Een tragedie van de rijpere liefde

Cleopatra was een hoogontwikkelde vrouw die haar seksualiteit virtuoos mobiliseerde. Antonius was een krijgsheer in zijn nadagen. Samen inspireerden ze Shakespeare tot een vervolgverhaal- voor-volwassenen op Romeo en Julia.

LAAT IK EEN toneeldramatische theorie lanceren waar menige Shakespeare-kenner van zal opkijken:
Macbeth, koning der Schotten, is niet om het leven gebracht door zijn tegenstrever Macduff, maar door Antonius en Cleopatra, ‘het grootste liefdespaar aller tijden’.
Ik doel op de Macbeth van Laurence Olivier, zijn ultieme glansrol, die tot zijn bittere spijt niet door Hollywood op film is vastgelegd. Olivier had de firma Twentieth Century Fox laten weten dat het absoluut noodzakelijk was dat zijn reeks Henry V-Hamlet-Richard III-Othello door een verfilmde Macbeth zou worden gevolgd. Geld kon geen rol spelen: hij becijferde de kosten op anderhalf miljoen dollar, het gemiddelde budget van een Amerikaanse B-film. Ter verkenning van de locatie waarop de ongelukkige vorst op de meest decoratieve wijze het hoofd kon worden afgeslagen, had de Britse acteur reeds een bezoek aan Schotland gebracht, toen hem het bericht bereikte dat zijn Macbeth helaas gedoemd was toneelgeschiedenis te blijven. De tijd was voorbij dat Hollywood zich aan een stoffig cultuurgoed als een Shakespeare wilde wagen. De tijd was thans aan de extravaganza’s, even dure als stupide massaprodukties, met veel knokpartijen en een risicoloos vleugje soft sex. Olivier, in zijn boek On Acting, met ongecamoufleerde woede: 'Je kunt nog zo vermetel, stoutmoedig en resoluut zijn, maar oog-in-oog met de macht van je geldschieters zal het lachen je vergaan.’
De gedachte is inderdaad ondraaglijk. Je hebt ’s wereld beste Shakespeare-acteur voorhanden, die het hoogtepunt van zijn carriere wenst te vereeuwigen - en dan weigeren die sigarenkluivende barbaren uit Hollywood met die luizige anderhalve miljoen over de brug te komen. De centen werden vervolgens gestort in de bodemloze put van het spektakelstuk Cleopatra (produktiekosten: zevenendertig miljoen dollar), waarin Richard Burton (Antonius) en Elisabeth Taylor (Cleopatra) bewezen ook heel slecht te kunnen acteren.
De cinematografie was weer een shit film rijker en een potentiele klassieker armer.
Joseph I. Mankiewicz schreef het draaiboek. Hij wist het immers veel beter dan William Shakespeare. Tot een echte verfilming van het drama is het nooit gekomen, op een enkele primitieve poging na, die inmiddels ook al driekwart eeuw oud is. Daarna hebben de producenten het toneelstuk links laten liggen. Niet zonder reden. Antonius en Cleopatra is te rijk aan woorden en te arm aan daden, op de ademstokkende en bloedstollende apotheose na. Erg gewild is het stuk trouwens nooit geweest, ook niet op de planken, behalve in de ogen van de weinigen die beseffen dat Shakespeare’s laatste Romeinse drama ook zijn rijpste Romeinse drama is, beter zelfs dan zijn Coreolanus, veel beter in elk geval dan zijn zwak gestructureerde Julius Caesar, een stuk dat zijn populariteit voornamelijk dankt aan de grandioze Forum-scene ('En Brutus is een achtenswaardig man…’), afgestoken door de heldhaftige Marcus Antonius.
Dezelfde Marcus Antonius zou enige tijd later andermaal de buhne betreden, nu als bed- en gespreksgenoot van de onweerstaanbare Egyptische vorstin Cleopatra.
ZIJ LEEK TYPISCH een van die vrouwen waarvan een kenner zei: 'Zij hebben maar een ding aan hun hoofd en dat is hun lichaam.’
Hetgeen op zijn beurt het enige is waarin haar minnaar Antonius is geinteresseerd. Zij aan zij vecht het tweetal een zeeslag uit tegen de imperialistische Romeinen. Dan wendt de grillige Cleopatra plotseling de steven van haar schip en koerst in de richting van Alexandrie, haar thuishaven. Van het ene moment op het andere vergeet Antonius dat hij eigenlijk een held is, zij het tijdelijk in vreemde krijgsdienst. Blind van hartstocht zeilt hij de vorstin achterna, de rest van zijn vloot achterlatend in een staat van volkomen ontreddering.
Want de moraal van Shakespeare’s drama heeft een kanselgalm: Gij zult niet zuipen, vreten, pretmaken en hoereren, onderwijl uw staatszaken verwaarlozend.
Shakespeare’s collega Bernard Shaw ergerde zich wild aan dit vertoon van moralisme. Daarom schreef hij eigenhandig een alternatieve klassieker. Het was het blijspel Caesar en Cleopatra. Zijn hoofdfiguur is Antonius’ vaderlijke vriend Julius Caesar, ironisch, rationeel en seksloos. Zijn tegenspeelster is dezelfde Cleopatra, vijftien jaar jonger en de priktol nauwelijks ontwassen. De Romeinse keizer leert haar hoe je een koninkrijk moet besturen. Liefst zonder de totalitaire handgrepen waartoe de kleine autocrate geneigd is. 'Doe wat ik je zeg!’ beveelt zij het hoofd harer huishouding. 'Of ik laat je vanmiddag nog in de Nijl gooien om die arme krokodillen te vergiftigen!’
Voor een echte affaire is Cleopatra te jong en Caesar te koel - en te kaal. Zij heeft, weet hij, een adolescente voorkeur voor 'een mooie, jonge kerel, met sterke, ronde armen’. Het wordt, belooft Caesar, zijn afscheidscadeau: 'Een echte Romein, niet rijp voor de groeve, niet slap en koud, niet kaalhoofdig onder zijn lauwerkrans, niet gekromd onder het gewicht van de wereld, maar stevig, fris, sterk en jong, ’s middags een onoverwinnelijke soldaat, ’s nachts een onoverwinnelijke feestvierder.’
'Hoe heet hij?’ vraagt Cleopatra begerig.
'Marcus Antonius,’ zegt Caesar.
Een paar jaar later vormden zij, Antonius en Cleopatra, een 'onsterfelijk liefdespaar’. Tot Shaws ongenoegen. 'Wee de dichter die dergelijke vernederende onzin gelooft.’ Het toneelstuk was Shaw te romantisch, te weinig getuigend van het gezond mensenverstand waar de Ier levenslang bij heeft gezworen. Shakespeare was ongetwijfeld gespecialiseerd in menselijke zwakheden (Koning Lear, Macbeth, Henry VI), maar van 'menselijke grootheid van ceasariaanse signatuur’ had hij geen verstand. Was de Engelsman trouwens wel zo'n universele psycholoog als iedereen beweert? Welnee, zei Shaw, veel in Shakespeare’s oeuvre is niet meer dan muzikale zing-zang, vergelijkbaar met een oratorium van Handel of een aria van Rossini.
Aldus Bernard Shaw, die het ooit heeft bestaan om Schuberts Symfonie in C als 'de meest hersenloze muziek die ooit aan het papier is toevertrouwd’ te noemen.
Sedertdien valt hij als muziekcriticus slechts ten dele serieus te nemen, net zoals trouwens als vegetarier, filosoof en politiek commentator.
Echter, Shaw moge een ongelooflijke opsnijer zijn geweest die zichzelf in menig opzicht 'better than Shakespeare’ vond, het is een feit dat zijn Saint Joan zich met Shakespeare’s beste historische toneelstukken kan meten, terwijl zijn Caesar en Cleopatra zich qua kwaliteit moeiteloos naast Antonius en Cleopatra staande houdt.
SHAKESPEARE’S DRAMA beschrijft zo'n tien jaar antieke geschiedenis, in vijf bedrijven en tweeenveertig taferelen samengevat. Octavianus Caesar, een ver familielid van Julius Caesar, is thans zelf de eerste ingezetene van het Romeinse Rijk. Geirriteerd verneemt hij dat zijn compagnon Antonius aan gene zijde van de Middellandse Zee de sensuele Cleopatra naar de ogen ziet. Ooit dronk Antonius, zoals het de ware krijgsman betaamt, 'de pis van paarden’. Nu is hij verwekelijkt: 'Hij vischt, hij drinkt, hij brast de nachten door.’
De dood van Fulvia, zijn echtgenote, benevens problemen van binnenlands-politieke aard voeren Antonius naar Rome terug. Daar sluit hij omwille van de lieve vrede een verstandshuwelijk met Caesars zuster Octavia. De gedachte aan de aantrekkelijkheden van 'Egyptes sloorsche snol’ wordt hem echter al spoedig te machtig en hij begeeft zich andermaal, door begeerte verteerd, in de richting van Cleopatra’s legerstede. De tweevoudig geschoffeerde Ceasar (als staatsman en als liefhebbende broeder) trekt gewapenderhand tegen Egypte op. Antonius, die thans aan het hoofd van het Egyptische leger staat, blijkt inderdaad zijn beste tijd te hebben gehad. Ongehinderd rukken de Romeinse legerscharen op in de richting van Alexandrie.
Daarna pleegt iedereen zelfmoord. Eerst Antonius’ vriend Enobardus, uit berouw dat hij naar het kamp van Caesar is overgelopen. Dan Antonius’ slaaf Eros, die het niet over zijn hart kan verkrijgen zijn meester (op diens verzoek) te doden. Vervolgens Antonius zelf. Gevolgd door Cleopatra en haar getrouwe kameniersters Iras en Charmian. Hun dood is even verheven als decoratief: zij laten zich in arm en boezem bijten door een adder die speciaal voor deze gelegenheid de koninklijke vertrekken is binnengesmokkeld. 'Kom, moorddadig ding, maak ’s levens warrelknoop met scherpen tand in eens mij los; arm, lief, vennijnig dier, word toornig en ’t zij uit!’
DE ENIGE OVERLEVENDE is de rationele Octavianus Caesar. Hij heeft, als triomfator, immers geen reden zich het leven te benemen, afgezien van het feit dat hij daarvoor waarschijnlijk te weinig fantasie heeft. 'Hij is het type man dat werk meeneemt voor het weekeinde’, concludeert de actrice Barbara Jefford, zelf een eigentijdse Cleopatra-met-hersens.
Nee, op zichzelf had Shaw geen ongelijk toen hij besloot de wereld een heel wat karakteristiekere Caesar te schenken. Shakespeare’s Julius Caesar, naamgever van dat andere Romeinse treurspel, stelt als character eveneens weinig voor. Hij kan weinig voorstellen, want hem zijn slechts honderdtwintig dichtregels gegund alvorens hij onder het staal van Brutus en diens medesamenzweerders valt. En ook Octavianus Caesar, Antonius’ latere tegenstrever, maakt in ons niets wakker. Hij spreekt zijn verzen met de technocratische saaiheid van een moderne legerleider en zijn conversatie klinkt als een referaat op een conferentie over moderne militaire strategieen.
Natuurlijk is hij als tacticus superieur vergeleken met dat wat morsige Romeins-Egyptische minnepaar, gemakzuchtig jagend op genot, het getortel op gepaste tijden afwisselend met temperamentvol getwist. In tegenstelling tot Shaw heeft Antonius de stellige overtuiging dat Cleopatra toentertijd, jaren geleden, wel degelijk met haar kindervingertjes aan de oude Julius Caesar heeft gezeten. 'Ik vond u als een koudgeworden bete op Caesars bord - want, dit is zeker, hoewel gij gissen moogt wat kuischheid is, gekend hebt gij ze nooit!’
In elk geval was zij in politiek opzicht de onderliggende partij, zowel van Julius Caesar als van Octavianus Caesar. Zij was een pure satraap van Rome, net als bijvoorbeeld Herodus I, de vorst van Judea, met alle privileges en verplichtingen van dien.
SHAKESPEARE’S HELDINNEN zijn veelal jong, nobel, zelfbewust en goedgebekt. Sexy zijn zij zelden, Hamlets moeder en Macbeths echtgenote wellicht uitgezonderd. De laatste vond het noodzakelijk zichzelf te 'ontwijven’ alvorens zij haar greep naar de macht deed. Zo niet Cleopatra. Zij is een kruising tussen een geboren politica en een straatmadelief en zij weet: haar sterkste troefkaart is zijzelf. 'Op het moment dat zij oog in oog staat met een ambassadeur of zelfs met een eenvoudige boodschapper, wordt zij bevangen door de wens hem te betoveren.’ (A. C. Bradley)
Het maakt Shakespeare’s Cleopatra tot een van de zwaarste rollen van het toneelrepertoire. Met een middelbare matrone nemen wij, toeschouwers, geen genoegen, hoe bekwaam deze ook moge acteren. Cleopatra moet en alle toneeldramatische kneepjes kennen en van zo'n zinnenverblindende schoonheid zijn dat geloofwaardig wordt dat een man als Antonius om harentwille bereid is rijken en provincien te vergeten.
Dat is hij van ganser harte. Niettemin zit in de liefde tussen Antonius en Cleopatra (zegt Jan Kott) 'een kiem van haat’, zoals wel vaker voorkomt in een affectieve relatie waar de eerste glans vanaf is.
Men beluistere de vertwijfelde uitbarsting van Antonius, als hij zich in het gezicht van Caesars aanstaande overwinning door zijn minnares verloochend weet, althans verloochend waant. Het is plotseling uit met het getortel. Cleopatra is nu een 'diedubb'le hoer’, een 'tooverkol’, een 'vuige, booze Egyptische’. Hij wenst haar het lot toe dat zij meer vreest dan de dood: de nachtmerrie straks aan Caesars zegekar te worden gebonden, om zo door de straten van het vijandelijke Rome te worden gesleept. 'Dat hij u grijpe, den juichenden Plebejers hoog u toone! Volg zijn wagen, als de grootste schandvlek van heel uw kunne!’
Hier treft Antonius de spijker op de kop. Nee, het is niet de aanstaande nederlaag die haar de dood in zal drijven. Het is de dreigende vernedering ten overstaan van de Romeinse usurpator. Dat is haar eer te na. 'Weet u wat Caesar met mij voor heeft?’ informeert zij bevend bij een van diens vleugeladjudanten. Zij kan het antwoord raden. Zij en haar vriendinnen zullen publiekelijk aan het 'juub'lend slavenvolk van ’t hoonend Rome’ worden vertoond, 'lictoren pakken ons aan, als snollen, schorre rijmelaars krijschen een lied op ons’. Nooit en te nimmer zal dit mogen geschieden! 'Eer zij in Egypte een poel mijn graf! Leg er me in ’t slib des Nijls, geheel ontkleed, dat mij de watervliegen tot monster maken door hun steek.’
HOE MOET MEN DE half-gepassioneerde, half geroutineerde verhouding tussen de twee gelieven beschrijven? Zit hij wellicht in een midlife crisis? Staat zij misschien op de drempel van de menopauze? De jonge, door Antonius schromelijk onderschatte Caesar ('Die blaag!’) heeft van dit soort problemen nog lang geen last. Hij weet precies wat hij wil: de wereldheerschappij. Cleopatra weet het ook: zij wil Egypte, liefst met, maar desnoods zonder Antonius.
De positie van haar ongelukkige minnaar is heel wat minder overzichtelijk. Hij, de Romein, moet kiezen tussen Rome en Alexandrie, tussen de publieke zaak en zijn privegenoegens. Hij is niet meer krachtdadig genoeg om zo'n moeilijke keuze te maken en als hij uiteindelijk een soort besluit neemt, aarzelend en weifelend als een grijsgeworden Hamlet, geschiedt dit op een politiek fataal moment. In het heetst van de strijd trekt hij zich terug om als een seksmaniakale dwaas achter Cleopatra’s rokken aan te strompelen. Zijn reputatie is verwoest, als man en als krijgsheer. Hem rest niets anders dan zich, naar de zede des tijds, in zijn zwaard te storten (en zelfs dat doet hij zo onhandig dat de actie bijna mislukt).
Wie zal het wagen de heroiek van hun beider zelfmoord te ontkennen? Over de motieven van deze daad hebben wij inmiddels onze ironische twijfels. Stel dat Antonius niet verloren, maar gewonnen had? Stelt dat Cleopatra niet bang behoefde te zijn om in Rome als een soort circusnummer te worden vertoond? Dan was zijn zwaard in de schede en haar gifslang in de vijgenmand gebleven. Zo zit er zelfs in hun beider zelfmoord, zogenaamd begaan omdat de ene geliefde onmogelijk zonder de andere geliefde kon leven, een ondertoon van leugen en bedrog.
Wij hebben geleerd de beweegredenen van het paar te wantrouwen. Ook weten wij dat men zich in het klassieke Rome en Alexandrie van het leven benam met de routine waarmee je naar de kapper gaat. Niettemin, zelfmoord pleegt men niet voor zijn genoegen. In het aangezicht van de dood krijgen zowel de Lebemann Antonius als de capricieuze Cleopatra iets veredelds, iets transcendents, onderbouwd door de meest voortreffelijke dichtregels van het drama. 'Stil’, beveelt de vorstin haar kamenierster Charmian, 'ziet ge aan mijn borst het wicht niet, dat de voedster in slaap nu zuigt? Wat toef ik nog…’ Het slangegif doet zijn werk, Cleopatra sterft. ’…in deze snoode wereld?’ voltooit de kamenierster het gesprokene en zet, getrouw tot in het graf, op haar beurt de aspis aan de ontblote boezem.
NEE, ZIJ WAREN niet de eersten de besten. Hij was een man 'die de halve wereld spelend woog’, zij was, met al haar wuftheid, een hoogontwikkelde vrouw, die zeven talen sprak en haar seksualiteit even virtuoos mobiliseerde als Shakespeare’s bazin, Elisabeth I, haar maagdelijkheid.
Wat een koningskoppel!
Ook al was er, dat wederzijds vertoon van hartstocht ten spijt, iets van sleetsheid in gedrag van het 'onsterfelijk liefdespaar’ geslopen. Antonius en Cleopatra is de tragedie van de rijpere liefde, het vervolgverhaal-voor-volwassenen op Shakespeare’s andere liefdesdrama: Romeo en Julia. Met dien verstande dat de dood van deze jongelui door ons hoofdschuddend wordt ervaren, terwijl de dood van Antonius en Cleopatra ons daarentegen met een vreemd soort tevredenheid vervult.
Een paar verstandige woorden, een in een handomdraai weggenomen misverstand - en Romeo en Julia was dat stompzinnige einde bespaard gebleven. Met Antonius en Cleopatra ligt het anders. Zij staan niet aan het begin, maar aan het einde van hun leven; dat het slecht met hen zou aflopen wisten wij eigenlijk al van tevoren en als er dan toch moet worden gestorven, dan moet het maar met de grandezza die bij dit soort figuren past.
Zelfs de vissebloedige Caesar was genoodzaakt hen postuum zijn respect te betuigen, al klonk in zijn rouwbeklag de ondertoon van woede om het feit dat de koningin hem uiteindelijk te slim af was geweest. Hij had haar bezworen dat haar de vernederende tocht achter zijn zegekar zou worden bespaard. Onderwijl was er geen haar op zijn hoofd die er aan dacht zich dit pretje te laten ontgaan. Maar de intelligente Cleopatra kende de koninklijke en keizerlijke streken, al al was het maar uit eigen praktijk. 'Verhevendst einde!` sprak Ceasar bewonderend. 'Zij riedt ons plan, en, koninklijk gezind ging zij haar eigen weg.’ Die voerde niet naar Rome, maar naar de Elyseese velden, waar zij, Antonius en Cleopatra, hun wederzijdse wonden bekeken. Zij dat zelfgegraven gat in zijn borst, hij die slangebeet in haar boezem. Sadder and wiser, zoals het een liefdespaar op leeftijd past.