen reizen, verplaatsen zich, gaan ergens anders wonen… Ze zijn bereid om met andere culturen in zee te gaan, omdat ze zich in een nieuwe context bevinden en ermee geconfronteerd worden. In die confrontatie zien ze ook hun eigenheid en identiteit. Fiona geeft haar werk gelukkig geen boodschappen mee, ze draagt niet iets uit hoe dingen zouden moeten, maar ze weet heel goed in beeld te brengen en in teksten die ze zelf schrijft te verwoorden wat dat zoeken is en dat op reis zijn…’
Ze stond in 2001 ook al in Venetië. Zullen mensen niet zeggen: alweer Fiona Tan?
‘Toen stond ze er in een groepscontext, net als veel andere Nederlandse kunstenaars. Ik heb in 1999 en in 2001 Harald Szeemann, die toen curator van de Biënnale was, geadviseerd over de keuze van Nederlandse kunstenaars. Het is logisch dat daar mensen bij zaten die ik goed vind, zoals Job Koelewijn, Fiona Tan en Tjong Ang. En nee, mensen zullen dat niet zeggen. Zeker niet. Er zijn kunstenaars geweest die tot drie keer toe geselecteerd zijn voor het Nederlandse paviljoen. Daarvan heeft de Mondriaan Stichting gezegd: dat willen we niet meer. Het kan wel iemand zijn die al op de Biënnale is geweest, maar hij of zij mag nog niet in het Nederlands paviljoen zijn gepresenteerd. Daar is, vind ik, veel voor te zeggen. Fiona heeft nog nooit een installatie in het paviljoen gehad.’

Stelt de Mondriaan Stichting nog andere eisen?
‘Je hebt als curator veel ruimte om je opdracht te interpreteren en uit te voeren. Zoals ik het zie, moet de kunstenaar die je kiest niet iemand zijn die al een heel lange carrière achter de rug heeft. Het is ook niet voor iemand die nog ontdekt moet worden. Het zit er een beetje tussenin. Iemand die internationaal op doorbreken staat of internationaal die doorbraak net heeft meegemaakt. Het is ook een eerbetoon van een land aan een kunstenaar.’
Hebt u overwogen om schilders te selecteren?
‘Ik ben niet per discipline gaan zoeken. Zo denk ik niet. Ik heb gedacht: wie is op dit moment van belang? Sommige mensen zullen misschien denken: o, weer video, maar ik weet dat Fiona dingen bij daglicht kan laten zien en dat we de boel dus niet helemaal hoeven te verduisteren. Daarmee is rekening gehouden.’
Hoe bereidt u zich voor op een tentoonstelling?
‘Als ik een groepstentoonstelling wil maken, kies ik een bepaalde invalshoek, ik noem dat een contour, ik houd niet zo van het begrip thema. Binnen die contour selecteer ik. Het werk hoeft niet per se thematisch geordend te zijn, als er maar verbanden ontstaan. En research is natuurlijk belangrijk. Je bezoekt ateliers, je bezoekt kunstenaars, je praat met collega’s, je ziet tentoonstellingen en dan nodig je kunstenaars uit. Ik begin altijd met het uitnodigen van de mensen die het lastigst te krijgen zijn. En als die mee willen doen, nodig je de kunstenaars uit die iets minder exposeren of iets minder moeilijk doen.’
Hoe belangrijk is dat onderzoek voor het verfijnen van uw idee?
‘Heel belangrijk. Maar een idee is bij mij niet het absolute uitgangspunt. Het gaat erom dat zo’n idee weergeeft wat er aan de hand is. Je ziet werk dat je nog niet eerder hebt gezien en waarvan je denkt: het is toch wel heel spannend om dat vandaag de dag te maken. Het gaat er niet alleen om wie je kiest maar ook op welk moment je iemand kiest. Dus ik begin met te zeggen: wat is er op dit moment relevant en wat is dat voor invalshoek, die ik op dit moment nog niet ken? En dan kijk ik of dat werk ook verband heeft met andere kunstenaars, met ander werk.
Dat betekent overigens niet dat alle objecten die je kiest hetzelfde zijn. Het zijn eerder varianten van een mentaliteit. Het levert saaie tentoonstellingen op als je werken bij elkaar hangt die formeel op elkaar lijken. De laatste decennia zijn we meer gewend om de nadruk te leggen op individuele verschillen; ik probeer vooral kunstenaars te vinden die iets zeggen over het nu, die zich uitspreken over vandaag en iets laten zien dat er nog niet was.’
Hoe brengt u zo’n idee over op uw studenten?
‘Tegen de studenten van de curatorenopleiding van De Appel, die een tentoonstelling moesten maken, zei ik altijd: kijk naar kunstenaars die je goed vindt, om wat voor reden ook. Maak daar lijstjes van. Formuleer dan voor jezelf waar dat werk zo’n beetje over gaat. En maak daarnaast een lijst van onderwerpen waar jij zelf mee bezig bent, waar deze tijd mee bezig is, en kijk dan eens of je daar verbanden tussen kunt leggen. Daar kwamen dan vaak heel goede ideeën uit voor tentoonstellingen. En als je zo’n idee goed formuleert, dan kan dat aanleiding zijn voor een kunstenaar om nieuw werk te maken. Dat is natuurlijk het mooiste, ook al is dat een risico voor zowel de kunstenaar als de tentoonstellingsmaker. Want zo’n werk kan wel eens heel anders uitpakken dan je je had voorgesteld. Misschien valt het tegen. Misschien past het niet in het thema… Dat zal mij overigens een zorg zijn, daarom heb ik het liever over contour. Stel je het maar voor als een touwtje met een knoopje, daar kun je allerlei vormen mee maken en daarbinnen zet je weer accenten.’