Profiel: Schaamte als beschavingsgids

Een tweekoppig monster

In de laatste decennia hebben we de schaamte iets te driest uit ons repertoire geschrapt. Misschien is het tijd voor een herwaardering, een hernieuwde kennismaking met deze – individueel én sociaal – cruciale emotie. Maar wie is zij eigenlijk?

Als we ons de schaamte als een persoon voorstellen, zou het in principe mogelijk moeten zijn een profiel te schrijven, een korte samenvatting van iemands eigenaardigheden en karakter. Maar bij schaamte is dat bijna onbegonnen werk. Want de schaamte komt niet met uitgestoken hand naar je toe, de schaamte stelt zich niet als zodanig voor; de schaamte overvalt je, en kijkt weg.

Small masaccio expulsion 1427

Zodra je de schaamte personaliseert, merk je dat je met een zeer schichtig karakter te maken hebt; ogen neergeslagen, gemompelde groet. Het is een emotie die zich nauwelijks laat vastpinnen of definiëren. Maar de uitwerking is er niet minder om.

Schaamte speelt een rol in het leven van praktisch iedereen. De mensen die geheel zonder schaamte zijn, en die we dan wel ‘schaamteloos’ noemen, winnen met die kwalificatie niet de harten van anderen. Want zo zonder een greintje schaamte komen we al snel in de verleiding te denken dat zo iemand geen geweten kent, geen morele grenzen, en zo belanden we in het gebied van de sociopathie.

Maar het luistert nauw, want zodra we een teveel aan schaamte opmerken, zijn we ook gealarmeerd, zeker nu we de laatste decennia hebben afgesproken dat er een nieuwe norm bestaat die gehaald moet worden: lekker in je vel zitten, helemaal thuis zijn in je lichaam. Schaamte is hier niet alleen de spelbreker, maar ook het signaal dat er van alles broeit onder de oppervlakte; degene die zich schaamt is het tegendeel van het vrije blije type dat we in de jaren zeventig en daarna op de troon hebben gehesen.

Als we in vogelvlucht, en volstrekt schetsmatig, de geschiedenis van de schaamte bekijken, haar cv zogezegd, valt vooral de sterk wisselende waardering op. De geboorte van de schaamte staat beschreven in het bijbelboek Genesis: ‘En zij waren naakt, de mens en zijn vrouw (!), maar zij schaamden zich voor elkander niet (2:25). Toen werden hun beider ogen geopend, en zij bemerkten dat zij naakt waren, zij hechtten vijgenbladen aaneen en maakten zich schorten.’ (Gen 3:7) In het begin was er het Paradijs: maar toen Adam en Eva Gods gebod overtraden en aten van de boom van kennis van goed en kwaad bemerkten zij elkaars naaktheid, en kwam de schaamte in hun leven – een schaamte die doorwerkt tot op de dag van vandaag. De schaamte begint dus als een straf, als gevolg van de zondeval.

Maar, fast fast forward, er zijn ook periodes aan te wijzen waarin schaamte wel degelijk een positieve connotatie kende. Er is de Victoriaanse tijd, die tegenwoordig bijna net zo mythisch lijkt als het bijbelverhaal, toen schroom, gêne en bedeesdheid vooral voor vrouwen aanbevelenswaardig waren, zeker wanneer het ging om liefde en seksuele betrekkingen. En ook van de gewone werkman werd het op prijs gesteld als hij timide zijn plaats kende, en in woord en daad beleed dat er een standsverschil bestond tussen de bazen en de werklieden van de wereld.

Schaamte als het teken dat je op de hoogte bent van de maatschappelijke conventies, en die ook respecteert. Jan met de pet nam de pet af voor de heer met de hoed. De hoed tikte even met zijn hand aan de rand, en daarmee was alle hartelijkheid wel vergeven.

Het is relatief nog maar kort dat schaamte en aanverwante gevoelens in zo’n bedenkelijk daglicht staan. In Nederland verscheen in 1976 het beroemde boek van Anja Meulenbelt De schaamte voorbij. De titel had niet beter gekozen kunnen zijn, want overal in de westerse wereld werd gezocht naar persoonlijke bevrijding, voor vrouwen, voor homo’s, voor zwarten en gekleurden: want er was sprake van onderdrukking, door ideologieën en structuren misschien, maar vooral ook door mensen.

Meulenbelts boek was een internationaal succes, en vatte de strijdkreet van een tijdperk samen. Het is nog niet eens zo eenvoudig vast te stellen wat die titel nu moest betekenen: lag ‘voorbij de schaamte’ de schaamteloosheid, was dat Meulenbelts wensdroom? Ik geloof het niet, in haar wordingsgeschiedenis vertelt ze het autobiografische verhaal van een meisje dat zoekt naar een bevredigend maatschappelijk leven (waarbij inbegrepen een bevredigend liefdes- en seksleven, want ‘het persoonlijke is politiek’); zij stuit daarbij op hypocrisie en vernederingen, met als kern: de ongelijkheid van de seksen. Uiteindelijk ontwikkelt de vrouw zich tot een actief feministe, en ondanks de pijnlijke ervaringen besluit ze zich niet langer te schamen, zij weigert zich klein te maken, en voegt de daad bij het woord. Met de publicatie van haar boek staat niet de schrijfster ‘in haar hemd’, maar de samenleving. Het persoonlijke leed is maatschappijkritiek geworden. ‘De schaamte voorbij’ lost – vast onbedoeld – een bijbelse verlossingsbelofte in.

Dit zijn de afspraken, en wie ze schendt, moet zich een houding geven tegenover de groep die alles zag

Het bleek het recept voor tal van bevrijdingsbewegingen: dat ik mijn homo-zijn niet vanzelfsprekend koppel aan schaamte, dat ik er ook nog een tijdje ‘trots’ op ben geweest, is een uitvloeisel van die tournure.

Maar ook leek het vanaf die tijd alsof schaamte alleen maar iets slechts en negatiefs kon zijn. De onbetrouwbare, gelikte huis-aan-huisverkoper die je allerlei volmaakt onnutte zaken probeerde aan te smeren. Schaamte: was dat niet louter het gevolg van beperking en onderdrukking? Was het niet raadzaam alle schaamte voorbij te gaan, zoals wij ook een tijdlang volautomatisch opdreunden: een taboe? Moet doorbroken worden. Altijd en overal.

Ik meen dat een herwaardering van de schaamte nodig is, een hernieuwde kennismaking met een emotie die we iets te driest uit ons repertoire hebben geschrapt.

En natuurlijk jengelt alles nu om een Definitie. Wat is schaamte dan precies? Bestaat er een gelijkende ‘opsporing-verzocht-foto’? Nauwelijks, schaamte verstaat de kunst op de gekste momenten te verschijnen, en zich in vele gedaanten voor te doen.

Opvallend is dat Sigmund Freud zo weinig over schaamte heeft geschreven. Hij merkt op dat het ‘een afweermechanisme is tegen voyeuristische en exhibitionistische gevoelens’. Dat is weinig specifiek. Het lijkt erop dat Freud de schuld – het stiefbroertje van de schaamte, niet biologisch verwant, wel sociaal – veel serieuzer nam, en de neiging had om ‘schaamte’ te zien als een ‘vermomming’ van het schuldgevoel. Voor Freud leidt schuld veel rechtstreekser naar de gewetensfunctie, en is daarmee interessanter dan schaamte. De antropologische tegenstelling tussen zogenaamde ‘schuldculturen’ versus ‘schaamteculturen’ is hier een afgeleide van.

Het lijkt erop dat schuld een emotie is die richtinggevend kan zijn. Schuld zet aan tot handelen, schuld zoekt straf. Je kunt een schuld ook delgen. Schaamte daarentegen functioneert veel diffuser: het maakt angstig, het werkt verlammend, degene die zich schaamt wil het liefst verdwijnen, ‘door de grond zakken’. Schaamte zoekt een masker. Freud had het al over acute ‘gevoelens van minderwaardigheid’ en degene die zich schaamt doet het allemaal: slaat handen voor ogen, begint te stotteren, te hinniken, kleurt in het gezicht (ook zwarte mensen), weet zich met zijn houding geen raad. Bij honden zeggen we: dit is onderwerpingsgedrag.

En bij mensen stellen we vast: de beschaamde stelt zich voor, of maakt ook daadwerkelijk mee hoe andere mensen op hem neerkijken, haar uitlachen of veroordelen. Er is dus een koor (imaginair maar vaak ook reëel) dat jou betrapt op een sociale misstap. Er wordt een norm overtreden, je hebt de afspraak geschonden en nu wil je weer aangenomen worden door de groep.

De beschaamde laat zien dat de groepsnorm hem ernst is, en dat de overtreding hem niet is ontgaan. Zo bezien is degene die zich schaamt de conformist, de man of vrouw van de lieve vrede. Het is niet verwonderlijk dat zo’n antirevolutionair type in de linkse bevrijdingsjaren niet in hoog aanzien stond.

Wanneer het onmogelijk is het onderwerp van je profiel in levenden lijve te ontmoeten, wijk je uit naar de omgeving van die persoon, naar kennissen en intimi. Heleen J. Terwijn is een goede bekende van de schaamte, zij schreef in 1993 haar afstudeerscriptie Een emotie-theoretische benadering van schaamte, en deed ook daadwerkelijk empirisch onderzoek onder 46 proefpersonen. Zij liet die mensen, alleen in een geluiddichte ruimte, praten tegen een cassetterecorder over al hun schaamte-ervaringen, waarna ze de verhalen doorlas en uitwerkte. Dit is de psycholoog die de altijd terugdeinzende schaamte op heterdaad heeft geprobeerd te betrappen.

Het lijkt wel of elk partijtje staat of valt met die ene persoon die er niet thuis is: de persona non grata

Bovendien was ze, samen met de inmiddels overleden analyticus Louis Tas, een van de oprichtsters van het zogenaamde schaamteclubje: vanaf 1993 tot 2009 kwam een wisselend gezelschap van analytici en sociologen, journalisten en schrijvers maandelijks bijeen om zich over het fenomeen schaamte te buigen.

Terwijn maakt meteen het onderscheid tussen twee soorten theorieën, die bij schaamte van belang zijn: een intrapsychische en een sociologische.

In het laatste geval, waar Terwijn zich op concentreerde, gaat het altijd over groepsnormen: ‘Mensen die zich schamen zijn bang voor afwijzing; bang uitgestoten te worden door de groep waar ze bij willen horen. Om niet afgewezen te worden, sluit degene die zich schaamt zich bij de afwijzers aan.’

Hier, en dat is mijn conclusie, treedt schaamte op als het conventievehikel: dit zijn de afspraken, en wie ze schendt, moet zich een houding zien te geven tegenover de groep die alles zag.

Terwijn ontdekte tijdens haar onderzoek dat mensen zich ook kunnen schamen voor iets wat zij bij anderen in het geheel niet aanstootgevend vinden.

Dus mevrouw A gaat blozen, schaamt zich, maar blijkt bij navraag te vinden dat iemand anders in net zo’n situatie zich nergens druk over hoeft te maken. ‘Dat noem ik de ego incongruente schaamte’, zegt Terwijn, ‘een particuliere emotie, die nog niets zegt over een algemenere norm.’ Daarnaast merkte ze tijdens het onderzoek dat er ook ‘ego congruente schaamte’ voorkwam. Mijnheer B schaamt zich en vindt dat eigenlijk iedereen in zijn situatie hetzelfde moet doen. Hier wordt een groepsnorm bevestigd.

#MeToo is typisch een ‘ego congruent verschijnsel’. De slachtoffers schamen zich, en vinden vooral ook dat de daders zich moeten schamen. En daarna schuld moeten bekennen. En straf verdienen. Die omzetting van schaamte naar beschaming naar schuld verloopt moeizaam. Want schaamte roept schaamte op; zo blijft er een schaamtekluwen over en wil die schuldbekentenis er maar niet van komen. Maar cultureel is er een kentering; de seksuele mores verschuiven. En schaamte, schuld en schande zijn de motor.

Schaamte als snijdende emotie, die de beschaamde weinig anders laat dan te verdwijnen. Soms letterlijk. Het verhaal van Aleks Korzec, vriend en psychiater. Hij bezoekt een feest, waarbij wordt gevierd dat er ‘een jarig is’: een vrouw wordt vijftig. Familieleden en vrienden hebben een groot banier aan het huis bevestigd, met daarop een tekst die als grap is bedoeld, maar die Korzec treft als meer dan smakeloos: ‘Bakker, wij hoeven vandaag geen brood, we hebben hier al een oude taart.’ Iedereen lacht, maar Korzec wordt door schaamte overvallen. Preciezer gezegd: door plaatsvervangende schaamte. Hij heeft zelf part noch deel aan de tekst. De lachende mensen voor het huis ginnegappen niet om hem. De foute grap valt de jarige ten deel. Maar Korzec wil maar één ding: weg van hier.

Op elk feest of jubileum, zeker als er iemand direct wordt toegesproken, is het de bedoeling de jubilaris of jarige te eren, maar ook een beetje te beschamen. De grappige speech knarst altijd licht. Op een trouwerij wordt giechelend een verhaal opgedist dat voor een van beide partners niet echt vleiend is. Het schaamrood van de toegesprokene geldt wel als kers op de taart van de spreker. But it’s a fine line. Een beetje plagen… oké, maar wie de ander regelrecht beschaamt, wordt zelf een niet gewenste gast.

‘Praktijken als slavernij en het afbinden van vrouwenvoeten wekken van het ene op het andere moment schaamte op’

Het lijkt wel of elk partijtje staat of valt met die ene persoon die er niet thuis is: de persona non grata. De vriend met de plaatsvervangende schaamte heeft waarschijnlijk de bijeenkomst gered en de lachende saamhorigheid versterkt. Maar ook: hij heeft een kritische kanttekening geplaatst. Zijn individuele schaamte heeft de heersende mening uitgedaagd, de mores.

De socioloog Norbert Elias heeft in zijn standaardwerk Het civilisatieproces, dat al voor de Tweede Wereldoorlog verscheen, en dat pas na die tijd echt werd opgemerkt, laten zien dat ‘schaamte’, als collectieve emotie, de kern uitmaakt van wat hij het beschavingsproces noemt. Terwijl de psychotherapeut opmerkt: ‘Wie zich schaamt denkt zich een honend publiek’, zegt de socioloog: ‘Wie zich schaamt, denkt aan de ander.’ Zo is het een teken van impulsbeheersing dat mensen bereid zijn af te zien van geweld, groepshaat of grofheid in woord en daad. Schaamte is dan een teken dat er een kentering staat aan te komen; dat er nieuwe gedragsregels ingang zullen vinden. Schaamte als geigerteller die nog onzichtbare veranderingen signaleert.

De socioloog Joop Goudsblom, de grote wegbereider van Elias in Nederland, omschreef ‘schaamte’ heel bondig als ‘sociale pijn’. En ‘sociale pijn’ kan weer leiden tot ‘sociale strijd’. Ook wanneer de pijn het individu niet direct treft, kan het ondraaglijk zijn ermee geconfronteerd te worden. Plaatsvervangend wordt er geschaamd, de individuele emotie wordt uitgebreid tot een groepsgevoel, de krenking raakt gecollectiviseerd. De plaatsvervangende schaamte haakt zich aan een zelf beleefde schaamte.

Nooit wordt intenser plaatsvervangend geschaamd dan zo rond de puberteit: het gaat meestal om je vader en moeder, soms om een enkele oom en ze doen alles zo ontiegelijk fout. Wat precies? Nu ja, alles eigenlijk. Mensen worden geacht hier later overheen te groeien, wanneer ze zich voldoende hebben losgezongen van hun ouders en een eigenstandig leven zijn begonnen. Dat is het moment waarop we ons weer gaan schamen voor de schaamte van toen. Schaamte kan als geen ander na-ijlen, in een wolk van wel twintig jaar.

Maar die plaatsvervangende schaamte is niet alleen puberaal; het is een emotie die uitkomst biedt in een situatie waarbij de persoon die zich schaamt geen reële schuld te verwijten valt, terwijl het ongemak toch zeer persoonlijk wordt ervaren. Neem Martine Gosselink, hoofd geschiedenis van het Rijksmuseum in Amsterdam. Onder haar regie vond vorig jaar de tentoonstelling Goede Hoop plaats, over de historische relatie tussen Nederland en Zuid-Afrika; in 2020 staat er een slavernijexpositie op het programma, en in 2021 zal de dekolonisatie van Indonesië worden behandeld. In NRC Handelsblad verklaarde Gosselink dat ze bij dit soort pijnlijke onderwerpen, waar Nederland rechtstreeks mee te maken had, maar zij als Nederlandse veertiger al veel minder: ‘Ik voel schaamte. Dat is een vorm van empathie, die mij inzicht kan geven in gebeurtenissen die ik niet heb meegemaakt. Ik vind schaamte een heel waardevolle emotie. Dat is mijn kompas.’

Hier is schaamte wel degelijk een leerprogramma, dat een pijnlijke inhoud kan ontsluiten, zonder dat de onaangename feiten worden afgeweerd. Iemand is niet persoonlijk schuldig, maar leeft en voelt wel mee, en neemt een verantwoordelijkheid op zich. Gosselinks ‘schaamte als kompas’ maakt niet machteloos, maar stelt er juist een eer in de zaken onder ogen te zien en zichtbaar te maken, die in Nederland lang verdonkeremaand werden.

Ook de Brits-Ghanese filosoof Kwame Anthony Appiah stelt in zijn boek De erecode dat ‘een morele revolutie gepaard gaat met een snelle verandering in moreel gedrag, en niet alleen van morele gevoelens’. Wie schaamte voelt, meent Appiah, kan aan de hand van die gedeelde schaamtegevoelens een ‘eergemeenschap’ vormen, die zich ten doel stelt de dingen anders te doen. Wij denken bij ‘eer’ nu bijna in één adem aan ‘eerwraak’. Maar het kan ook iemands eer worden om geschonden eer juist niet fysiek te wreken. ‘Want het zijn niet de rationele argumenten die zo’n morele omwenteling bewerkstelligen, maar eerder verschuivende gevoelens van eer. (…) Praktijken als slavernij en het afbinden van vrouwenvoeten waren tijdenlang de gewoonste zaak van de wereld, maar wekken van het ene op het andere moment schaamte op. Ze zijn niet langer eervol.’

Het antidotum tegen schaamte: niet trots, maar eer. En ook: schaamte, niet alleen als individuele afwijzing, maar als collectieve kritiek. Eer kan de eenzame beschaamde met een nieuw collectief verbinden, ‘eer’ laat zien dat er een missing link is tussen schuld en schaamte. Zie ook het woord ‘ereschuld’; die kan ingelost worden. En deze ‘nieuwe’ schaamte hult zich niet in machteloosheid, maar treedt op, en uit zich in veranderd gedrag.

Schaamte, zo moet de conclusie luiden, is een tweekoppig monster, en kent alle trekken van de gespleten persoonlijkheid. Er is de individuele schaamte, die sociale afwijzing markeert, en die ons allemaal tot angstige conformisten maakt. Maar er bestaat ook een schaamte die zich uitbreidt, anderen aansteekt en beschaamt, zodat verhoudingen en gedragingen die als ‘gewoon’ golden minder vanzelfsprekend worden, en op den duur als ongepast worden ervaren.

Die laatste vorm van schaamte is in opmars: de schaamte als beschavingsgids, als eerste, diffuus teken van verzet. Daarmee is geen glorieuze toekomst gegarandeerd. De geschiedenis leert wel: het tegendeel ervan, de resolute afschaffing van schaamte, zet de poorten van de hel wijd open.