Een universitair utopist

GESCHIEDENIS is voor prof. dr. Willem Otterspeer (45) ‘a sense of place’: een gevoel voor de plaats waar het allemaal gebeurde. En waar het - in zijn geval - nog altijd gebeurt.

Want als conservator van het Leids Academisch Historisch Museum en bijzonder hoogleraar in de universiteitsgeschiedenis beweegt Otterspeer zich dagelijks door de gangen van zijn object van onderzoek.
We dwalen door het Academiegebouw van de Leidse universiteit, en Otterspeer zegt: ‘Voor Quasimodo, de gebochelde van de Notre Dame, was de Notre Dame zijn ei, zijn nest, zijn huis, zijn wereld en zijn universum. Dat is de universiteit ook voor mij. Het is het ei waar ik uit kom en het is tegelijkertijd mijn universum, omdat het alles omvat wat je kunt weten.’
Hij laat de chique curatorenkamer zien, en het beroemde zweetkamertje, dat in een tweehonderdjarige traditie van onder tot boven is volgekalkt met de handtekeningen van Leidse alumni. Waaronder ook de zwierige hand van eredoctor Winston Churchill en de jongensachtige krabbel van drs. W.A. van Oranje.
'Dit gebouw stamt uit de zestiende eeuw’, zegt Otterspeer terwijl hij zware deuren opent en monumentale muurschilderingen becommentarieert, 'het vertelt zijn verhaal over de geschiedenis van de Leidse universiteit. Het is een levend historisch decor dat ik zeer waardeer, en dat ik nog mag beheren ook.’
We strijken neer in de senaatskamer - een statige ruimte die de heren professoren zich in de zeventiende eeuw in al hun gewichtigheid hadden toebedacht. De wanden zijn bedekt met portretten van eminente Leidse geleerden als Thorbecke, Lorenz, Kamerlingh Onnes, Huizinga. En daartussen hangt, met zijn kwaaie kop, bolle wangen en grote hangsnor, professor G.J.P.J. Bolland: autodidact, polemist, antisemiet en precies een eeuw geleden benoemd als hoogleraar in de filosofie te Leiden.
'VAN DE FILOSOFIE van Bolland is niks meer over’, zegt zijn biograaf, 'die is zo dood als een pier. De filosofie in die tijd stelde überhaupt niet veel voor - het draaide vooral om neosystemen en om het napraten van grote voorgangers.
Bolland was een neo-hegeliaan. Als je hem in één zin wilt neerzetten, dan was hij de grootste gelijkhebber die Nederland ooit heeft gekend. Hij heeft van zijn filosofie een superieure vorm van betweterij gemaakt. Bolland meende dat alle wetenschappen slechts relatieve uitspraken konden doen, en dat alleen de zijne absoluut waren. Hij maakte van de filosofie een soort totaalwetenschap, met hemzelf als hooggeleerde meneer die kennis van alle wetenschappen had. Maar dat was bluf. Hij had wel een fenomenale belezenheid, maar zoveel kan een mens natuurlijk niet weten, ook in die tijd niet.’
Bolland raasde en tierde tegen alles en iedereen: tegen de roomsen en de gereformeerden, tegen de socialisten, de vrouwen en de joden; zelfs tegen de fiets als onzedig vervoermiddel. Waarom?
Otterspeer: 'Hij had de frustratie van een jong ventje uit een arm gezin dat duizend keer zoveel talenten had als kansen. Hij moet zo vaak gekwetst zijn in zijn jeugd, dat hij dat later allemaal heeft willen afreageren. Hij zou Nederland wel eens inpeperen dat hij sociaal vrijwel kansloos was, maar toch aan de apex van de Nederlandse wijsbegeerte terecht was gekomen.
Als hij naar de universiteit ging, nam hij altijd een omweg door de arbeiderswijk. Waarschijnlijk wilde hij daarmee laten zien: Ik komt uit dezelfde sores als jullie, maar ík heb me omhoog gewerkt. Hij had misschien ook wel een zeker mededogen, maar dan toch altijd vanuit die Apollinische hoogte vanwaaruit hij de mensen de les wilde lezen.
Bolland heeft met vrijwel iedereen overhoop gelegen. De Vrijmetselaars hebben dat goed opgelost - die hebben hem uitgenodigd en lief aangehoord hoe hij ze de mantel uitveegde. Daar nam hij genoegen mee: hij had gezegd wat-ie op zijn lever had. Helaas deden de joden dat niet - die bekten terug, en toen was hij niet meer te houden.’
TOEN HIJ AL 67 was, trok Bolland volle zalen met zijn lezing 'De teekenen des tijds’, waarin de joden als 'onverteerbaarheden’ werden aangeduid die de Europese samenleving 'veretterden’. De illustere Leidse universiteit bleek Nederlands grootste antisemiet te herbergen. Bollands woorden waren volgens sommigen de opmaat tot het Nederlandse polderfascisme.
Otterspeer schudt zijn hoofd. 'Slechts een handvol fascisten beriep zich later op Bolland. Die malle brochure is een tragisch feit in zijn biografie, maar ik geloof niet dat hij veel invloed heeft gehad op het Nederlandse antisemitisme. Daarvoor was hij toch te ingewikkeld en vond men hem te belachelijk. Er is een enorme reeks van karikaturen van hem, vele juist naar aanleiding van 'De teekenen des tijds’.
Hij stond altijd al met zijn rug naar de Nederlandse maatschappij toe, en aan het eind van zijn leven snapte hij er echt niks meer van. Tot hij in het jodendom een zondebok vond. Dat kreeg hij voornamelijk aangereikt door zijn zoon, een gefrustreerde dominee te Schellinkhout die al veel langer antisemitische sympathieën had. Door een soort afschuwelijke chemie hebben vader en zoon elkaar in dit opzicht beïnvloed, en ook hervonden na tal van conflicten.’
Wie schrijft nu voor zijn plezier zeshonderd pagina’s vol over een filosofisch onbenul, die onleesbaar, belachelijk, agressief, conservatief en antisemitisch was? 'Het lijkt mij veel erger als je je hoofdpersoon enorm bewondert’, zegt Otterspeer droog. 'Ik heb voor hem gekozen omdat zijn leven zo bizar is. Je zou een mooie biografie over Huizinga kunnen schrijven, maar dat zouden voetnoten bij zijn werk worden, want Huizinga is nauwelijks zijn studeerkamer uit gekomen. Bolland heeft een immens parcours afgelegd - sociaal, geografisch, intellectueel, en dat is fascinerend om te beschrijven. En bovenal wilde ik dat intens voyeuristische métier van biograaf uitoefenen - ik was een biograaf op zoek naar een onderwerp.’
Volgens Boudewijn Büch was Bolland gewoon gek.
'Als historicus heb je niet de behoefte om iemand voor gek te verklaren, maar om hem een beetje te begrijpen. Ik heb daarom erg de confrontatie gezocht met Bolland, ben met hem in debat gegaan. Het gevaar is dat je dan te véél gaat begrijpen en daardoor alles gaat goedkeuren. Je moet wel een oordeel blijven houden. Daarom heb ik in het boek veel gebruik gemaakt van ironie, maar dat deed ik ook om die man van mijn lijf te houden. Die stond daar vier jaar lang elke dag weer te bassen in mijn huis, met die loensende, scherpe ogen van hem.’
WE WANDELEN door de gangen waar Bolland een eeuw geleden liep, gekleed in een zwart lakens pak met hoge zijden op het hoofd. Hij vond dat een professor een voorganger moest zijn, met een eigen ambtskleed. 'Zo'n type als hij’, zegt Otterspeer, 'zouden we hier nu niet meer tegenkomen. Een dergelijke excentriciteit die tegelijkertijd zo vooraanstaand wordt; iemand die zó gek is als professor aan de Leidse universiteit - nee, dat komt niet meer voor. Of het moet onze beklagenswaardige Leidse plagiator zijn, maar Diekstra lijkt verder toch tamelijk normaal.’
Wat zou Bolland van de universiteit van vandaag vinden?
'Hij zou zich omdraaien in zijn graf’, grijnst Otterspeer. 'Een universiteit waar de helft van de studenten vrouw is! En “arbeiderskinderen” die studeren - dat kon natuurlijk ook niet. Men diende, op enkele uitzonderingen na en daarvan was hij er een, in de eigen sociale setting te blijven; anders werd het staatsbestel omgewoeld en daarvan kwam slechts revolutie en gekakreel.’
Zelf heeft Otterspeer heel andere bedenkingen ten aanzien van de moderne Alma Mater. Hij vindt, in de woorden van zijn grote inspirator Huizinga, dat 'de samenhang tussen de wetenschappen het fundament en het wezen van de universiteit’ is. Maar die is teloorgegaan, en in plaats daarvan moeten wij het dezer dagen doen met een 'multiversiteit’, een soort bazaar van beroepsopleidingen.
'De specialisering’, zegt Otterspeer, 'is veel te ver doorgevoerd. Er zijn nauwelijks nog raakvlakken tussen de verschillende wetenschapsgebieden. Bolland heeft het nog zien gebeuren: met de nieuwe hoger-onderwijswet uit 1876 werd de algemeen vormende propedeuse afgeschaft en naar de middelbare school overgeheveld. Sindsdien houdt de universiteit zich bezig met het maken van specialisten.
Aan de universiteit zou je een veel universeler soort opleiding moeten kunnen genieten, want de inhoud van al die gespecialiseerde vakken veroudert razendsnel. Het zou veel beter zijn als studenten voornamelijk wetenschappelijke creativiteit bijgebracht krijgen - en dan niet in de Europakunde maar in een echt vak -, zodat ze hun weg weten te vinden in de wetenschap en goed kunnen redeneren.
Ik heb de indruk en de hoop dat men daarnaar terug wil. Je hoort weer stemmen opgaan voor zo'n brede opleiding. De commissie-Vonhoff heeft net een rapport geschreven over de Letterenfaculteit, waarbij de letteren in bredere zin worden beschreven. Een van de functies die de alumni van de Letterenfaculteit in dat rapport krijgen toebedeeld, is de luis in de pels van de samenleving te zijn. Dát is nou leuk, dat soort dingen verdient meer nadruk.’
In zijn binnenkort te verschijnen essaybundel Utopieën van een onvermoeibaar mens beschrijft Otterspeer hoe het succes van de universiteit tevens de ondergang van haar ideaal werd, omdat men ging inzien dat een academische graad nuttig was.
'In de zeventiende eeuw bleek de universiteit nuttig omdat ze toegangsbewijzen verleende tot bepaalde beroepsgroepen. Maar daarmee ging ook de wetenschap de universiteit uit, om beoefend te worden in geleerde genootschappen. Nu zie je dat weer gebeuren. De universiteit is een diplomafabriek geworden en daarnaast ontstaan aparte onderzoeksscholen. Dat is een betreurenswaardige ontwikkeling, omdat er zoiets ís als een kruisbestuiving tussen onderzoek en onderwijs.
Veel van het krediet dat de universiteit vroeger had, is verloren gegaan. Dat kun je alleen al zien aan de telkens weerkerende bezuinigingsgolven. Men heeft er in Den Haag niet de minste moeite mee om in universiteiten te snijden. De belangstelling voor het hoger onderwijs en de wetenschap is daar ongeveer even groot als de belangstelling voor de televisie. Dat moet je gewoon de markt op gooien’
DE UNIVERSITEIT moet de markt op, de zuivere wetenschap wordt elders bedreven, de student wordt consument - over de gevolgen van dit alles voor het intellectuele klimaat kun je, zegt Otterspeer, niet somber genoeg zijn. 'Als er geen opleiding is waarin mensen echt nieuwsgierig leren zijn, los van wat je er later mee kunt doen of hoe je het kunt verkopen, dan is dat fnuikend voor de wetenschap en voor het levensplezier.’
Toch ligt het niet allemaal aan de bezuinigingen, want u beschrijft zelf hoe de wetenschap kan opbloeien in tijden van armoede.
'Ja, dat zie je nu ook bij het beurzensysteem. In plaats van aio wordt men tegenwoordig “beurspromovendus”. Dat is niet erg elegant, want die kinderen krijgen werkelijk geen cent. Maar ze weten dat ze na vier jaar hard werken een dissertatie achter de rug hebben en dat ze daarmee iets kunnen. Dat hebben ze ervoor over, want ze blijven komen. Het is dus helemaal niet zo erg als die sociale kant van de universiteit wat verwaarloosd wordt. Dat geldt ook voor het wetenschappelijk personeel. Er wordt nog altijd behoorlijk veel verdiend aan de universiteit. Als er een generieke maatregel zou komen dat iedereen een-derde van zijn salaris moest inleveren, zou ik daar geen enkel bezwaar tegen hebben.’
Ook pleit Otterspeer voor differentiatie in het onderwijs naar Amerikaans voorbeeld: verschillende universitaire niveaus voor verschillende talenten. Want de getalenteerden raken gefrustreerd, terwijl de massa-universiteit met haar ongekend hoge studentenaantallen zich geen raad weet met de 'luiheid, het vluchtgedrag en de vrijetijdscultus’ van de rest. 'Noch op de middelbare school, noch aan de universiteit wordt geleerd om hard te werken. Dat is niet een probleem van de universiteit, dat ligt heus niet aan de 'studeerbaarheid’ - dat is een sociaal probleem. Niemand krijgt nog te horen dat het sappelen en zwoegen is in het leven, dat je verantwoordelijkheden hebt en risico’s moet nemen.’
Hard werken en armoe lijden - wat calvinistisch.
'Nee, want wetenschap is het allerleukste wat je je kunt voorstellen. Zelf vind ik onderwijs geven leuk omdat je met jonge enthousiaste mensen omgaat, en onderzoek doen is elke keer weer je eigen ei uitbroeden. Je kunt het nauwelijks werken noemen - het is pure hobby.’
HIJ WEET WEL: een mens kan ook te enthousiast zijn. In zijn essaybundel haast hij zich zijn utopieën te relativeren. 'Popper had natuurlijk gelijk dat utopieën maar al te makkelijk leiden tot totalitair denken, maar dat weten we nu wel. Daarom mag je nog wel zeggen dat we moeten dromen en dat we utopieën nodig hebben. Als mensen tijdens hun slaap niet dromen, worden ze heel ongezond, daar kunnen ze zelfs dood van gaan. En als culturen niet kunnen dromen in de vorm van utopieën, dan worden ze pragmatische regelingen waar alle fut uit is. Dan sterven ze af.
De gedachte achter mijn soort utopie is de common sense - het juiste midden. Neem vriendschap. Dat is een van de meest intense emoties die er zijn, maar aan de andere kant moet je de distantie kunnen hebben om elkaar de waarheid te zeggen. Daartussenin gebeurt het. De utopische universiteit vindt het juiste midden tussen intens wetenschappelijk onderzoek en de bereidheid dat door te geven aan studenten.
Het kwetsbare van die utopieën is dat ze makkelijk van dat midden wegdrijven. De universiteit is te veel verzakelijkt. Maar door de eeuwen heen zie je dat de universiteit zichzelf telkens weer als een baron von Münchhausen aan zijn eigen haren uit het moeras trekt. Want de universiteit heeft gedurende al die eeuwen haar oorspronkelijke inspratie behouden en kan daar telkens weer op terugvallen.
Het begon prachtig in de middeleeuwen, met het ideaal van onbaatzuchtige kennis en het aanleren van een academische houding. Al heel snel zie je dan de verzakelijking toeslaan. Maar in de renaissance bloeide bijvoorbeeld de Leidse universiteit helemaal op. Daar kwamen toen de wonderlijkste instellingen: een anatomisch theater, een bibliotheek, een kruidentuin. Men kocht beroemde geleerden weg bij andere universiteiten. Dat heeft de Leidse universiteit binnen dertig jaar internationale faam bezorgd. Daarna zakte het weer in, tot je in het begin van de negentiende eeuw het wonder zag van de Duitse universiteiten met hun Bildungs-ideaal: men greep weer terug op het middeleeuwse voorbeeld.
Kennis die geen bepaald doel, geen sociaal nut of economisch belang dient, is het mooist, maar de universiteit maakt óók deel uit van de maatschappij. Ze hoort daarin te opereren. Maar wanneer dat doorslaat en de universiteit een maatschappelijk instituut wordt dat enkel om de nuttigheid lijkt te draaien, is het weer tijd voor een reveil. En dat moment is nu gekomen.’