Zomerverhaal

Een uiterst belangrijke boodschap

Waarom doe je niets, leek het oog onder het balkon me toe te roepen, maar ik had geen idee wat voor onheil moest worden afgewend.

Medium belangrijke boodschap

En opeens zie ik Jennifer, ze staat bij de poort van het dierenkerkhof. Ik zit aan de overkant, achter het raam van het café dat daar al sinds jaar en dag staat. Het raam is in tijden niet gewassen en mist rolt van de bovenstad naar beneden, ik zie de flarden langs zweven, maar ondanks de vettige ruit en de mist herken ik Jennifer, ze staat naast een van de zuilen van de poort. Boven op de zuil staat een ronde stenen bol, maar die heeft niets te maken met de dieren die achter het hek begraven liggen, vroeger was daar een park en de poort is de voormalige ingang van het park.

Misschien is ze me gevolgd en wacht ze tot ik weer naar buiten kom, misschien zijn haar honden eindelijk dood en heeft ze die zojuist begraven, en staat ze nu te wachten op de taxi die ze heeft besteld.

Ik buig me voorover en veeg over het raam, ik heb haar niet meer gezien sinds ze is verhuisd. Ze ziet er moe uit, zo vond ik haar vroeger op haar mooist. Ik ben moe van jou, zei ze dan, maar dat was lang niet altijd waar.

***

De honden van Jennifer woonden nog bij haar ouders, omdat onze etage te klein was voor twee Duitse herders, en traplopen niet goed is voor een hond. Jennifer nam regelmatig een dag vrij om naar haar ouders te gaan, zodat ze met haar honden kon wandelen, want ze had ze al van jongs af aan en miste ze erg. In het begin ging ik nog wel eens met haar mee, maar met steeds meer tegenzin. Jennifers ouders waren bebrilde intellectuelen die in een modernistische villa in het bos woonden. De villa had veel ramen, en het licht dat daardoorheen viel, weerkaatste voortdurend op hun brillenglazen, die daardoor veranderden in ondoorzichtig wit glas. Ik vond dat niet prettig, het was alsof je met robots te maken had. Ik heb nooit geweten wat die mensen van mij dachten. Wat Jennifers honden van mij dachten, wist ik wel: ze mochten mij niet. Ze blaften me met opgetrokken lippen toe, sprongen met hun oude, stinkende lijven tegen me op om me omver te duwen en als ik tijdens lange boswandelingen een stok gooide, lieten ze die zonder ook maar op te kijken ritselend in de struiken verdwijnen. Stokken die Jennifer gooide, gunden ze niet eens de tijd de grond te raken, die plukten ze uit de lucht.

‘Als je geen zin hebt, hóef je niet mee’, zei Jennifer nadat ik haar een keer wel erg duidelijk had verteld wat ik van het gedrag van haar honden vond. Vanaf toen liet ik haar alleen gaan.

‘Wat heb je de hele dag gedaan?’ vroeg ze als ze na zo’n dag thuiskwam. ‘Weer een beetje op het balkon rondgehangen?’

Jennifer vond dat ik te veel tijd op het balkon doorbracht. Zelf vond ik dat het wel meeviel. Ik had nu eenmaal niet zo veel te doen in die tijd. ‘Je staat gewoon een beetje naar de onderbuurman te gluren!’ riep Jennifer. We kenden de naam van de onderbuurman, maar we noemden hem altijd ‘de onderbuurman’. Ze had trouwens gelijk, ik keek vaak naar die man; al keek ik eigenlijk naar iets wat niet bestond.

***

De avond valt, de straatlantaarns branden zacht in de mist, als wattenbollen die van binnenuit worden verlicht. Iets van dat licht valt op Jennifer, die nog steeds naast de zuil met de stenen bol staat. Ze kijkt in de richting van de bovenstad, alsof ze zich afvraagt waar haar taxi blijft.

***

Soms zie je iets wat onmogelijk is en waardoor de wereld in een onbekende plek verandert; je dacht dat je er thuishoorde, maar dat is niet zo, alsof het vreemde waarvan je schrikt ook jou vreemd maakt.

Jennifer en ik zaten op haar achterbalkon te eten, ik was toen net bij haar ingetrokken, misschien was het wel de dag van de verhuizing zelf. Bewegingen in de tuin van de onderburen trokken mijn aandacht. Midden op het gras wankelde een vreemde, in het zwart gehulde gestalte, een ledenpop met naar achteren afhangende armen en benen die verkeerd scharnierden, iets wat eigenlijk niet kon bestaan. Maar het leefde, dat was te zien aan de manier waarop het zich overeind hield en voortbewoog. Het hoofd van de verschijning bestond uit een bleke bol waarop zich geen enkel kenmerk bevond, afgezien van een groot, wijd open oog dat intens naar mij staarde alsof van alles wat zich in zijn blikveld bevond ik het enige was dat zijn aandacht waard was.

Ik staarde terug, leeg en roerloos. Eén van ons tweeën kon niet bestaan, en nu ik dit ding duidelijk zag, was mijn bestaan onzeker geworden. Ik voelde mij niet meer als mezelf, alsof mijn identiteit aan het oplossen was.

Eén van ons tweeën kon niet bestaan, en nu ik dit ding duidelijk zag, was mijn bestaan onzeker geworden

‘Het is al een oud hondje’, zei Jennifer, maar het was geen oud hondje, het was manshoog en liep op twee poten, het was een parodie op een mens, iets wat een niet al te intelligent lid van een buitenaards ras zou vervaardigen wanneer het na een bliksembezoek aan onze planeet uit het hoofd een mens zou proberen te reconstrueren. Toen draaide het wezen zich om, en verschoof alles tot een wereld die weer klopte: de verschijning veranderde in een man met een zwart shirt en een zwarte spijkerbroek, met een gewoon hoofd, met ogen, oren, een neus en een mond – alleen was hij kaal als een biljartbal en had hij hoog op zijn achterhoofd een groot oog laten tatoeëren. Nu zag ik ook de hond waarover Jennifer het had gehad, een klein zwart beest met een mottige vacht dat met stijve poten langzaam door het gras liep.

‘Dat is mijn onderbuurman, met Kazan’, zei Jennifer. ‘Die wonen hier al jaren, langer dan ik.’

De man in de tuin keek met samengeknepen ogen omhoog, naar ons. ‘Zo, lekker buiten aan het eten?’ riep hij. In zijn toon vermengden zich jovialiteit en agressie, alsof hij het prettig voor ons vond dat het zulk mooi weer was dat we op het balkon konden eten maar ons gedrag tegelijkertijd als een overtreding beschouwde die hij deze keer door de vingers zou zien.

Ik had weinig aandacht voor de dreiging die van zijn toon uitging, al zijn eigenschappen vielen weg vergeleken met het oog op zijn achterschedel, dat weer zichtbaar werd toen hij zich omkeerde om iets tegen zijn hondje te zeggen. Het was een in simpele, groenig-zwarte lijnen getrokken oog, zonder wimpers, zonder ooglid, een scherpgepunte ovaal met daarin een cirkel die was voorzien van een grote donkere middenstip.

***

Tijdens de rest van de maaltijd keek ik voortdurend naar beneden. De onderbuurman bleef met zijn hond in de tuin rondlopen, en telkens wanneer hij zich zó bewoog dat vanaf mijn standpunt gezien zijn gezicht plaats maakte voor zijn achterhoofd onderging ik weer die vreemde omkering van de eerste keer – de door het getatoeëerde oog afgedwongen perspectiefwisseling waardoor ik zijn achterkant als zijn voorkant ging beschouwen en die zijn gestalte en elke beweging die hij maakte onrustbarend en onverklaarbaar maakte. Telkens weer veranderde de man van een mens in een vreemde, zwalkende ledenpop waarop bij wijze van hoofd een met huid overtrokken grote gloeilamp was geplaatst die mij met zijn cyclopenoog strak aanstaarde.

Want het staarde naar míj. Hoe vaak het oog ook zijn blik liet ronddwalen over de achtergevels en de andere tuinen, het keerde altijd terug naar mij, alsof het iets in mij had herkend.

‘Het wordt fris, het toetje eten we binnen’, zei Jennifer. Ik volgde haar het huis in, maar mijn koffie dronk ik later op het balkon. De onderbuurman liep nog steeds in zijn tuin rond, met in zijn hand een flesje bier dat hij zo nu en dan aan zijn mond zette, en ik wachtte op de momenten waarop door zijn bewegingen de wisseling zich voltrok en het oog naar mij keek.

***

In de weken die volgden werkte het oog zich steeds dieper mijn bewustzijn binnen. ‘Je brengt te veel tijd door op het balkon’, zei Jennifer. ‘Ik vind het een prettig balkon’, zei ik, ‘ik kan er goed nadenken.’ In werkelijkheid liep ik naar het balkon zodra ik beneden de tuindeuren hoorde opengaan. Ik zocht het oog en het oog zocht mij. Wijd opengesperd zwenkte het heen en weer, tot het mijn blik vond. Soms was het alsof het zich wijder opensperde als het mij zag, niet uit verbazing, maar om zijn kracht te vergroten, alsof het een uiterst belangrijke boodschap voor mij had, een boodschap die in de loop der weken alleen maar aan indringendheid won. Op bepaalde momenten leek de blik van het oog een waarschuwing in te houden, dan weer een verwijt of een oproep om te handelen, alsof alles van mij afhing. Maar ik kon de boodschap niet ontcijferen. Ik kreeg de neiging het oog toe te schreeuwen, om te vragen wat het mij probeerde duidelijk te maken, en op een middag betrapte ik me erop dat ik op het balkon heftige gebaren stond te maken, bij wijze van geluidloze uitnodiging tot helderheid. De onderbuurman keerde zich om en ik vervolgde mijn gebaren, kalm en bestudeerd, alsof ik aan een ingewikkelde gymnastiekoefening bezig was.

Wanneer ik ’s nachts naast Jennifer lag, zag ik het oog boven mij zweven. Tijdens een van die nachten hoorde ik gedruis in de achtertuin. Ik maakte aanstalten om uit bed te stappen, maar Jennifer pakte mijn arm vast met een greep die pas verslapte toen ze weer in slaap viel.

***

Ik was zo gefascineerd door het oog, dat ik pas naderhand begreep wat de onderbuurman elke dag in zijn achtertuin deed: hij liet Kazan uit. De kleine oude hond kon bijna niet meer lopen; een paar keer per dag wat langzame rondjes door de tuin was het enige waartoe hij in staat was. De onderbuurman keek toe en sprak zachte woorden die ik op het balkon niet kon verstaan. Wanneer het beestje door zijn achterpoten zakte, schoot de zijn baas toe en spreidde een stuk keukenpapier onder het poepgaatje uit. Het hondje perste dan een kleine zachte keutel op het papier. Zodra hij daarmee klaar was, veegde de onderbuurman met een ander stukje papier het achterste van het hondje schoon. Terwijl Kazan nog wat door de tuin dribbelde en hier en daar aan iets rook, pakte de onderbuurman het papier met de keutel, vouwde het dicht en gooide het samen met het andere papiertje in de vuilnisbak. Tijdens al deze handelingen keek het oog mij aan, alsof het zich ervan wilde verzekeren dat ik dit waarnam en de betekenis begreep die erin verborgen lag.

Medium belangrijke boodschap
Toen ik opkeek, zag ik Jennifer zwijgend toekijken vanaf het balkon. Toen ik nog eens keek, was ze weg

Als het warm genoeg was, lag Kazan op een dekentje op het gras, terwijl de onderbuurman in een tuinstoel een tijdschrift over motoren of de Tweede Wereldoorlog zat te lezen. Dan was het alsof een slangachtig wezen met zijn buik tegen de rugleuning van de stoel gedrukt naar mij keek terwijl het met zijn vreemd scharnierende armen achter zijn rug een tijdschrift vasthield. Wanneer de onderbuurman in het weekend met vrienden in leren jacks in de achtertuin bier stond te drinken, keek het oog te midden van blinde schedels naar me met een blik die een bepaalde verstandhouding leek uit te drukken.

***

‘Je moet maar op het balkon gaan wonen’, zei Jennifer regelmatig. Toch ging ze met me mee toen de onderbuurman ons uitnodigde voor een barbecue. We waren niet de enige gasten, de tuin stond vol mensen. Ik herkende een aantal buren, en de vrienden in de leren jacks waren er ook, ze hadden hun geblondeerde vrouwen meegenomen. Ik probeerde voortdurend een glimp van het oog op te vangen. Een buurman van een paar huizen verder vroeg of ik schilder was, of beeldhouwer. ‘Je loopt om onze gastheer heen als een kunstenaar die zijn maten in zich opneemt.’

Het was die middag vrijwel onmogelijk om de blik van het oog te vangen. Nadat ik mijn pogingen had opgegeven, raakte ik in verschillende gesprekken verzeild. Ook de onderbuurman praatte met me, zijn toon vertoonde geen spoortje van agressie, hij legde zelfs een hand op mijn schouder. Zijn ogen stonden vriendelijk, ik ontdekte kleine lachrimpeltjes hoewel ik hem nooit had horen lachen, en hij vertelde me over Kazan, die hijgend op een dekentje in de hoek van de tuin lag. Het was een ontroerend verhaal en ik dacht niet meer aan zijn achterhoofd, maar toen ik later met mijn hamburger op een plastic bordje tussen de gasten door liep en het oog tevergeefs naar boven zag staren, zette ik mijn maaltijd neer en rende ik onder het mom dat ik iets vergeten was naar boven om op het balkon zijn blik te kunnen vangen. Terug in de tuin vroeg Jennifer of ik gek geworden was. Ik hield vol dat ik echt iets vergeten was, maar toen ze vroeg wat dan wel, kon ik zo gauw niets verzinnen.

***

Buiten is het bijna donker. De mist golft in het licht van de straatlantaarns. Het hek van het dierenkerkhof staat open, ik weet niet of dat de hele tijd al zo was. Hoe langer ik naar buiten kijk, hoe meer ik in de mist zie bewegen. Ik zie donkergrijze vormen, kleine, langgerekte schimmen, honden en katten die vanuit de bovenstad met de mist mee zweven en door het openstaande hek in het dierenkerkhof verdwijnen – alsof ze een catastrofe voelen aankomen waarvan wij, met onze ongevoelige, in de loop van de evolutie afgesleten antennes geen weet hebben, en ze zichzelf nu alvast komen melden, om de grote chaos voor te zijn. Jennifer is verdwenen. Misschien is ze met de stroom naar binnen gegaan, helemaal naar achteren, waar de verse graven zijn; misschien is ze daar zelf aan het graven geweest en zag ze er daarom zo vermoeid uit.

***

De barbecue bij de onderbuurman luidde het einde van de zomer in, tijdens de herfst werd het kouder op het balkon. Ik hing een jasje bij de balkondeuren dat ik aanschoot als ik naar buiten stapte en dat door Jennifer steeds weer op de kapstok in de gang werd opgehangen wanneer ze van haar werk kwam.

Pas tijdens de uren die ik in de herfst op het balkon doorbracht, kreeg ik oog voor de liefdevolle wijze waarop de onderbuurman met Kazan omging. Het hondje liep zijn rondjes steeds moeizamer, het duurde steeds langer voor hij zich trillend en bevend boven het klaargelegde velletje keukenpapier had ontlast, maar de onderbuurman verloor nooit zijn geduld en bleef zacht tegen het hondje praten. Soms richtte hij zich naar mij, en wisselden we een paar woorden. Mijn aanwezigheid op het balkon leek hem nooit te verbazen. Ik voelde dat er een band ontstond tussen deze man, zijn hondje en mij, maar wanneer de onderbuurman zich dan weer omdraaide, drong zijn andere gestalte zich met zoveel kracht aan me op dat de man zelf verbleekte tot een schim, een vredig droombeeld dat met het ontwaken was verdwenen. Krachtiger dan ooit staarde het oog me aan, met een urgentie die omsloeg in radeloosheid. Waarom doe je niets, leek het me toe te roepen, maar ik had geen idee wat voor onheil moest worden afgewend.

Tijdens een van deze herfstdagen hoorde ik vanuit de achtertuin een hoog en schel gehuil opklinken. In de half-bewuste aanname dat het oog nu de beschikking over stembanden had gekregen rende ik naar het balkon. Het opengesperde oog keek mij aan, koortsig, vurig, wankelend op zijn benen, met Kazan in zijn achterwaarts scharnierende armen, alsof het zich klaarmaakte om het hondje met een grote krachtsinspanning over zijn hoofd naar mij te gooien.

De illusie was zo sterk dat ik geschrokken achteruit deinsde. Meteen daarop keerde ik me om en rende naar beneden, naar de voordeur van de onderbuurman. Het was mijzelf ook niet helemaal duidelijk waarom ik dat deed, het was een instinctieve reactie, alsof ik zonder mezelf tijd te gunnen er verder over na te denken, wilde voorkomen dat het hondje daadwerkelijk gelanceerd zou worden. Pas later begreep ik dat ik niet het oog had willen tegenhouden, maar de onderbuurman wilde helpen, die ik hartverscheurend huilend in zijn tuin had zien staan, terwijl hij met gebogen hoofd neerkeek op het hondje dat hij in zijn armen droeg.

De onderbuurman deed alleen maar open omdat hij dacht dat ik de dierenarts was, vertelde hij later. Die arts arriveerde vrijwel op hetzelfde moment, zodat wij met z’n drieën naar de achtertuin liepen, waar Kazan zacht piepend op zijn dekentje lag. We knielden naast het hondje neer. De dierenarts opende zijn zwarte leren tas en begon voorbereidingen te treffen om Kazan te laten inslapen. De onderbuurman leek zich niet aan mijn aanwezigheid te storen, integendeel; hij greep mijn hand toen de dierenarts Kazan injecteerde.

Toen de dierenarts vertrokken was, haalde de onderbuurman een schop uit zijn tuinschuurtje. Hij stak een rechthoek af in het gras en begon te graven. Na een paar scheppen zand gaf hij het huilend op. Ik nam de schop van hem over en groef door, met kalme bewegingen. Het was alsof dit allemaal was vastgelegd in een ontwerp dat ik volgde zonder dat ik er van tevoren van op de hoogte was geweest; het was geen ontwerp dat deel uitmaakte van een verzameling mogelijkheden, het was het enig mogelijke, en daarom deed ik wat ik deed. Al gauw stond het zweet op mijn voorhoofd. Toen ik opkeek, zag ik Jennifer zwijgend toekijken vanaf het balkon. Toen ik nog eens keek, was ze weg.

De onderbuurman rolde Kazan voorzichtig in zijn dekentje. Met de bundel in zijn armen keek hij toe hoe ik groef. ‘Nu is het diep genoeg’, zei hij. We lieten de bundel in het graf zakken, daarna maakten we de kuil dicht, ik met de schop, hij met zijn handen. Terwijl hij mijn laatste scheppen zand gladstreek, had hij het over een steen, of een of ander monumentje. Dit zijn huurhuizen, dacht ik, wat gaat hij doen als hij gaat verhuizen? Maar de onderbuurman bleef, en ik ook; het was Jennifer die vertrok.

***

De avond is gevallen, het is drukker geworden in het café. Onder mijn tafeltje roert de jonge Kazan zich, alsof hij lucht heeft gekregen van de schimmen die naar het dierenkerkhof trekken en met ze mee wil door de poort. Hij komt overeind, zijn ketting schuurt langs de stalen drinkbak die de vrouw achter de bar voor hem heeft neergezet. ‘Koest Kazan’, fluister ik. ‘We gaan zo terug naar de baas.’ Hij gaat weer liggen, en legt zijn kop op zijn voorpoten. Buiten hangt de mist roerloos in het wattige licht van de straatlantaarns. Jennifer is weg, de poort van het dierenkerkhof staat open, niets beweegt meer.

***

Een maand na de dood van Kazan kocht de onderbuurman een zwarte pup, die hij ook Kazan noemde. Samen hebben we haar zindelijk gemaakt. Eerst kwam ze niet verder dan de achtertuin, nu is ze bijna volwassen en neem ik haar mee op wandelingen door de stad. We zijn al een paar keer in het bos geweest. Ze luistert naar me. Wat ik weggooi, brengt ze terug.

De baas is tevreden. ’s Nachts, wanneer hij zich eindelijk van me wegdraait en in slaap valt, knip ik het lampje aan mijn kant van het bed aan. Met mijn wang op het kussen staar ik naar het oog op het andere kussen, het oog dat altijd wakker is. Het kijkt me nog steeds radeloos aan.