Honderd jaar Wageningen University & Research

Een universiteit voor ondernemende idealisten

Hoe kunnen we honger uitroeien en de planeet leefbaar houden? Samen met overheid en bedrijfsleven zoekt de universiteit van Wageningen naar antwoorden. Het zorgt voor mooie ranglijstscores en groeiende studentenaantallen, maar ook voor een spanningsveld. ‘Het gevaar is dat je gaat lijden aan tunnelvisie.’

Plantwetenschappers aan het werk in de kassen

Waarom hoor ik het woord “innovatie” niet? Mensen uit het bedrijfsleven hebben het daar constant over. Wij willen kennis toepassen om de wereld een mooiere plek te maken.’ De studente op de eerste rij kijkt de drie onderzoekers op het podium vragend aan. Zij hebben net, tijdens een lunchlezing, verteld hoe ze aankijken tegen de plannen van landbouwminister Carola Schouten, waarvoor wetenschappers van Wageningen University & Research (wur) belangrijke adviezen hebben gegeven. Tijdens hun presentatie ging het over bodemkwaliteit, het sluiten van kringlopen en de toekomst van de veehouderij. Belangrijke thema’s met grote maatschappelijke impact. Maar de studente blijft kennelijk achter met een onbevredigd gevoel. ‘Never stop exploring’, staat op het omslag van haar notitieblok.

Na afloop van het evenement spreek ik haar aan, als ze met een vriendin richting de uitgang wandelt. Leah Schepp zit in haar derde jaar internationale ontwikkelingsstudies. Ze praat Engels met een Amerikaans accent en woonde lange tijd in Duitsland, voordat ze in Wageningen kwam studeren. ‘Dit is een wereldberoemde universiteit op het gebied van voedsel en landbouw. Er gebeurt hier ontzettend veel, niet alleen in de collegezalen, maar ook daarbuiten. This place is amazing.’ De nabijheid van innovatieve bedrijven was een van de redenen dat ze voor Wageningen koos: ‘Het bedrijfsleven en de academische wereld hebben elkaar nodig. Ze delen vaak ideeën, maar ze spreken elkaars taal niet. Dat kan beter.’

‘Wij zijn een ethisch bedrijf. Do good, be good, dat is ons motto.’ Het is half zes ’s avonds en in dezelfde zaal waar eerder die middag de sessie over kringlooplandbouw plaatsvond, speelt nu een gelikte promotievideo van de Canadese patatproducent McCain. Ze hebben een flinke delegatie meegebracht voor hun praatje. Het eerste kwartier wordt vooral gebruikt om te benadrukken dat McCain een verantwoord bedrijf is dat het beste voor heeft met de boeren, het land, en de wereld als geheel. Hier geen gebrek aan het woord ‘innovatie’. Dat is tenslotte ‘de sleutel tot duurzame landbouw’. ‘Wij zijn hier voor jullie’, zegt het hoofd talentontwikkeling tegen de verzamelde studenten. ‘Wij kiezen heel zorgvuldig uit met welke scholen we optrekken en deze universiteit is daar één van. We hebben jullie nodig om ons te helpen innoveren.’

Dat McCain in Wageningen op zoek gaat naar talent mag geen verrassing heten, want volgens de invloedrijke Shanghai Ranking staat hier de beste landbouwuniversiteit ter wereld. Vandaar dat ambitieuze studenten vanuit alle continenten naar het Gelderse stadje met nog geen veertigduizend inwoners trekken. En ook onder Nederlanders blijft de universiteit onverminderd populair: in de Keuzegids staat wur al ruim tien jaar onafgebroken bovenaan. ‘Wij zijn wereldkampioen innovatie in landbouw en voedsel’, zei premier Rutte tijdens de opening van het academisch jaar. ‘En wur is de wetenschappelijke motor achter deze prestatie.’

Die motor draait de laatste jaren op volle toeren. In acht jaar tijd verdubbelde het aantal studenten naar twaalfduizend, ook een teken dat voedsel en ecologie volop in de belangstelling staan. Hoe we op een duurzame manier een almaar groeiende wereldbevolking kunnen voeden is een van de belangrijkste vraagstukken van dit moment. En wur heeft een duidelijke strategie om antwoorden te vinden: actief samenwerken met de overheid, ngo’s en het bedrijfsleven. In Wageningen is de universiteit geen ivoren toren, maar een instituut dat midden in de samenleving wil staan. Op de campus staat een vestiging van zuivelcoöperatie FrieslandCampina en pal ernaast is het nieuwe onderzoekscentrum van Unilever in aanbouw. Op het prikbord van het Carrière Centrum hangen vacatures van Monsanto naast die van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.

De studenten hier zijn idealistischer dan elders, merkte ik tijdens mijn bezoek. ‘Dat is in al die jaren niet veranderd’, zegt Rudy Rabbinge, de emeritus professor duurzame ontwikkeling die zijn hele loopbaan nauw betrokken is geweest bij het bestuur van wur. ‘Toen ik hier in 1964 kwam studeren was ik ook zo’n jonge wereldverbeteraar. Honger was iets verschrikkelijks, daar wilde ik iets aan doen. Op een normale universiteit bedrijven ze wetenschap om de wetenschap, hier bedrijven we wetenschap met een doel.’

Die doelgerichte universiteit viert dit jaar haar honderdjarig bestaan en bloeit als nooit tevoren; een mooi moment om het succes van Wageningen te ontleden.

Eigenlijk begint dat verhaal al in 1876, toen de Nederlandse overheid een Rijkslandbouwschool wilde oprichten en de toenmalige onderwijsinspecteur Wageningen aanwees als de ideale locatie: het ligt centraal, er zijn verschillende grondsoorten om proeven te doen en de vrome boerenfamilies hoefden niet te vrezen dat hun zonen ten prooi zouden vallen aan ‘eene te sterke ontwikkeling van stadsbegeerten’. Behalve van de Landbouwhogeschool, die in 1918 een universitaire status kreeg, werd Wageningen ook de thuishaven van de Directie Landbouwkundig Onderzoek (dlo), de onderzoeksinstituten van het ministerie van Landbouw. Na de Tweede Wereldoorlog hadden zij de taak om Nederland en de wereld te voorzien van voedsel, door in te zetten op grootschalige productie tegen lage kosten. ‘Nooit meer honger’, zo vatte de legendarische landbouwminister Sicco Mansholt de missie samen.

Eind jaren tachtig kregen het onderwijs en onderzoek in Wageningen het zwaar te verduren. De overheid begon stevig te bezuinigen op de dlo en de universiteit kampte met sterk teruglopende studentenaantallen. Het werd duidelijk dat de boel op de schop moest. De regering gaf de Rotterdamse burgemeester Bram Peper de opdracht om te onderzoeken of een universiteit in Wageningen überhaupt wel levensvatbaar was. Ja, luidde zijn conclusie, maar alleen als de onderzoeksinstituten en de universiteit worden samengebracht onder één bestuur.

Toen Aalt Dijkhuizen in 2002 aantrad als voorzitter van de raad van bestuur was die reorganisatie net achter de rug. Maar het lek was nog lang niet boven, blikt hij terug. ‘We stonden er slecht voor. Mijn voorganger had de twee takken wel samengevoegd, maar de echte integratie moest nog beginnen.’ Dijkhuizen hangt zijn jasje over een stoel en doet zijn stropdas af. Hij komt net van een vergadering van een veevoerbedrijf waar hij commissaris is. Het is één van zijn vele nevenfuncties naast zijn baan als voorzitter van Topsector Agri & Food. ‘Kijk maar op mijn LinkedIn, daar staat alles keurig op een rij.’

In mijn gesprekken met hoogleraren en (oud-)studenten klonk er vaak een betekenisvol lachje als de naam van Dijkhuizen viel: hij heeft de reputatie recht door zee te zijn, een boerenzoon met een duidelijke visie op de organisatie en niet beschroomd om zijn autoriteit te laten gelden. Die leiderschapsstijl viel niet bij iedereen in de smaak, maar ook zijn critici kunnen moeilijk ontkennen dat de instelling die bij zijn aantreden nog moest vrezen voor haar voortbestaan, floreerde toen hij in 2014 afzwaaide. Hoe heeft hij dat voor elkaar gekregen?

‘We hebben gezamenlijk de bedrijfsvoering op orde gebracht door een heldere strategie te formuleren én te implementeren’, zegt hij. ‘Er waren allemaal verschillende afdelingen en iedereen opereerde op eigen houtje. Het was erg versnipperd. We moesten laten zien dat we één organisatie zijn, onze maatschappelijke relevantie beter uitdragen. Daarom hebben we toen ook de slogan “For Quality of Life” bedacht: dát is de kern van ons bestaan.’ En, niet onbelangrijk, het bundelen van krachten maakt uit in de ranglijstjes: ‘Anders heb je misschien tien afzonderlijke instituten in de top-honderd, maar samen sta je in de top-drie.’

‘Op een normale universiteit bedrijven ze wetenschap om de wetenschap, hier doen we dat met een doel’

Dijkhuizen was ook degene die vol inzette op de samenwerking met de overheid en het bedrijfsleven. Bij zijn afscheid noemde minister Henk Kamp hem ‘de belichaming van de Gouden Driehoek’ en dat beschouwt hij als een compliment: ‘De neuzen moeten dezelfde kant uit staan, dan kom je ergens. Wat sterk is, wil je sterker maken, dat is het gemeenschappelijke belang. Daar heeft de kennisinstelling belang bij, want die krijgt studenten en onderzoeksgeld. Daar heeft het bedrijfsleven belang bij, want dat kan machines, kennis of producten exporteren. En de overheid heeft er belang bij, want het is goed voor de economie en werkgelegenheid. Hoe Nederland wereldwijd bekend staat om “agri” en “food” – dat is echt on-ge-kend!’

Dat was ook de trotse boodschap die hij in 2012 uitdroeg tijdens zijn toespraak bij de opening van het academisch jaar. Met ons model van hoogproductieve landbouw zorgen we wereldwijd voor een betrouwbare en duurzame voedselvoorziening. ‘Wij zijn de Usain Bolt van voeding’, zei hij destijds tegen Trouw. Bij sommige hoogleraren schoten die uitlatingen in het verkeerde keelgat, want lang niet iedereen in Wageningen was het daarmee eens. Een paar dagen na het interview schreven tien verontwaardigde professoren een open brief. ‘Dijkhuizen bedrijft geen wetenschap, maar politiek’, was de kop. ‘Hij hanteerde een smalle definitie van duurzaamheid’, zegt Han Wiskerke, hoogleraar rurale sociologie en een van de ondertekenaars, er nu over. ‘Hij vond dat Wageningen ergens voor moest staan in dit soort debatten. Dat we met één mond naar buiten moeten treden.’

Niets van waar, zegt Dijkhuizen stellig. ‘Je moet als universiteit geen positie innemen. Wageningen is geen belangenvereniging of beleidsorganisatie. Wageningen onderzoekt.’ Zijn toespraak waarin hij de loftrompet stak over het Nederlandse landbouwmodel was daarmee niet in tegenspraak, vindt hij. ‘Sommigen zeiden dat ik een visie uitdroeg, maar ik legde gewoon de feiten op tafel.’

Het is tekenend voor de worsteling van de Wageningse universiteit. Landbouw is een beladen onderwerp, zeker nu duidelijk is dat het huidige model tegen ecologische grenzen opbotst. Iedereen weet dat het anders moet, maar hoe, daarover lopen de meningen uiteen. Nu hoort de universiteit een forum voor permanent debat te zijn, maar als je, zoals wur, tegelijkertijd wil vormgeven aan de toekomst van de landbouw, dan helpt het om een eenduidig verhaal te hebben. Waar het in Dijkhuizens tijd nog ging over het verhogen van opbrengsten en efficiëntie is nu ‘kringlooplandbouw’ het sleutelwoord: zuinig zijn met de grondstoffen en die zo veel mogelijk hergebruiken. Dat was het advies dat de Wageningse onderzoekers aan Carola Schouten gaven en dat was ook het onderwerp van de Mansholtlezing die de huidige voorzitter Louise Fresco onlangs gaf in Brussel. Wageningen is een universiteit die niet alleen de problemen wil identificeren, maar vooral, samen met anderen, oplossingen wil aandragen.

Unifarm is het visitekaartje van WUR

Ting ting ting. De vrolijke studente is op een stoel geklommen en tikt met een mes tegen haar halfvolle wijnglas. Tijd voor een toost. Ze kijkt naar links, dan naar rechts en ziet een lange rij van zo’n twintig aaneengeschakelde eettafels in allerlei soorten en maten. Eromheen zitten zeker tachtig mensen. ‘Wauw! Laten we dit vaker doen. Wij zijn zo’n coole community.’ Er klinkt instemmend gejoel. Op tafel staan dampende pannen met spaghetti, stamppot, risotto en een pittige chili, maar dan wel zonder carne, want vrijwel alles hier is vegetarisch, het meeste zelfs veganistisch. Veel van de ingrediënten komen uit eigen moestuin. Als de schemering invalt worden de kaarsen in lege wijnflessen aangestoken. Een jongen in een fleurig tie-dye-shirt zorgt met zijn gitaar voor achtergrondmuziek.

Welkom op Droevendaal, een verzameling van 34 barakken die samen een woongemeenschap vormen voor milieubewuste studenten, die zowel hechten aan vrijheid als saamhorigheid. De ‘hippiecampus’ wordt het ook genoemd. Toen er in 1974 een tekort was aan studentenwoningen werden er in dit weiland, op een steenworp afstand van de nieuwe campus, houten keten getimmerd. Aanvankelijk was het een tijdelijke oplossing, maar al gauw ontstond een hechte gemeenschap van betrokken studenten, die samen voedsel verbouwden, kampvuurtjes stookten en legendarische feestjes gaven. ‘Droef’ werd een begrip in Wageningen en het zou zonde zijn als dat zou verdwijnen, vond men. Dus werden de houten bungalows in 2000 vervangen door permanente, milieuvriendelijke woningen van baksteen.

Het studentencomplex telt nu meer dan tweehonderd bewoners, een kleine honderd kippen, meer dan dertig katten en een paar geiten. De combinatie van eigengereidheid en idealisme is nog altijd de verbindende factor. ‘Ik ben toch een beetje de vijand’, grapt de Italiaanse Rebecca. Ze studeert levensmiddelentechnologie en loopt nu stage bij een grote multinational. Daarmee is ze inderdaad een wat vreemde eend in de bijt. Veel studenten hier zijn uitgesproken kritisch op de invloed van bedrijven en verkiezen de biologische boer boven de industriële landbouw. Tegen de tijd dat het toetje op tafel staat, is Rebecca verwikkeld in een discussie over genetische modificatie. ‘Ik probeer het systeem van binnenuit te veranderen. I’m not evil. I’m feeding you!’

Nee, Droevendaal is geen politieke groep, benadrukken de inwoners, maar je zou het wel kunnen zien als het epicentrum van het Wageningse studentenactivisme. Tijdens het diner praat ik met een bestuurslid van de Boerengroep, een club die al sinds de jaren zeventig actie voert voor onderwijs dat beter aansluit op de boerenpraktijk. Nog altijd organiseren ze regelmatig excursies naar inspirerende landbouwers, al is het de laatste jaren moeilijker geworden om bestuursleden te vinden. Even later word ik voorgesteld aan iemand van Fossil Free Wageningen. Toen Shell een evenement organiseerde op de campus stonden zij daar met spandoeken om bezoekers te herinneren aan de schade die het olieconcern aanricht.

Toch was er weinig protest toen werd aangekondigd dat Unilever een onderzoekscentrum op de campus ging bouwen. ‘Ja, waarom is er eigenlijk niet gedemonstreerd?’ Inez Dekker vraagt het alsof ze er nu pas voor het eerst over nadenkt. De studente ontwikkelingsstudies is voorzitter van OtherWise, een groep voor geëngageerde studenten. Nu toont Unilever zich weliswaar meer begaan met de planeet dan Shell, maar Dekker heeft haar twijfels bij de komst van de levensmiddelengigant. ‘Je moet de schijn van belangenverstrengeling zo veel mogelijk proberen te vermijden.’ Van georganiseerd verzet kwam het echter niet. ‘De meeste studenten zien het probleem niet zo, het systeemdenken stamt uit een andere tijd.’

Inez Dekker

Van oudsher is Wageningen een plek waar dwarse linkse studentengroepen zich lieten gelden. Groene activisten vernielden proefvelden waar werd geëxperimenteerd met genetische modificatie en studentenvakbonden organiseerden protestacties om meer inspraak te eisen. In het plaatselijke museum is op dit moment een expositie te zien over de ‘revolutie van 1980’, het jaar waarin honderden studenten wekenlang het hoofdgebouw van de Landbouwhogeschool bezetten, totdat de ME er een einde aan maakte. De episode zou de boeken in gaan als de Wageningse lente. En hoewel dat hoofdgebouw inmiddels is omgetoverd tot een appartementencomplex en de universiteit onherkenbaar is veranderd, is die tegendraadse stroming nog altijd aanwezig. Zij het wat minder prominent.

Het luidst klinkt dat tegendraadse geluid nog op Leeuwenborch, het gebouw van de sociale wetenschappen dat net buiten de nieuwe campus ligt. De luis in de pels, zo omschrijven meerdere medewerkers het departement. Waar in de laboratoria toch vooral wordt gezocht naar toepasbare oplossingen doceren hier hoogleraren die hun Marx kennen en niet terugdeinzen voor stevige systeemkritiek. Bram Büscher is zo’n professor. In 2014 kwam hij over van het Institute for Social Studies en sindsdien is hij het hoofd van de groep Sociology of development and change. ‘Het viel me op wat een octopus-organisatie dit is. Het is een relatief kleine universiteit, maar het heeft instituten in heel het land en een enorme invloed in Den Haag en de commerciële sector.’

‘Bedrijven hebben ons niet nodig voor de oplossing van praktische problemen. Dat kunnen ze zelf wel’

Dat biedt kansen, snapt hij, maar het brengt ook gevaren met zich mee. ‘Samenwerken is prima, maar je moet oppassen voor de glijdende schaal. Bedrijven en overheden werken nu eenmaal volgens andere principes dan een universiteit.’ Niet dat hij twijfelt aan de integriteit van de wetenschappers of aan de kwaliteit van hun onderzoek. De beïnvloeding waar hij, en veel collega’s en studenten met hem, voor vreest is subtieler. Private financiering kan bepalen welke vragen er wel en niet gesteld worden: onderzoeksvragen die vanuit commercieel perspectief interessant zijn, zijn wellicht niet de onderwerpen waar een academicus voor warmloopt. Een bedrijf als Unilever heeft er waarschijnlijk weinig baat bij om de portemonnee te trekken voor onderzoek naar biologische landbouw. En als een bijzonder hoogleraar, die wordt betaald door FrieslandCampina, in zijn afscheidsrede roept dat we meer melk moeten drinken, dan moet je niet gek opkijken als je wordt aangezien voor een vriendje van de zuivelindustrie. ‘Het gevaar is dat je gaat lijden aan tunnelvisie.’

Dat soort kritiek wordt hem niet altijd in dank afgenomen. Voor de goede orde: Büscher kan zeggen wat hij wil, in ons gesprek hoeft hij niet op zijn woorden te passen, maar vaak weten de meer praktijkgerichte collega’s niet goed wat ze met zijn bezwaren aanmoeten. ‘Ze doen het al snel af als geneuzel of moeilijkdoenerij. Dan zijn wij ineens “activistisch”. Nou, weet je wat ik activistisch vind? Als je grote bedrijven aan meer winst helpt.’ Het hele verhaal over de Gouden Driehoek noemt hij ‘pure marketing’. En het staat op gespannen voet met de Bologna-verklaring uit 1988, vindt hij. ‘Onderwijs en onderzoek moeten moreel en intellectueel onafhankelijk zijn van alle politieke autoriteit en economische macht’, staat in het document dat werd ondertekend door achthonderd universiteiten, waaronder de Wageningse.

Louise Fresco, de huidige bestuursvoorzitter, deelt die zorgen niet. ‘Bij iedere samenwerking maken we goede afspraken die onze onafhankelijkheid en kwaliteit van het onderzoek waarborgen’, zegt ze in haar kantoor op de zesde verdieping van het modernistische Atlas-gebouw, dat een fraai uitzicht biedt over de rest van de campus. De universiteit, zegt ze, heeft in de eerste plaats een agenderende taak. Niet door te claimen de waarheid in pacht te hebben, maar door belangrijke thema’s te identificeren en het debat aan te zwengelen. Bang voor een tunnelvisie is ze niet. ‘Onze wetenschappers hebben voldoende kritisch vermogen. Je moet ook niet denken dat bedrijven ons nodig hebben voor bevestiging of voor de oplossing van praktische problemen. Dat kunnen ze zelf wel. Ze zijn juist geïnteresseerd in de fundamentele vraagstukken. Net als wij.’

Anders dan de beeldvorming soms doet vermoeden, is Wageningen bovendien helemaal geen koploper in het samenwerken met de private sector. In 2016 haalde wur 27 procent van haar inkomsten uit ‘werk voor derden’, zo blijkt uit cijfers van het Rathenau Instituut. Daarmee scoort ze precies gemiddeld. Toch ligt de aanwezigheid van het bedrijfsleven hier gevoeliger dan elders, weet Fresco, die tot vorig jaar commissaris was bij Unilever. Dat komt doordat men zich hier bezighoudt met beladen thema’s: voedsel en het milieu gaan iedereen aan. ‘Iets als aerodynamica roept vast niet bij zoveel mensen zulke sterke gevoelens op’, zegt Fresco.

Maar het komt ook door de unieke constructie van onderzoeksinstituten en universiteit onder één dak. Waar de Research-tak afhankelijk is van externe opdrachtgevers is de onderwijsinstelling primair gericht op de academische vorming van de studenten. Toch ziet Fresco geen enkele reden waarom die twee elkaar zouden bijten. ‘Ik geloof niet dat het financieringsmodel uitmaakt voor hoe mensen denken.’ Als het aan haar ligt zouden de onderzoeksinstituten en universiteit naadloos in elkaar overlopen, want daar ligt juist de kracht van Wageningen. ‘Als ik met een wetenschapper praat weet ik vaak niet waar diegene bij hoort, omdat het niet relevant is.’ Vandaar dat ze in het strategische plan pleitte voor meer eenheid. ‘OneWageningen’ is het motto.

Opvallend genoeg bleek dat motto niet van toepassing toen journalisten van OneWorld een Wob-verzoek indienden naar aanleiding van een controversiële studie over pesticiden. Het onderzoek was uitgevoerd door Wageningen Plant Research, dat ook werk doet in opdracht van chemiereus Bayer. Om na te gaan of er sprake is geweest van beïnvloeding vroegen de journalisten om inzage in de e-mailcommunicatie tussen de Wageningse onderzoekers en fabrikanten van pesticiden. Maar wur weigerde aan dat verzoek tegemoet te komen. Omdat het onderzoeksinstituut een merendeel van zijn financiering uit de private sector krijgt, valt het niet onder de Wet openbaarheid van bestuur, betoogt de universiteit. Het is nu afwachten of de rechter meegaat in die redenering, want OneWorld heeft een zaak aangespannen.

De ‘hippiecampus’ Droevendaal

Een muffige, zoete geur komt ons tegemoet als we de schuifdeuren doorgaan van Unifarm, het onderzoeksinstituut voor plantwetenschappen. ‘Dat komt daar vandaan’, zegt het hoofd van de afdeling. Hij wijst naar een container vol doorzichtige vuilniszakken met dorre plantenresten. Omdat ze veel met genetische gemodificeerde organismen (ggo’s) en quarantaine ziekteverwekkers werken, moet al het materiaal vernietigd worden in een autoclaaf, een soort snelkookpan die alle virussen en ggo’s doodt. Zodat niets uit de onderzoeksfaciliteiten kan ontsnappen.

Deze kassen zijn het visitekaartje van Wageningen. Hier experimenteren wetenschappers met natuurlijke ongediertebestrijders, proberen ze een bananenras te kweken dat resistent is tegen veel voorkomende ziektes, en onderzoeken ze in speciale klimaatkamers welk effect verschillende soorten licht hebben op sla. Onlangs kwamen journalisten van National Geographic op bezoek om te kijken ‘hoe zo’n klein landje de wereld voedt’. En ook het Duitse magazine brand eins schreef na een rondleiding bij Unifarm een jubelend artikel over de ‘voedselrevolutie’ die plaatsvindt in Wageningen. Tijdens mijn tour word ik vergezeld door een radiomaker van de bbc, wiens ogen oplichten als we aankomen bij een futuristisch project met robots en camera’s die de groei van een plantje nauwgezet in kaart kunnen brengen. ‘Is het misschien mogelijk om een drone in actie te zien?’ vraagt hij.

Het is de kant van Wageningen die de buitenwereld graag ziet. De universiteit die met slimme technologie helpt om het wereldvoedselvraagstuk op te lossen. Maar het is slechts een deel van het verhaal, want er zijn genoeg hoogleraren en studenten die vraagtekens plaatsen bij de doorgeslagen modernisering van de landbouw en pleiten voor terugkeer naar de menselijke maat. ‘Geitenwollensokkentypes’ heetten ze vroeger.

Dat andere gezicht van Wageningen toont zich op een donderdagavond bij een veldje aan de rand van de campus, waar een groepje studenten op hun hurken tussen de snijbieten en de tomatenplanten zit en emmers met onkruid vult. ‘Er was ontzettend veel animo voor een eigen moestuin’, zegt Jan Gaertner, bestuurslid van WUR Student Farm. ‘Dus toen hebben we een coöperatie opgericht en kregen we dit stukje grond van de universiteit.’ Hij toont de hopplanten waarmee ze eigen bier brouwen, een akkertje waar ze experimenteren met landbouwtechnieken van Amerikaanse indianen en helemaal achterin, voorbij een veldje met wilde bloemen, staan de kasten voor de bijen. ‘Sommige veganistische leden zijn daar niet zo blij mee’, zegt Jan. Ook honing is immers een dierlijk product.

De moderne kassen en het ambachtelijke proefveldje, op nog geen vijf minuten loopafstand van elkaar, tonen de twee zielen in het ene lichaam. De laatste jaren lijkt het ‘modernistische’ verhaal echter de boventoon te voeren, misschien ook omdat het beter aansluit bij deze tijd. Een tijd waarin bedrijven zich graag profileren als wereldverbeteraars, waarin de overheid bezuinigt op fundamenteel onderwijs en onderwijsinstellingen op zoek moeten naar externe financiers. wur gedijt goed in dat klimaat. Ze heeft samenwerking tot de kern van haar filosofie gemaakt. Het is de reden dat Wageningen goed scoort op de ranglijsten en in het buitenland net zo beroemd is als Johan Cruijff. Het brengt multinationals naar Gelderland om talent te werven of vestigingen op te zetten.

Maar daar zit precies de spanning. Want soms zijn dat soort multinationals eerder deel van het probleem dan van de oplossing. Probeer je dan ‘de vijand’ van binnenuit te veranderen? Of lever je systeemkritiek van buitenaf? Met een slimme uitvinding voor FrieslandCampina bereik je meer mensen dan met een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift. Maar een radicale ommezwaai zul je op die manier niet snel realiseren. Het is een dilemma, zo merkte ik, waar de idealistische studenten zich beter bewust van lijken dan de bestuurlijke top.

‘Sommige studiegenoten lopen stage bij Monsanto, maar voor zo’n bedrijf zou ik nooit kunnen werken’, zegt Jan terwijl hij langs rijen prille appelboompjes loopt. ‘Ze intimideren en ruïneren boeren.’ Een universiteit staat in dienst van de publieke zaak, vindt hij, en moet dus waken voor te innige banden met bedrijven. ‘Maar natuurlijk kan een symbiotische samenwerking ook mooie dingen opleveren. Uiteindelijk gaat het hier over landbouw en dat is nooit puur theoretisch. Het raakt aan het leven van miljarden mensen.’