© VPRO

De droevige kampioen, driedelige serie van Sander Burger, zou alleen al de moeite waard zijn doordat documentaire en drama, interviews en gespeelde scènes erin zijn gecombineerd, samen met een rijk foto- en filmarchief. En dan is hij ook nog eens gebaseerd op het gelijknamige boek van Jan Brokken, dat weliswaar roman heet en is, maar grotendeels berust op ware gebeurtenissen en personages. Brokken was bij het schrijven zowel journalist als romancier. De held en antiheld ineen van de roman heet Riki Marchena, maar is levensecht geboetseerd naar Robert ‘Joy’ Hosé, voormalig tafeltenniskampioen van Curaçao en Latijns-Amerika, succesvol ondernemer, Don Juan en uiteindelijk ‘choller’, verslaafd, dakloos. Zorgmijder, of sterker, principieel zorg-, therapie- en hulpweigeraar. Hulp die hem door vrienden, bekenden en professionals volop werd aangeboden in de kleine gemeenschap die hem had aanbeden. Zijn kostje en crack bijeen scharrelend met het wassen van auto’s – niet bij een bedrijf maar, vanwege een ooit gebroken been, moeizaam rondhinkend met een wit emmertje en automobilisten aansprekend. Nederiger kan niet, maar tegelijk is er nooit verdwenen trots, een uniek soort waardigheid en flarden wijsheid. Soms zien we de echte Robert scharrelen, meestal zien we hem gespeeld door achtereenvolgens een kind, een puber, een jongeman in de kracht van zijn leven – en wat voor kracht. Nu, als bejaarde gevraagd om te kiezen tussen het leven voor en na zijn maatschappelijke val, vindt hij dat een onzinnige keus. En op de vraag of hij gelukkig is antwoordt hij: ‘Gelukkigheid bestaat niet; er bestaan gelukkige momenten en die moet je proberen te verlengen.’ Ik gebruik bewust zijn term ‘gelukkigheid’ omdat die me, hoewel als fout onderstreept door de Word-corrector, hier eigenlijk adequater voorkomt dan ‘geluk’. Of het een Antilliaanse term is weet ik niet. Wel weet ik dat de keus van makers en omroep om dit Antilliaanse onderwerp te kiezen een belangrijke is. Geschiedenis, cultuur en sociale verhoudingen van daar zijn hier zó slecht bekend; en tegelijk blijkt ook in deze productie weer dat juist het specifieke, het authentiek lokale het universele niet uitsluit. In tegendeel.

Docudrama dus, beetje saaie term, maar een genre dat zeker bij ons veel te weinig gemaakt wordt en dat prachtige resultaten op kan leveren. Hans Hylkema won er de Nipkowschijf mee voor de Samuel Falkland Show over Herman Heijermans (1990). Die Manns: Ein Jahrhundertroman (2001) van Heinrich Breloer en Horst Königstein (over de familie Mann) behoort tot de meesterwerken uit de mondiale tv-geschiedenis. Op dvd verkrijgbaar. Het eerste van de drie delen staat op YouTube.

De structuur van De droevige kampioen krijgen we direct mee: er wordt gefilmd bij de casting op Curaçao die een groot aantal figuranten voor de serie moet opleveren. Een jongeman op auditie krijgt uitleg over het verhaal van film en hoofdpersoon en vraagt: ‘Woont hij nog hier?’ ‘Jawel, hij is zeventig, scharrelt meestal rond in de wijk Salina, al ruim veertig jaar verslaafd.’ ‘O, is dat die lange man met dat been?’ En zo leert deze jonge Antilliaan (ik hoop dat de scène niet gescript is) dat een naamloze outcast die hij wel eens ziet rondsjokken ooit de grote held van het eiland was, welvarend, bejubeld en bemind, letterlijk en figuurlijk.

In de eerste aflevering krijgen we zijn jeugd in de jaren vijftig en zestig mee. Voor een zwart gezin in een arbeiderswijk hadden ze het niet slecht. Vader had een vaste baan als stuwadoor en kon zich een tweedehands auto veroorloven. De kinderen waren dol op hem. Een gezinstragedie veranderde alles. Jaloerse vader stak moeder, fervent uitgaanstype, neer en pleegde voor de ogen van de kinderen zelfmoord. (Geen spoiler: het persbericht legt het meteen op tafel.) We krijgen het mee, in zwart-wit, ingehouden. Wat het met Robert deed, hij heeft er nooit over willen praten, ook later niet toen alles was misgelopen. Van traumatherapie was uiteraard geen sprake. Moeder verhuist naar Aruba, de kinderen worden opgevoed door oma in het huis van tante. Oom is, bijzonder en toevallig, proftennisser van niveau. Reist de Grand Slams af en koopt, thuisgekomen, steevast nieuwe kleren met de kinderen. Robert leert het spel van hem en blijkt zowel extreem gedisciplineerd als groot talent: kampioen in zijn leeftijdsklasse. Tot een aangeboren fysiek probleem zijn ambitie fnuikt. Met evenveel fanatisme en nog meer talent stort hij zich op het tafeltennisspel dat zijn kleine broertje voor een verjaardag had gekregen. Hoe dat medisch kan begrijp ik niet, maar realiteit is dat hij een Grote werd (zij het uiteindelijk geen wereldtop). Wat hem, in combinatie met zakeninstinct, tot succesvol ondernemer maakte. Het is dus in zekere zin een prototypisch verhaal: zwarte jongen vindt weg uit armoe en minachting via de sport. Deel twee, de diepe val daarna, komt vaker voor (bij zwart en wit), maar is gelukkig geen regel.

Ik weet niet of het pijnlijke verhaal van Riki/Robert als biopic drie afleveringen had kunnen dragen, maar De droevige kampioen doet dat wel. Doordat het veel meer dan een individuele vertelling is. Robert groeit op in een mini-samenleving waar slavernij dan wel is afgeschaft, maar waar volstrekt witte dominantie vanzelfsprekend is. Tekenend is het onderwijs. Gegeven door witte Nederlanders (dubbel wit in het geval van Witte Fraters in wit habijt) en uitsluitend in het Nederlands. Het kind dat Papiaments sprak, zelfs op het speelplein, kreeg straf. (Oma vond een 9 op school een zoen waard, maar een 8 voor Nederlands zelfs een traktatie: ‘Er wordt in de hemel maar één taal gesproken, Spaans. Maar de Hoge Heren hier spreken Nederlands, dus als je iets wil bereiken…’) Het Wilhelmus moest in de klas zo hard gezongen worden dat de koningin het op Soestdijk kon horen (schorre kelen). En bij geschiedenis en aardrijkskunde werd geen woord gewijd aan het eiland zelf, aan de Antillen, aan Zuid-Amerika. Op de blinde kaart van Nederland moesten steden en dorpen worden aangewezen (Giethoorn). Zelfs als je dat allemaal wel weet (voor Surinamers stroomde de Rijn immers ook bij Lobith ‘ons land’ binnen) dringt de absurditeit ervan hernieuwd tot je door als je het, zoals hier, in een gespeelde scène voor je ziet. En je het de hoofdpersonen, toenmalige vrienden en vriendinnen van Robert, met hun verbijstering van nu (toen was het immers vanzelfsprekend) hoort vertellen. Kwam geschiedenis een keer wel aan bod in de vorm van de WIC, dan omdat die de beschaving had gebracht. Over slavernij geen woord. Vakbondsleider en onderwijzer Stanley Brown (zelf wit) zegt dat ouders woedend werden als hij hun kinderen vertelde dat ze ‘nazaten van slaven’ waren: waarom was dat nodig, dat was immers voorbij?

Roberts sportieve opmars, gebaseerd op talent, ijzeren discipline en intensieve studie over het spel (tijdschriften, boeken, filmmateriaal) brengt hem, samen met vriend Franklyn Mathilda, die tafeltennis in het opkomend buurthuiswerk had leren kennen, naar het land van de blinde kaart. In Sittard liepen ze een zesweekse trainingsstage. Leerzaam maar ook pijnlijk door racistische ‘humor’ en de beschuldiging van diefstal van een portemonnee.

In de tweede aflevering belandt het kleine eiland in de Grote Geschiedenis van de late jaren zestig. Op 30 mei 1969 mondt wat begint als arbeidsconflict uit in een gewelddadige opstand. Anarchie. Stanley Brown houdt een toespraak bij de herdenking in 2019: alle macht was in handen van witten; de zwarte werd misbruikt op alle fronten; Shell en de Banco Maduro vormden een regering binnen de regering. ‘Daarom zie ik 30 mei als laatste niet-geciviliseerde strijd voor vrijheid en wraak.’ Nee, er was geen apartheid maar het leek er verdomde veel op. De witte wijken van Shell waren voor niet-bewoners alleen toegankelijk met een pasje. (Om te kunnen schoonmaken, lijkt me.) In gedramatiseerde scènes zie je Robert vol onbegrip, haast radeloos door de puinhopen lopen. Ik las ergens dat hij actief zou zijn geweest bij het geweldloos begin van het verzet, maar dat zit hier niet in. Zijn jeugdvriendin Magda Hansen, die een prominente rol in het project heeft, praat nog altijd vol afschuw over 30 mei: ze drongen haar school binnen, vernielden en mishandelden haar favoriete Nederlandse docent voor de ogen van de leerlingen. Het zit er allebei in: structureel onrecht en de wraak die zo gruwelijk kan zijn. De reactie van de overheid was trouwens veelzeggend: uit de VS werden opbouwwerk en trainers daarvoor geïmporteerd. Het minimumloon ging van 100 naar 400 gulden! Papiaments werd in de lagere schoolklassen voertaal en het wetboek werd erin vertaald. Me dunkt: reden genoeg te blijven kijken mocht u niet geïnteresseerd zijn in de levensloop van een tafeltennisser, zelfs als die zich verdiept in Taoïsme en Nietzsche.

Nee, ik spel leven en lot van Robert Hosé verder niet uit. Behalve dan dat zijn successen (en die van vrienden) samenvielen met toenemend zwart bewustzijn van hun generatie. En behalve dat hij Tsjoe En-lai de hand schudde in Beijing als onderdeel van Mao’s pingpong-diplomatie. En in Paraguay weigerde naar dictator Stroessner toe te gaan op de receptie na afloop van het toernooi: hij was immers de kampioen, niet die moordenaar. Die daarop inderdaad naar ‘Joy’ toe kwam, dat dan weer wel. De serie vertelt zijn leven, maar wordt gedragen door vertellers. Jan Brokken. Zijn vrienden uit het tafeltennisverleden, met wie hij de wereld over trok: Franklyn Mathilda, Raymond Begina en Ludson Isenia. Jongste broer Sherman. Zijn schoolgenoot, die hoofd van de ‘rehab’ werd. Magda Hansen, die contact schuwde toen het gierend mis ging met hem. Ze zijn voortreffelijk als getuigen van zowel opkomst als ondergang van hun held, die een gat in zijn ziel had en weigerde geholpen te worden. En wiens geweten (hij had met een misdaad weg kunnen komen, maar besloot anders) het hem nog zwaarder maakte. Zoals ook zijn trots hem soms verbood geld aan te nemen van ‘weldoeners’: hij eiste dat hij hun auto zou wassen. En je ziet, zeker in het laatste deel, hoe die trots en eigenzinnigheid nog altijd gewaardeerd worden.

Verwacht geen onvergetelijke rollen van de amateuracteurs (die voor een deel ook nog heel goed moesten kunnen tafeltennissen). Daar werkt de regie ook bewust niet naar toe. Ze illustreren een vertelling en doen dat vaak voortreffelijk. Zelfs de scènes met meerdere figuranten werken goed: enigszins gestileerd, soms als bewegende tableaux-vivants. Het zwart-wit in de vroegste periode werkt fraai. Mooi en nuttig project, dat ook zo interessant is door de complexe hoofdpersoon. Zoals je ze in pure fictie niet vaak ziet.


Sander Burger, De droevige kampioen, VPRO, drie delen vanaf vrijdag 19 maart, NPO 2, 20.35