Grote ideologieën deel 3: De christen-democratie

Een uitvinding achteraf

Rond het bestaan van ‹de› christen-democratische ideologie hangt een zweem van een ‹invented tradition›. Het probleem van de christen-democratie begint al bij de twee samenstellende delen van het begrip zelf.

Zwolle, half april. Op uitnodiging van het Nederlands Dagblad zijn de drie «christenlijsttrekkers» bijeen. In een afgeladen zaal kruisen Bas van der Vlies (SGP), Kars Veling (ChristenUnie) en Jan Peter Balkenende (CDA) de degens. Er wordt vooraf gebeden, opdat het debat maar goed mag verlopen. En opdat er na de aanstaande verkiezingen een goede regering en volksvertegenwoordiging mogen zijn. Ook wordt er stevig gedebatteerd. Over de inhoud deze keer.

Voor Kars Veling is het een thuiswedstrijd. Met vrijwel iedere opmerking oogst hij aan het begin van de avond applaus. Uit een peiling vooraf bleek, weinig verrassend, dat de aanwezige lezers van het Nederlands Dagblad in overgrote meerderheid op de ChristenUnie, de fusie van RPF en GPV zullen stemmen. Toch krijgt Veling het nog knap lastig. Waarom is hij steeds maar weer te zien in het zedenloze televisieprogramma van Barend, Van Dorp en vooral Jan Mulder? En, wil de zaal weten, hoe ver gaat Veling, die graag lijkt te willen meeregeren, eigenlijk in zijn compromisbereidheid? Het CDA heeft in de jaren tachtig laten zien dat de zo gevoelige ethische kwesties bij een christelijke partij niet per definitie in goede handen zijn, meldt een van de aanwezigen in de zaal. De lijsttrekker van de ChristenUnie weigert echter aan te geven hoe ver hij in eventuele coalitiebesprekingen zou willen gaan. Met grapjes en handigheden weet hij de aanvallen van Balkenende te pareren. Balkenende vindt de ChristenUnie «te links», zegt hij, en Van der Vlies vraagt zich af of de Tien Woorden bij Veling wel in goede handen zijn.

Bijna slaagt Veling erin de thuiswedstrijd te verliezen. Totdat de gespreksleider aan Jan Peter Balkenende vraagt wat er nu eigenlijk nog christelijk is aan het CDA. «Het evangelie is ons richtsnoer van politiek handelen», verklaart de CDA-leider. «Dat komt naar voren in de stijl die je hanteert, bijvoorbeeld bij de opening van de vergadering.» Veling: «Waarom zo impliciet? Je komt de namen van God en Christus in CDA-stukken helemaal niet tegen!» Punt voor Veling.

Maar het is de vraag of de zaal er genoegen mee neemt. «Nog even en de ChristenUnie drijft net zo ver van de Schrift af als indertijd het CDA», oordeelt een van de gedreven gereformeerde krantenlezers na afloop.

De ChristenUnie lijkt sinds de fusie evenwel te groeien. In het CDA teleurgestelde kiezers schuiven op richting de partij van Veling. Het is ook zoveel helderder: de ChristenUnie is een duidelijke confessionele partij, waarvan alleen christenen lid mogen worden. Moslims, die het CDA met open armen binnenhaalt, zijn (tot tevredenheid van het om dit punt luid applaudisserende Zwolse publiek) bij de ChristenUnie niet welkom. Zodra de partij echter werkelijk regeringsverantwoordelijkheid draagt, zal het lastig worden de stijgende lijn te behouden. «Als oppositiepartij kun je op een aantal morele issues uitstralen alsof je dat anders gedaan zou hebben. Maar het leven is echter in de regel te geschakeerd om de ook door mij gewaardeerde leer in elke omstandigheid toe te passen», zegt Ab Klink, die voor hij directeur werd van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA toenmalig minister Hirsch Ballin op Justitie terzijde stond bij voor het CDA heikele onderwerpen als de abortuswetgeving.

Het CDA heeft dus wél jarenlang die regeringsverantwoordelijkheid gedragen. Totdat Paars kwam. Kamerlid Hans Hillen ontvouwde onlangs in de bundel De mond voorbij gepraat (Aspekt) zijn tamelijk zelfverzekerde analyse van de laatste jaren. «In de afgelopen eeuw hebben drie hoofdstromingen de politiek in Nederland bepaald: de christen-democratie, de sociaal-democratie en het liberalisme», schrijft Hillen. «Hoewel die eeuw eindigde met het CDA in de kreukels, terwijl PvdA en VVD sterk in beeld waren, lijkt het er op dat de onderliggende politieke stromingen naar een andere uitkomst leiden. Paars is een tijdelijk verbond van onvergelijkbare grootheden. De sociaal-democratie verdwijnt, het liberalisme heeft het tij mee. Paars is dan ook niets, hoogstens een tijdelijke politieke reactie op een eeuw overheersende christen-democratie.»

Je zou zeggen dat Hans Hillen zich met zijn onwankelbare vertrouwen in de kracht van de christen-democratie geschraagd voelt door een krachtige, hecht doortimmerde ideologie die de concurrentie met de andere twee politieke hoofdstromen moeiteloos aankan. Nu is de Nederlandse christen-democratie zeker een politieke stroming, maar anders dan bij het liberalisme en de sociaal-democratie is er nauwelijks sprake van een echte ideologie. Waar beide andere stromingen op ideologisch vlak heel wat water bij de wijn hebben gedaan en slechts kunnen terugvallen op vrij vage en algemene noties, zijn de confessionelen bijkans helemaal ideologieloos.

De christen-democratische ideologie lijkt in zekere zin een invented tradition. Toen gereformeerden, hervormden en katholieken in de jaren tachtig het CDA vormden, is nadrukkelijk gekeken naar datgene waarin men overeenkwam, erkent Ab Klink. «Daar zat een zekere mate van zoekenRnaar overeenstemming in, doelbewust met als oogmerk een basis te leggen voor het CDA« Intuïtief waren die raakvlakken natuurlijk sterk aanwezig, maar men moest wel het een en ander gaan articuleren. In zekere zin kun je dus spreken over een constructie.»

Henk Woldring, hoogleraar politieke filosofie aan de VU en tegenwoordig senator voor het CDA, publiceerde in 1996 het vuistdikke boek De christen-democratie: Een kritisch onderzoek naar haar politieke filosofie? De inhoudsopgave van dat werk oogt indrukwekkend. Het is een tour d’horizon langs de bergtoppen van het westerse denken. We treffen de namen aan van Augustinus, Thomas van Aquino, Erasmus, Luther, Calvijn, Bodin, Gentili, Burke, Maistre, Bonald, Lamennais, Groen van Prinsterer, Kuyper, Maritain en Dooyeweerd, terwijl alle politieke thema’s van de afgelopen vijf eeuwen aan de orde komen. Hoewel Woldring het in zijn boek bewust niet heeft over een ideologie maar over een politieke filosofie, geldt zijn onderzoek als een van de meest complete overzichten van «de» Nederlandse christen-democratie.

Maar de indruk van een invented tradition blijft. Het probleem van de christen-democratie begint immers al bij de twee samenstellende delen van het begrip christen-democratie. Sinds 1517 is het niet mogelijk te spreken van het christelijk geloof, en heel lang hebben christenen in een uiterst problematische verhouding tot de democratie gestaan. Als er door de eeuwen heen één ondemocratische instelling is geweest, dan is dat wel de rooms-katholieke kerk. Het protestantisme, althans de calvinistische variant ervan, was in de praktijk meer democratisch, afgaande op de opbouw van de kerkgenootschappen van onderop. De gemeente der gelovigen is de basis.

Door deze verschillen lijkt het nogal kunstmatig om van een christen-democratische ideologie te spreken. Is het dan toch een uitvinding achteraf, een ideologisch vijgenblad? Woldring: «Als hiermee wordt bedoeld ‹kunstmatig, niet authentiek›, dan ben ik het er uiteraard niet mee eens. Maar het hangt wel af van de situatie. Ik heb een historische ontwikkeling onder lutheranen, calvinisten en katholieken geëvalueerd en veel overeenkomsten in politieke theorie gevonden. Dat kan in Nederland, maar als je dat in Noord-Ierland zou doen, lukt het niet. Men komt daar niet tot kritische reflectie, waarin onderscheidingen kunnen worden aangebracht en verbindingen gezien. Daar moet nog heel veel water door de Rijn. Er moet een coëxistentie gaan ontstaan, er moet wederzijds respect komen.»

Dit wederzijds respect heeft in Nederland vele eeuwen op zich laten wachten. In de ogen van orthodoxe protestanten is Nederland altijd een christelijke — lees: calvinistische — natie geweest. Als Abraham Kuyper in 1878 «de grondtoon van ons volkskarakter» wil schetsen, wijst hij er met nadruk op dat de kerk niet in de staat is opgericht maar juist omgekeerd: de staat is ondergeschikt aan de kerk.

Met de Franse overheersing en het daaropvolgende Koninkrijk der Nederlanden verdwijnt de voor de calvinistische kerk bruikbare zwakke en gedecentraliseerde staat uit de tijd van de republiek. De nieuwe staat is het product van de goddeloze Franse Revolutie, en dus zelf ook heidens, of op zijn best «neutraal». De calvinisten die vanaf de jaren twintig van de negentiende eeuw oproepen tot een christelijk Réveil, hebben vanaf het begin oppositie gevoerd tegen de door liberalen gedomineerde Nederlandse staat. Er is een kloof tussen deze staat en de Nederlandse natie, die volgens Groen van Prinsterer en Kuyper protestants-christelijk is. Graag mijmeren ze over het «drievoudig snoer»: God, Nederland en Oranje.

Voor de katholieken, die nog altijd als tweederangs burgers gelden, is in dit verhaal geen plaats meer. De liberalen komen op voor de belangen van de katholieken, totdat in 1864 de paus middels de Syllabus errorum het liberalisme ondubbelzinnig veroordeelt. Hierna is het zaak zich te verzetten tegen de liberale staat, en wordt er noodgedwongen toenadering gezocht tot de orthodoxe protestanten.

Omdat de moderne, neutrale liberale staat niet verdwijnt, en zelfs in de loop der jaren steeds meer macht naar zich toe trekt, voelen zowel protestanten als katholieken zich genoodzaakt zich op hun eigen erf terug te trekken. Aan de hand van de leer van be «soevereiniteit in eigen kring» maken de calvinisten van deze nood een deugd, terwijl de sinds 1853 zeer zelfbewuste katholieke clerus zijn greep op de gelovigen uitbreidt en verstevigt. Bij de katholieken is veel veranderd als in 1878 Pius IX wordt opgevolgd door Leo XIII, die vast van plan is de zondige moderne wereld te herkerstenen. Een belangrijk hulpmiddel daarbij is de neothomistische filosofie, gebaseerd op het denken van de middeleeuwse Thomas van Aquino, waarin wordt getracht de harmonie tussen geloof en wetenschap te herstellen. Juiste denkbeelden, producten van de correct toegepaste rede, kunnen nooit in strijd zijn met het geloof. Hiermee wordt een einde gemaakt aan het obscurantisme dat lange tijd zo kenmerkend is geweest voor de katholieke kerk, en hierdoor worden tal van intellectuelen behouden voor de moederkerk, of bekeren zich tot haar. Vooral is het nu mogelijk om zich volop met die moderne samenleving te bemoeien en maatschappelijke problemen aan te pakken.

Katholieken grijpen evenals de protestanten in toenemende mate de politieke kansen aan die de liberale staat hen biedt. In 1878 organiseert onder leiding van Abraham Kuyper een deel van de protestanten zich in een echte politieke partij, de eerste in Nederland. Een officiële katholieke partij komt pas veel later en heel moeizaam tot stand, maar een politieke factor vormt de kerk spoedig wel.

Na het verzet tegen de pretenties van de liberale staat staan de christelijke partijen voor een tweede uitdaging: het socialisme. Aanvankelijk wordt dit bestreden met de roep om meer liefdadigheid. Al snel blijkt dit niet genoeg en komen de kerken met een eigen sociale leer. In 1891, het jaar waarin de Duitse sociaal-democraten het orthodox-marxistische programma van Erfurt aannemen, organiseren Kuypers «mannenbroeders» het eerste Christelijk Sociaal Congres, waar hun grote leider zijn «architectonische kritiek» op het «maatschappelijk gebouw» ontvouwt. Hetzelfde jaar ook vaardigt Leo XIII de encycliek Rerum novarum uit, die de grondlijnen van de nieuwe katholieke staats- en maatschappijopvatting bevat. Zowel protestanten als katholieken trachten de gelovige arbeider te behoeden voor de dwaalwegen van socialisme en atheïsme, en daarom moet men hen wel iets te bieden hebben. Het idee van de klassenstrijd tussen bezitters en niet-bezitters, tussen kapitalisten en arbeiders wordt afgewezen. De maatschappij behoort geen slagveld maar een organisme te zijn, een bezield geheel waarin een ieder zijn eigen plaats kent en op zijn eigen wijze dienstbaar is aan zijn medemens en aan God.

Door de verzuiling verandert het politieke en maatschappelijke bestel ingrijpend. De godsdienst, en bij het ontbreken daarvan de levensbeschouwing, speelt weer een belangrijke rol bij plaatsbepaling van het individu. Bovendien neemt de confessionele invloed op wat sociologen het «maatschappelijk middenveld» noemen enorm toe. Vanzelfsprekend blijven er in het christelijke kamp grote tegenstellingen bestaan. Niet alleen bestaat er verdeeldheid binnen de protestantse zuil, ook de verschillen tussen de volgelingen van Calvijn en de kinderen van Rome blijven groot. Op religieus, ideologisch en cultureel vlak staan ze fel tegenover elkaar. Het conflict uit de zestiende eeuw is althans in artikelen, brochures en boeken nog steeds springlevend, de walm van de brandstapels slaat daar nog vanaf.

Niettemin zijn volgens een CDA-theoreticus als Woldring hier reeds de wortels van de hedendaagse christen-democratie te vinden. Ondanks de theologische, filosofische en metafysische verschillen beginnen de ontwikkelingen steeds meer te convergeren. «De neothomistische traditie is theologisch en filosofisch natuurlijk fundamenteel anders dan de lutheraanse en calvinistische, maar als je kijkt naar de politieke theorie, verschilt het dan veel? Als calvinisten en lutheranen spreken over recht en rechtvaardigheid, dan ligt dat in de lijn van wat Thomas en de katholieken het bonum commune noemen.»

Hoewel beide kampen er inderdaad een organische maatschappijvisie op nahouden, zijn het toch vooral keiharde politieke belangen die hen naar elkaar toe drijven. Aan het einde van de negentiende eeuw is dat in de eerste plaats natuurlijk de schoolstrijd. Nadat met de «onderwijspacificatie» van 1917 het bijzonder onderwijs financieel is gelijkgesteld aan het openbaar onderwijs, lijken de katholieken en protestanten de belangrijkste buit binnen te hebben, waardoor grond voor verdere samenwerking schijnbaar is verdwenen. Toch domineren de confessionelen tot aan de Tweede Wereldoorlog de regeringen. Af en toe mogen de liberalen meedoen, maar het zijn de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), de Christelijk-Historische Unie (CHU) en de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) die de dienst uitmaken en in sociaal-economisch opzicht een stringente en hardvochtige liberale politiek voeren.

Tot 1939 weet men de sociaal-democraten, die iets minder dan een kwart van de kiezers vertegenwoordigen en de tweede partij zijn, buiten de regering te houden. Na de oorlog is dat niet langer mogelijk en wordt de politiek tot 1958 gedomineerd door de Rooms-Rode coalitie, afwisselend aangevuld met wat anti-revolutionairen of liberalen. Het politieke landschap mag dan enigszins gewijzigd zijn, de confessionele zuilen lijken nog recht overeind te staan. De verschillen in constructie van de pijlers hebben spoedig echter vergaande consequenties. Binnen de van onderop georganiseerde protestantse zuil moet voortdurend aan de eenheid worden gewerkt, wat bijvoorbeeld eerder op politiek gebied niet helemaal was gelukt en had geresulteerd in twee partijen. Bij de van bovenaf georganiseerde katholieken staat de eenheid nooit serieus ter discussie.

De vanaf de jaren zestig in adembenemend tempo om zich heen grijpende secularisatie betekent voor beide confessionele politieke stromingen een forse terugval. Maar bij de katholieken komt de klap veel harder aan. Begeleid door het Tweede Vaticaans Concilie, de getrouwde priesters en de beatmis dondert de katholieke zuil in elkaar. Het ledental van de Katholieke Volkspartij (KVP), zoals de RKSP zich na de oorlog is gaan noemen, is in 1980 nog slechts twaalf procent van dat in 1950. In dezelfde periode verliezen ARP en CHU beide iets minder dan de helft van hun leden. Ook electoraal vertaalt deze dramatische terugval zich. Willen de confessionelen hun greep op de Nederlandse politiek behouden, dan wordt een fusie onvermijdelijk.

?et het Tweede Vaticaans Concilie is tegelijk een hindernis genomen voor de in de voorgaande jaren op de spits gedreven tegenstellingen tussen ARP en KVP. Ab Klink: «De katholieke sociale leer sprak in de regel over twee overkoepelende leefwerelden: de kerkelijke en de statelijke, met een duidelijke normatieve leiding voor de kerk. Dat was van oudsher bij protestanten toch veel minder aanwezig. In het Tweede Vaticaans Concilie wordt voor het eerst de autonomie van het wereldse erkend. Min of meer los van de kerk heeft de leek als christen een verantwoordelijkheid in de samenleving. Het katholieke denken kruipt hierdoor meer in de richting van het antirevolutionaire denken. Dat is belangrijk voor de mogelijkheden van het CDA.»

Het Christen-Democratisch Appèl, dat in 1980 tot stand komt, is in feite het definitieve einde van de Tachtigjarige Oorlog. Om de godsdienstige verschillen onschadelijk te maken als potentiële bron van conflicten, wordt niet gekozen voor een nevenschikking van de religieuze visies, maar voor een overkoepelend, hoger uitgangspunt: het evangelie. Een confessionele partij is het CDA hierdoor niet, daar het onmogelijk is, zoals bij de kleine christelijke partijen, een geloofsbelijdenis te laten onderschrijven. Hierdoor kan ook een agnost als Anton Zijderveld lid worden van het CDA. «Alleen in haar ceremoniën is de partij misschien nog confessioneel», zegt de socioloog in navolging van wat Balkenende op het christenlijsttrekkersdebat in Zwolle uitlegt. Zijderveld: «Maar dat wordt dan meestal zo vaag mogelijk gehouden, want het mag natuurlijk niet te rooms en niet te gereformeerd zijn. Dan kom je op congressen bij liedjes van Huub Oosterhuis uit.» Op die congressen komt Zijderveld echter niet. Met oecumenedichter Oosterhuis kun je hem «de boom in jagen».

Omdat de partij als leidraad kiest voor het evangelie, en van haar leden dus niet eens verwacht dat zij dat ook daadwerkelijk onderschrijven, lijkt de ideologische basis wel heel zwak. Daarom wordt een viertal beginselen geformuleerd, die centraal dienen te staan in de christen-democratische politiek: gerechtigheid, solidariteit, rentmeesterschap en gespreide verantwoordelijkheid. Dat klinkt nog steeds behoorlijk vaag, maar voorlopig hoeft men zich weinig zorgen te maken. Na het bij voorbaat tot mislukken gedoemde tweede kabinet-Van Agt breekt immers het tijdperk Lubbers aan, waarin het CDA de natural party of government lijkt. Voor politicologen is het een raadsel waarom een christelijke partij, die bovendien diepe sociaal-economische tegenstellingen in zich draagt, in een geseculariseerde, gedeconfessionaliseerde en ontzuilde samenleving zo’n succes heeft. De historicus Hans Righart spreekt van «onduidelijkheid als bestaansvoorwaarde». De ideologische vaagheid lijkt een zegen die de partij de mogelijkheid geeft om in het politieke midden te opereren met die coalitiepartners die men op dat moment het best in de hand kan houden.

Tot in 1994 de catastrofe komt. Na een razendsnelle aftakeling van het derde kabinet-Lubbers verlopen de verkiezingen desastreus en worden de confessionelen voor het eerst sinds 1918 naar de oppositiebankjes verbannen. Er zijn meer oorzaken, maar voor velen in de partij heeft dit ook iets te maken met de enorme ideologische vaagheid, het gebrek aan een eigen gezicht. De partij belandt in een identiteitscrisis die men niet het hoofd —eet te bieden met degelijk-kleurloze en glad-kleurloze leiders als Enneüs Heerma en Jaap de Hoop Scheffer. Men moest zich weer bezinnen op de inhoud.

Zowel de katholieke als de protestantse partijen hadden altijd gepretendeerd een alternatief voor het liberalisme en socialisme te zijn. Omdat ze na de oorlog beurtelings met deze partijen moesten regeren, konden die verschillen niet al te sterk worden aangezet en vervaagde het beweerde alternatief zozeer dat de kiezers het CDA in de steek lieten. De hegemonie van Paars had nieuwe kansen kunnen scheppen voor ideologische profilering. Tussen de door de liberalen verafgode markt en de door de socialisten bezongen staat bestaat immers nóg iets: het maatschappelijk middenveld.

Anton Zijderveld, die begin jaren tachtig in contact kwam met mensen van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA, zoals de piepjonge Jan Peter Balkenende en Ab Klink, was bijzonder gecharmeerd van de «bijna sociologische wijze van politiek bedrijven» in de partij. «Het is heel eenvoudig: sociaal-democraten denken vanuit de staat, liberalen kijken vooral naar staat en maatschappij vanuit de markt, zonder al te veel feeling voor instituties en zelfstandige organisaties. ‹Society does not exist›, zei Margaret Thatcher zelfs. De christen-democratie kijkt naar markt en de staat primair vanuit de maatschappij en haar organisaties. Vanuit het gezin, het huwelijk, de familie, kerk, school, ziekenhuis, leger — allemaal instituties die tussen het individu en de staat staan en een zelfstandige positie moeten hebben.»

In 1998 schreef Cees Klop, ook van het Wetenschappelijk Instituut, in NRC Handelsblad dat de door velen bejubelde Third Way van Tony Blair nauwelijks verschilde van het christen-democratische gedachtegoed: «Vervangt men in de vier centrum-linkse waarden die aan Blairs Derde Weg ten grondslag liggen ‹verantwoordelijkheid› en ‹ontplooiingsmogelijkheden› door hun equivalenten ‹öubsidiariteit› en ‹personalisme›, dan komt de vierslag van de katholieke leer tevoorschijn.» De derde weg was volgens Klop geen vaag compromis tussen liberalisme en socialisme, maar bestond écht, alleen werd hij in Nederland belichaamd door het CDA.

Hoewel volgens Zijderveld de kabinetten-Lubbers medeverantwoordelijk waren voor «de betuttelende verzorgingsstaat en de bureaucratisering van het maatschappelijk middenveld» diende de christen-democratie zich hier tegen te verzetten. Terwijl de socialisten erg ver naar het liberalisme zijn afgegleden en de markt steeds meer de dienst uitmaakt, willen christen-democraten dat de staat de vinger aan de pols houdt. Zijderveld: «We willen een staat die rechtvaardig is, een vorm van verzorgingsstaat. Maar je moet je weer niet te veel door die verzorgingsstaat laten inpakken. Want hoe méér verzorgingsstaat, hoe minder vrijwillig initiatief. Het zwaartepunt dient te liggen bij de civil society, waar burgers al dan niet levensbeschouwelijk van alles met elkaar kunnen ondernemen.»

Maar deze sociologische redenering geeft geen antwoord op de vraag wat er nu zo specifiek christen-democratisch is aan het CDA. De democratie is inmiddels wel geïnternaliseerd, maar wat betekent die C in de afkorting nog?

Volgens J.A.A. van Doorn, eveneens socioloog, heeft de partij de mogelijkheid om dit op drie manieren in te vullen. De C van christelijk ligt natuurlijk het meest voor de hand maar levert tal van problemen op. In een samenleving die enerzijds ontkerstent en anderzijds steeds meer vertegenwoordigers van andere godsdiensten herbergt, betekent dit immers een veroordeling tot de marge. De C van conservatief is ook een optie, die bovendien ruim baan biedt aan dat bejubelde maatschappelijk middenveld, aangezien al die instituties door de grote conservatieve theoreticus Edmund Burke al werden aangeduid als ociety’s little platoons$ De derde mogelijkheid is de C van centrum, waardoor de partij in feite weer de redelijk principeloze «catch all»-‡artij zou worden die ze onder Lubbers was. Zij wordt dan, zoals Paul Scheffer het ooit formuleerde, «de kreukelzone van de politiek».