©  Red Production Company & All3Media International / VPRO

Stephen Fry speelt, te midden van jonge acteerkanjers, een mooie bijrol in It’s a Sin, vijfdelige dramaserie van Channel 4, over homoseksueel leven in Londen in de jaren tachtig. Hij is daarin conservatief politicus Arthur Garrison met jongensvoorkeur, een schitterend appartement met uitzicht op de Tower en de ambitie meer in het blikveld van Maggie Thatcher te komen. Fry kreeg het script te lezen en hij deed dat, zegt hij, through a wall of tears. Want de teksten van scenarist Russell T. Davies brachten het grote sterven terug: al die vrienden en bekenden die destijds aan aids kapot gingen. Maar ook wie destijds of daaraan geen dierbaren verloor zal regelmatig een dikke keel of tranen voelen bij het verfilmde resultaat. Uiteraard: literatuur, theater, speelfilm, tv-drama doen ons meeleven met personages, ongeacht herkomst, huidskleur, sekse, geaardheid, sociale klasse, leeftijd, religie. Kunst kán ‘humaniseren’, scheidslijnen opheffen. Niet altijd, niet bij iedereen. Bovendien geldt: ‘mits goed gemaakt’. Maar dat is hier dus volledig gelukt. Anders had Fry niet meegedaan.

In het genre ‘regenboogdrama’ is Angels in America de onvergetelijke klassieker. Toneelstuk van Tony Kushner uit 1991, in 2003 door hem tot zesdelige tv-serie geschreven en geregisseerd door Mike Nichols. Met Al Pacino, Meryl Streep, Emma Thompson. Eros, aids (en dus Thanatos) in tijden van Reagan. Uit ons vaderlands drama-archief herinner ik me de fraaie Telefilm Jongens (2014) van Mischa Kamp, over ontluikende jongensverliefdheid (mooi scenario van Jan Peter Enderlé en Chris Westendorp). En uiteraard de recentere succesvolle serie Anne+ (regie Valerie Bisscheroux; scenario Maud Wiemeijer). Over hoogopgeleide Anne die veel universele twintigersproblemen van de lichtere soort heeft, maar voor wie haar homoseksualiteit daar nou juist geen deel van uitmaakt, want die is vanzelfsprekend. Wat het zowel lichtvoetig als verfrissend als emanciperend maakt.

Tranen dus bij It’s a Sin, maar er valt ook zo allemachtig veel te lachen. De opening is al verrukkelijk: twee jongens uit milieus waarin homoseksualiteit ‘niet bestaat’ (de meeste dus) trekken vanuit de provincie naar Londen. Ritchie (Olly Alexander) van eiland Wight; Collin (Callum Scott Howells) met moddervet accent van Zuid-Wales. Respectievelijk om rechten te studeren en bediende in een kleermakerszaak te worden. Hun hartjes kloppen van verlangen en verwachting en niet alleen vanwege studie en werk. Een derde, Roscoe (Omari Douglas), woont met zijn grote Nigeriaanse familie al lang in de hoofdstad. Geestig worden de gezinnen van herkomst getekend. Ritchie’s moeder kondigt aan diens kamer nog voor vertrek fiks te gaan opruimen waardoor hij er in paniek voor moet zorgen dat de blote-mannen-blaadjes verdwijnen. Moeder waarschuwt ook om nooit iets in bus of metro aan te raken want in de stad weet je maar nooit. Ritchie’s vader geeft zijn zoon op de boot een pakje condooms mee want hij wil niet dat die een meisje in de problemen brengt. En Ritchie, bijdehand, dondert het stiekem en grijnzend in zee want bezwangeren zit niet in zijn pakket. Om pas afleveringen later door nood gedwongen en met grote tegenzin te leren dat die dingen wel eens levensreddend voor hem en zijn vrienden zouden kunnen zijn.

Roscoe is bouwvakker, zichtbaar bepaald niet zijn roeping, en wordt steevast door zijn vader met de auto van het werk gehaald. Argwanend vraagt die: ‘Wie was die man met wie je praatte?’ Hier is de zaak kennelijk al in verder stadium: Roscoe wordt verdacht van het vreselijke. Prompt zien we de ganse familie bijeen in de woonkamer, alle tantes in Afrikaanse outfit met kunstige hoofddoek, en collectief in de eigen taal biddend voor het zielenheil van Roscoe, waarbij de voorbidster een exemplaar van Gay News omhoog houdt. Roscoe was dus nog slordiger dan Ritchie en de kijker ziet al verband tussen twee jongens, die elkaar dan nog nooit ontmoet hebben. Roscoe zal met vader en oom naar Afrika moeten voor ‘genezing’. Roscoe’s zus, duidelijk meer verlicht, geeft hem 120 pond met het bevel ervandoor te gaan: ‘Anders moet de hele familie terug naar Nigeria en ik laat je niet ook nog eens míjn leven verwoesten. Ze maken je af daar!’ En wat doet Roscoe? Die staat plotseling in de kamer, in kort rokje, doek om het blote bovenlijf en zwaar opgemaakt. Nog weer wat anders dan ‘gewoon homo’. Zo van: dan zullen jullie het weten ook – ‘Ik ga weg.’

Vader probeert hem tegen te houden maar Roscoe slaat hem in het gezicht. Hoezo om te lachen? Hoezo verrukkelijk? Nou, ten eerste omdat de situatie veel weg heeft van het salie-avondje bij juffrouw Pieterse, moeder van Woutertje, als vastgesteld wordt dat juffrouw Laps een zoogdier is. De tantes zijn door de travestie en door het heupwiegend vertrek met koffer van hun neefje even ontzet als de nette Laps bij Multatuli. Maar wat de scène onweerstaanbaar maakt is dat een van de tantes niet meer bijkomt van het lachen over die malle neef. Ja, dit is comedy. Is het gedrag van Roscoe realistisch? Mij lijkt het over de top, maar hij is wel raak getypeerd als de meest uitgesprokene, radicale, provocerende, gewaagde en harde van de jongens. Al zal ook hem uiteraard veel lachen vergaan. Sowieso is kenmerkend voor de stijl van It’s a Sin dat het geen vaste stijl heeft – dat komedie en tragedie afwisselen en in elkaar overlopen. Net als extase en verstilling dat doen. Zoals, en dat is buitengewoon sterk, personages soms even karikaturen kunnen lijken, maar uiteindelijk altijd weerbarstiger en gelaagder dan dat blijken. Twee zielen, ach, in ons aller borst. Toch?

Stille Collin heeft een kamer gehuurd bij een hospita, die hem bij aankomst een reeks ge- en verboden van jewelste toevoegt, waaronder ‘geen meisjes op de kamer’. Leuk wel, want daar hoeft ze echt niet bang voor te zijn. De bar onvriendelijke zoon des huizes, kleine bijrol, zal veel later dan weer wel een beslissende rol in het leven van Collin blijken te hebben gespeeld. Zoals zich, in wat soms voorspelbaar lijkt, steeds opnieuw verrassingen voordoen. Op Collins werkplek wordt hij prompt met twee varianten van homoseksualiteit geconfronteerd. De onsmakelijke, getrouwde, oude eigenaar doet onmiddellijk curieuze avances. De chef-verkoper (geweldige rol van Neil Patrick Harris) noodt Collin mee naar de kroeg, heeft haarfijn door waarvan hij droomt, waarschuwt hem voor de baas (‘begin gewoon over zijn vrouw’) en blijkt al dertig jaar met een man uit de Algarve samen te wonen. Collin geeft zijn geheim verlangen toe, Henry belooft te zwijgen en roept ‘nog een pint voor deze flikker’. Lijkt wreed maar blijkt juist definitieve toenadering: Collin kan er wel om lachen, want niemand in de kroeg zit ermee. Collin mag bij Henry en Pablo op bezoek en krijgt zo voet aan de grond in de grote stad. Helaas wordt de Portugese vriend vervelend ziek en Henry zelf ook. Verder zal ik niet spoilen.

De kracht van die eerste aflevering zit hem deels in de vreugde waarmee de jongens een wereld ontdekken die ze als snoepwinkel, nee, paradijs ervaren en die ze deels veroveren en mede maken. En de talloze vriendschappen die daar, naast seksuele avonturen, uit ontstaan. Mij doet het denken aan wat Michiel van Erp in en rond zijn documentairereeks Roze revolutie benadrukte: de immense levensvreugde die deze zich emanciperende subcultuur hem en ontelbaren opleverde. Was de seksuele revolutie van de zestiger jaren in zijn algemeenheid bevrijdend, voor homoseksuelen was die dat dubbel. Al brengt, denk ik, elke bevrijdingsgolf nieuwe slachtoffers mee (los van aids). Niet alleen bij vijanden, maar ook bij leden van de emanciperende groep die zich niet gelukkig voelen bij als dwingend ervaren nieuwe mores, zo niet ideologie. Kijk naar nieuw fundamentalisme in en rond Black Lives Matter en Bij1. Dit zwart bewustzijn mag er hier aan de haren bijgesleept lijken – het is dat niet in It’s a Sin, waarin veelkleurigheid even vanzelfsprekend is als homoseksualiteit. En racisme even virulent als homohaat.

Bij voorbeeld. Ritchie met al zijn branie is nog maagd en niet alleen zoekend naar seks maar sowieso naar gezelschap in dat onbekende Londen. Jill (Lydia West), geweldig leuke meid, ziet dat hij zijn ogen niet af kan houden van haar dramagroepje en vooral niet van de mooie Ash Mukherjee (Nathaniel Curtis) met deels of geheel Indiase roots. Jill is ‘best female friend’ van meer homojongens en brengt ze in contact. Het leidt tot een onstuimige vrijpartij die lijkt uit te monden in seks – totdat Ash vaststelt dat Ritchie eerst zijn kont moet wassen. Zo direct krijg je het zelden in drama, waarin herenliefde überhaupt zelden wordt getoond, hooguit gesuggereerd. En herkenbaar is het ook: de in Holland heersende waanidee dat ‘wij’ schoon waren en ‘de anderen’ vies, terwijl Indonesiërs en Surinamers onze ‘hygiëne’ van één tobbe en schone onderbroek per week schokkend vonden. Goed, Ritchie is gereinigd, maar het heilige vuur is bij Ash verdwenen. Volgt een gesprek waarin Ritchie vaststelt dat homoseksualiteit ‘voor jullie’ nog wel ingewikkelder zal liggen. Ash’s haren gaan overeind: ‘jullie’? ‘Ja, jullie, hindoe’s toch?’ Ash zwijgt. ‘Hindoes. Of moslims. Moslims. Hindoes. Of boeddhisten?’

Hij maakt het steeds erger. Seks kan hij vergeten. En in die generalisaties blijkt hij toch meer op zijn onaangename vader te lijken dan hij denkt. Want als Ritchie Jill later meeneemt naar Wight, om hem moreel te steunen bij het uit de kast komen, is het eerste wat de man vraagt: ‘Waar kom je vandaan?’ Jill is namelijk ook van kleur. ‘Uit Woking’. ‘Nee, ik bedoel oorspronkelijk. Je achtergrond.’ Het is een klassieker in wit Europa. Enfin, ‘mijn vader komt van Dominica’. ‘Niet erg hoor’. Verder benadrukt hij dat er twee slaapkamers zijn en dat ze het niet moeten proberen: ‘Ik ken alle trucjes’. Jill gaat de keuken opruimen. Mag niet van moeder: ‘Je bent gast’. ‘Nee, ik ga, want Ritchie wil u iets vertellen.’ ‘Is ze zwanger?’ vraagt pa prompt. ‘Nee, eh, ik stop met rechten en stap over naar drama en Engels’. Vader woedend: valt niks mee te verdienen. Het is comedy, cabaret haast (ik zei toch dat het niet genre-vast is?), maar tegelijk voel je ook waarom Ritchie het, geconfronteerd met die ouders en zijn verschrikkelijk bekrompen zus, met dat huis, die kleinburgerlijkheid niet op kan brengen ook dat Grote op tafel te leggen. Ondanks zijn grote bek in Londen. Wat een verschil tussen die ouders op Wight en de liefde- en begripvolle moeder van Collin. Want echt alle attitudes ten aanzien van homoseksualiteit, bij ‘de anderen’ en binnen de gemeenschap zelf, komen aan bod.

Goed, onze hoofdpersonen belanden bij elkaar in één huis, een soort commune. En beleven buiten de deur hun eigen avonturen. Maar geleidelijk sluipt A. (kanker heette ooit K.) hun levens in. Ze blijven niet gespaard. En elk heeft zijn eigen manier om het monster in de bek te kijken, of te ontkennen, te negeren of zelfs te vluchten. Een mooie keus van de VPRO om deze serie in zijn geheel in de Pride-week te programmeren.

Peter Hoar (regie), Russell T. Davies (scenario), It’s a Sin, VPRO, vijf delen, dagelijks vanaf maandag 2 augustus, NPO 3, 22.00 uur