Een trommel voor van gogh

De verwikkelingen op en rond het Amsterdamse Museumplein krijgen langzamerhand surrealistische trekken. Omdat het plein nooit een plein is geweest, maar altijd een verzameling min of meer op zichzelf staande zones (verkeerszone, parkeerzone, beveiligingszone, basketbalzone, skateboardzone enzovoorts), kende het plein ook altijd zijn verschillende tijdszones.

Deze verbrokkeling nekt natuurlijk elke poging het plein als een geheel te vernieuwen. Elk masterplan is gedoemd te mislukken als niet alle klokken tenminste één keer gelijk worden gezet. En dat is nooit gebeurd. Deze ruimtelijke situatie wordt nog eens versterkt door de volslagen jungle van bestuur en beleid, waarin centrale gemeente, deelraad, buurtbewoners, winkeliers, aanwonenden, cultuurinstellingen en ontwerpers steeds ieder voor zich het juiste moment uitkiezen de trom te roeren. Voeg daarbij de kakofonie van commentaren, bezwaren, kritieken en het gebruikelijke beleidsjargon, en u mag uw tranen de vrije loop laten. Stadsantropologisch is het Museumplein waarschijnlijk het dankbaarste studieobject van deze eeuw, maar voor hen die van het plein houden, zijn het zware tijden. Of je moet van surrealisme houden. In dat geval kan de liefde niet stuk. Ook al kiest ontwerper Sven-Ingvar Andersson voor een harmoniërende stedebouw, het blijft louter bien étonnés de vous trouver ensemble.
En op dit théâtre absurde is men nu begonnen met bouwen. Zo is er een weg afgezet, een vredesmonument verwijderd, een oorlogsmonument verplaatst en is de eerste proeve van urban design van de hand van Andersson, de cirkel van licht, inmiddels in werking. Een hilarisch design.
Maar ook het echte werk is nu begonnen. Vijf jaar na de presentatie van het schetsontwerp is het dan zover: de eerste paal voor de uitbreiding van het Van Gogh-museum is geslagen. Tot in 1999 zal er gewerkt worden aan het paviljoen van Kisho Kurokawa, dat zich sinds het eerste ontwerp ontwikkelde van een ronde tot een ovale trommel.
Er is tot nu toe weinig geschreven over de hybride van Gerrit Rietvelds ascetische architectuur en de zachte ‘symbiotische’ vormen van Kurokawa. Volgens het criterium van architectonische integriteit is deze combinatie een gotspe. Architectonische integriteit is echter een maatstaf die nauwelijks nog gehanteerd wordt en zeker op het Museumplein komen we er niet ver mee. Wat dat betreft had er geen betere architect kunnen worden gevonden dan Kurokawa. Niets in het enorme oeuvre van deze Japanse architect/mediapersoonlijkheid wijst erop dat we met een getormenteerde, ascetische ziel te maken hebben. Gezien zijn staat van dienst en de populariteit waarin hij zich al decennia mag verheugen, kan hij geen weet hebben van wat het is miskend te zijn. Van Goghs oriëntalisme zou hij, mocht hij er iets van weten, verre van zich werpen. En ook diens boertige karaktertrekken zijn Kurokawa volledig vreemd. De dialectische levensvisie waarvan Van Gogh zich bediende, wordt in het filosofische oeuvre van Kurokawa ongeveer tot volksvijand nummer een gemaakt, terwijl diens propaganda voor symbiose, als het filosofische, antiromantische denkraam van de eenentwintigste eeuw, door Van Gogh volstrekt onbegrepen zou zijn. De intellectuele afstand tussen de kunstenaar en de architect die het huis voor zijn werk ontwerpt, is veel groter dan alleen de afstand tussen eind-negentiende en eind-twintigste eeuw, of tussen Japan en Nederland; men heeft gekozen voor een architectuur die intrinsiek het wereldbeeld waarop de kunstenaar ooit steunde, verwerpt. Het enige wat wereldwijd van dat wereldbeeld nog wordt gewaardeerd is het drama, het spektakel van de innerlijke kwelling die er het gevolg van was. En precies dit spektakel is een aspect waar Kurokawa uitstekend raad mee weet. Het zorgde ook voor het Japanse kapitaal dat voor de nieuwbouw nodig was. Een kubus en een ovaal: ach, toch niet zo heel étonnés de vous trouver ensemble.