Een trekbommetjesdiva

Het recital dat de Amerikaanse mezzosopraan Christina Ascher vorige week gaf, maakt een ding duidelijk: het lied in de naoorlogse muziek moet met de kleinst mogelijke ‘l’ worden geschreven. Allereerst is de piano uitgerangeerd. Alleen in haar toegift kwam deze, haast niet weg te denken begeleider voor. Ascher nam plaats achter het klavier en sloeg met een harde klap de klep dicht. ‘John Cage’, voegde ze er triomfantelijk aan toe. Met een gepassioneerd geroffel op het hout begeleidde ze haar song.

In de tweede plaats is er nauwelijks nog sprake van tekst. De langste tekst in dit anderhalf uur durende recital was een vierregelige strofe van Francois Villon, op de voet gevolgd door een regel van Salvatore Quasimodo (‘Iedereen staat alleen op het hart van de aarde, met een zonnestraal doorboord - en plotseling is het avond’). In literair opzicht was het hiermee bekeken.
Overigens waren deze twee composities - van respectievelijk Violeta Dinescu en Gerhard Rosenfeld - de minst enerverende onderdelen. Enerzijds doordat beide componisten tekst en muziek in een wat voorspelbaar kringetje laten ronddraaien; anderzijds doordat Christina Ascher hier geacht werd traditioneel te 'zingen’, wat bepaald niet haar sterkste kant bleek te zijn. In de uitgebreide coloraturen klonk haar stem nu en dan ronduit onbeholpen: donker, geknepen en met een ongecontroleerd vibrato.
Christin Ascher is beter te typeren als een vocaal performer. Want wat een come-back maakte ze in Berio’s Sequenza en Cages Aria! In de Aria ontpopte ze zich tot een waar comedienne: met een alarmerend geheven wijsvinger ratelde ze er in een dadaistisch fantasietaalje op los. Zingend in opera- en musicalstijl, pratend met rare stemmetjes en zichzelf begeleidend met trekbommetjes en een bosje bloemen dat piepte als een speelgoedeend, zette ze een hilarische act neer - ondertussen de meest ingewikkelde stemtechnieken toepassend.
Cages Aria kun je beschouwen als een 'akoestische sculptuur’, maar eigenlijk is het een parodie op het operabedrijf. Het sympathieke was dat Ascher er de hand niet voor omdraaide zichzelf in de maling te nemen. Zelf wel degelijk uitgedost als een diva (een velours gewaad tot op de grond, gitzwart opgestoken haar en flonkerende oorbellen), smeet ze met sieraden in het rond, verslikte zich in een al te acrobatische aria en scheurde zonder een spier te vertrekken een vastgeplakte partituurpagina los. Puur theater!
In Berio’s Sequenza (oorspronkelijk geschreven voor Cathy Berberian) bewees Ascher opnieuw te excelleren in vocale gekkigheden. In dit werk komen bijna alle geluiden die je met de mond kunt maken voor: plopjes van de wang en lippen, gepiep, blafjes, geratel, gesnik, gegiechel, geneurie en trillers als van een zangvogel. Meer dan bij Cage resulteert dit in een heel muzikaal stuk: klank en ritme worden optimaal uitgebuit. Met zichtbare lol en een aanstekelijke brutaliteit hield Ascher de zaal aan haar lippen gekluisterd.
Het deel na de pauze was voor een stuk gereserveerd: 100 Ansichten vom Berge Fuji van de Oostenrijkse componist Bruno Liberda, die zelf optrad als klankregisseur. Met behulp van de computer werd Aschers stem opgenomen en - soms meteen, soms enkele minuten later - vervormd de zaal weer ingestuurd. De acht luidsprekers die rondom het publiek stonden opgesteld, zorgden voor een prachtig ruimtelijk effect.
Het begin van dit een half uur durende werk was pure New Age: de lage, nauwelijks hoorbare tonen van Ascher werden ingebed in verstilde klanken zoals je die hoog in de bergen hoort. Maar langzamerhand werd steeds meer van Aschers eigen materiaal ingevoegd en opgestapeld, zodat ze door een koor van stemmen in de rede werd gevallen en vaak zelfs overstemd. Het uiteindelijk effect was gek genoeg een beetje tragisch: alsof haar stem werd afgepakt en gedepersonaliseerd.
Salto Vocale heette dit programma in de vocale serie die De IJsbreker in de kleine zaal van het Concertgebouw organiseert. Optredens van Susan Narucki (februari) en Thomas Quasthoff (mei) liggen nog in het verschiet.