Susan Sontag, Reborn: Early Diaries 1947-1964

Een uitzondering op de sterfelijkheid

Susan Sontag meed in haar essays en romans iedere vorm van zelfexpressie. Maar in haar dagboeken blijkt ze onzeker en hartstochtelijk. Een denker die wil leven.

Medium sontag

Het schijnt dat Mary McCarthy, de ‘queen bee’ van intellectueel New York in de jaren veertig en vijftig, Susan Sontag bij hun eerste ontmoeting fijntjes begroette met: ‘I hear you’re the new me.’ Sontag was toen al, halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw, een intellectuele ster, of misschien beter: komeet, want vanaf 1961 schreef ze haar eerste provocerende essays, in onder meer de Partisan Review, het blad waar de New Yorkse progressieve intellectuelen omheen cirkelden als bijen om de honingpot; in 1963 verscheen haar eerste roman The Benefactor; en in 1964 was ze in één klap een intellectuele celebrity, toen ze Notes on Camp publiceerde, haar puntsgewijze essay over, zoals ze het zelf noemde, een nieuwe sensibiliteit, die nog het best valt samen te vatten als de goede smaak voor de slechte smaak. De Notes werden opgenomen in Against Interpretation, waarin ze, met name in het titelessay, pleit voor een ‘erotics of art’, het ondergaan van kunstwerken in plaats van het aloude interpreteren en vastpinnen van betekenis – ‘Interpretatie is de wraak van de criticus op kunst’, stelde ze ferm.
Zelf werd ze, behalve baanbrekend essayiste, ook de belichaming van de ‘erotics of art’. De ongeautoriseerde biografie over haar van Carl Rollyson en Lisa Paddock heet niet voor niets Susan Sontag: The Making of an Icon. Een icoon werd Sontag vooral dankzij haar uitgever, Roger Straus van Farrar, Strauss & Giroux, die pontificale foto’s van haar op de kaften van haar boeken plaatste. Ze was fotogeniek en beschikte over een androgyne schoonheid met haar donkere indianenhaar, later met de karakteristieke streep wit erin, haar ondoorgrondelijke blik en haar zwarte, nonchalante kleren. De kranten bestempelden haar als ‘a literary pinup’, ‘the belle dame sans merci of the literary world’ en ‘the Nathalie Wood of the U.S. avant-garde’. Ze was, zoals een vriend het na haar dood in 2004 uitdrukte, een ‘intellectueel gekleed in glamour’.
Sontag was na Mary McCarthy en Simone de Beauvoir een nieuw soort geletterde vrouw: ze droeg geen tweed mantelpakjes en verstandige schoenen, ze was erudiet én sexy. Ze bloeide in de jaren zestig, toen het ‘fun’ was om intellectueel te zijn en ‘cool’ om op feestjes intimiderend je belezenheid te etaleren. En als ze iets niet wilde zijn, dan was het de nieuwe McCarthy of Beauvoir, dat wil zeggen: een vrouwelijke intellectueel. Als ze zich met voorbeelden moest meten, dan met André Gide of Thomas Mann, niet minder. Ze wilde gewaardeerd worden om haar talent, niet om haar sekse; om haar schrijfstijl, niet om haar lifestyle. Die schrijfstijl was, haar leven lang, gebeeldhouwd, helder, zelfverzekerd en cerebraal. Over alles kon ze schrijven, van klassieke literatuur tot Franse avant-gardefilm, van fotografie tot aids – over alles behalve zichzelf.
Toen ze in 1975 borstkanker kreeg, min of meer werd opgegeven, maar strijdbaar voor een loodzware experimentele therapie koos en daarna Illness as Metaphor schreef, maakte ze geen egodocument over het overleven van de gevreesde ziekte, maar een vlammend essay, waarin ze zich verzette tegen het fatalisme en schuldgevoel waar de taal kankerpatiënten mee opzadelde. Het was een onthechte tekst, onpersoonlijk zelfs op het eerste gezicht. Maar ze wilde beoordeeld worden op haar argumenten, niet op haar zelfexpressie, hoe oprecht ook.
Het lezen van dagboeken heeft altijd iets onbeschaamds, maar in het geval van Reborn, de vroege dagboeken van Susan Sontag, voel je je helemaal een voyeur. ‘My mother’, schrijft haar zoon David Rieff in zijn inleiding, ‘was not in any way a self-revealing person.’ Maar de vrouw die in haar essays en romans iedere vorm van zelfexpressie meed, blijkt in haar dagboeken hartstochtelijk, twijfelend, wroetend, onzeker, egocentrisch (‘selfabsorbed’ zeggen de Engelsen treffend), kortom alles te zijn wat ze in haar publieke geschriften niet was.
Natuurlijk bevatten de dagboeken, die beginnen als Susan een schoolmeisje van vijftien is, ook veel wat je bij de latere Sontag, het intellectuele standbeeld, zou verwachten. Telkens duiken de lijsten op, soms pagina’s lang, van boeken die gekocht en gelezen moeten worden, van muziek waar ze naar moet luisteren, films die gezien zijn, woorden en begrippen en citaten die ze in haar hoofd wil prenten. Er staan notities in over boeken, over filosofische gesprekken die ze voerde, over thema’s waar ze over wil schrijven. Haar dagboeken zijn doordrenkt van een honger naar kennis: alles moest worden geleerd, bekeken, beoordeeld. Ze is, op haar zestiende al, buitengewoon van zichzelf overtuigd, zo nu en dan op het idiote af, bijvoorbeeld als ze het heeft over haar lectuur van André Gide: ‘Gide and I have attained such perfect intellectual communion (…) I am not only reading this book, but creating it myself.’
En de jonge Sontag is al even bloedserieus als de oudere. Een lezer op zoek naar ironie, schrijft Rieff, komt bedrogen uit, om daaraan toe te voegen dat zijn moeder zich daar zeer bewust van was. Hij wijst op haar essay over Elias Canetti, volgens hem het meest autobiografische dat ze ooit schreef, en waarin ze instemmend de volgende overpeinzing van de schrijver citeert: ‘I try to imagine someone saying to Shakespeare: “Relax!”’
Uit de dagboeken blijkt ook wat al over haar bekend is. Sontag was zo iemand aan wie de kindertijd verspild was: ze wilde lezen en leren.
Ze kon niet wachten tot ze uit het ouderlijk huis kon, studeren; al op haar zestiende vertrok ze naar de Universiteit van Chicago. Haar stiefvader dacht dat ze nooit zou trouwen, vanwege de stapels boeken waar ze zich altijd mee omgaf, maar dat deed ze wel, al op haar zeventiende. In haar dagboeken komt dat uiterst summier aan de orde. Op 21 november 1949 stipt ze aan dat ze voor een sociologiedocent, ‘genaamd Philip Rieff’, wat onderzoekswerk doet. De volgende dagboeknotitie is van 2 december: ‘Last night, or was it early this (Sat.) morning? – I am engaged to Philip Rieff.’ Ze schrijft weer over hem op 3 januari 1950, maar volgens haar zoon, die de dagboeken bezorgde, was het een jaar later: ‘I marry Philip with full conscioussness + fear of my will toward self-destructiveness.’
Omdat haar dagboeken van 1951 en 1952 ontbreken, staat er niets over de geboorte van haar zoon, David, die ze op haar achttiende kreeg. Ondanks man en kind bleef ze verwoed studeren, eerst aan verschillende Amerikaanse universiteiten, en, uiteindelijk, in Oxford en Parijs, waar ze alleen verbleef. David duikt zo nu en dan op in de dagboeken, bijvoorbeeld als het, volgens Sontag, op zijn vierde hoog tijd is voor Homerus. Het aantal sceptische opmerkingen over het huwelijk groeit, zoals deze op 4 september 1956: ‘Whoever invented marriage was an ingenious tormentor. It is an institution committed to the dulling of feelings.’
Toen Sontag in 1958 terugkwam uit Parijs en haar man haar afhaalde van het vliegtuig had ze al voor ze bij zijn auto waren een scheiding aangevraagd. In New York arriveerde ze, naar eigen zeggen, met ‘zeventig dollar, twee koffers en een zoon van zeven’. Ze weigerde alimentatie en hield zichzelf aanvankelijk in leven met lesgeven en redactiewerk. En ze begon te schrijven.

‘I feel in many ways self-created, self-educated’, zei Sontag over zichzelf, een zinnetje dat de leidraad is in de biografie over haar. Ze wijdde zich aan zelfopvoeding door permanente studie en ze creëerde haar eigen imago. Volgens haar biografen was haar verblijf in Parijs daarvoor cruciaal: daar observeerde ze hoe schrijvers als Louis Aragon en Andre Malraux hun imago geduldig polijstten en zorgden voor een ‘mystique’.
De biografen hebben uiteraard geen beschikking gehad over Sontags dagboeken, want dan hadden ze kunnen leren dat de zelfcreatie voor haarzelf nog veel omvattender was. Want Reborn, de passende titel die David Rieff aan de vroege aantekeningen gaf, heeft op iets heel anders betrekking. ‘I AM REBORN IN THE TIME RETOLD IN THIS NOTEBOOK’, schrijft Sontag in kapitalen op de kaft van het dagboek dat het jaar 1949 bevat. In een lange confessie op 23 mei 1949 beschrijft ze hoe ze met een vriend naar een lezing gaat, hoe ze na afloop, twee prachtige jonge mensen, briljant met elkaar converseren en het met elkaar eens zijn: het lichaam is ballast, er is maar één ding belangrijk en dat is de geest, en hoe ze zelfs niet opzien tegen de dood. Maar dan is het de volgende ochtend en ontmoet ze in een boekwinkel H., een aantrekkelijke vrouw, ‘wonderfully, uniquely alive’, en H. nodigt haar uit om ’s avonds uit te gaan, en het wordt laat en er vloeit veel drank en uiteindelijk belandt ze met H. in bed. Daarna is het gedaan met alle cerebrale gelatenheid en de aanvaarding van de dood, en schrijft Sontag lyrisch: ‘I want to sleep with many people – I want to live and hate to die (…) I am alive… I am beautiful… What else is there?’
Een week later is de opwinding nog niet verdwenen: ‘I know the truth now – I know how good and right it is to love – I have, in some part, been given permission to live – Everything begins from now – I am reborn.’
Het is die ontdekking van haar lichaam, van de liefde, van haar orgasme – ook daarover is ze expliciet – die maken dat de dagboeken intens zijn, bijna te dicht op de huid, op het claustrofobische af. Naast de zelfbewuste, intellectuele Sontag is er de onzekere, gepassioneerde, die zich keer op keer verliest in heftige verliefdheden op vrouwen die haar passie maar half beantwoorden. Sontags onderworpenheid aan hen is bijna masochistisch. Wat blijft zijn pijn en ambitie, concludeert David Rieff in zijn inleiding, en het is juist de voordurende slingerbeweging tussen beide, tussen de intellectueel zelfverzekerde en de erotisch kwetsbare Sontag die Reborn indrukwekkend maakt.

Hoe zou het geweest zijn, vraag je je onvermijdelijk af, als Sontag iets van die kwetsbaarheid had toegelaten in haar werk? Als haar essays en romans niet alleen imposant en bewonderenswaardig waren geweest, maar ook ontroerend? Uit Swimming in a Sea of Death, de herinneringen die David Rieff optekende over Sontags laatste gevecht met haar kanker, blijkt dat ze er tot de laatste snik niet toe in staat was. Het was alsof ze dacht dat ze een uitzondering op de menselijke sterfelijkheid vormde, zo volhardend ontkende ze haar dood. Ze kon over de dood, over zichzelf niet praten, kon alleen maar denken aan ziektewinst: haar werk zou ongetwijfeld winnen bij dit nieuwe gevecht. ‘The Work’, zo noemde ze haar werk trouwens, met hoofdletters, en nadruk op het lidwoord, een project dat tot het einde met grote ernst volvoerd moest worden. ‘Hét Werk’ is inmiddels volbracht en de dagboeken zijn een onverwachte, prachtige toegift.


Beeld: everett ColleCtion / HH

David Rieff, Swimming in a Sea of Death:
A Son’s Memoir. Simon & Schuster, 180 blz.,
€ 20,99. Het verscheen in Nederlandse vertaling bij De Bezige Bij als Zwemmen in een zee van dood. Ook de dagboeken van Susan Sontag zullen volgende maand onder de titel Herboren door De Bezige Bij worden uitgegeven

SUSAN SONTAG
REBORN: EARLY DIARIES 1947-1964
Hamish Hamilton, 318 blz., € 17,99