Simone Weil fascineert, maar jaagt met haar radicaal tegendraadse manier van denken ook angst en ergernis aan © Tallandier / Bridgeman Images

In een interview met de Royal Swedish Opera vertelde de Finse componiste Kaija Saariaho dat ze haar opera La passion de Simone, uit 2006, als haar ‘belangrijkste werk’ en zelfs haar ‘testament’ beschouwt. Het werk volgt het leven van de Franse filosofe en activiste Simone Weil als een contemporaine Via dolorosa. In samenspraak met Amin Maalouf, die het libretto schreef, worden in vijftien kruiswegstaties de hoogte- en dieptepunten van Weils leven tot aan haar vroege dood op 34-jarige leeftijd in Londen in scène gezet.

Saariaho is met name gefascineerd door de manier waarop Weil filosofie aan politieke actie verbond, ‘iets wat we juist vandaag opnieuw moeten leren’. Wie was deze Frans-joodse filosofe, over wie Simone de Beauvoir ooit opmerkte ‘dat ze jaloers was op dit hart dat voor het hele universum wist te kloppen’.

Simone Weil, de ‘rode maagd’ van Frankrijk, politieke martelares en filosofische mystica, werd in 1909 in Parijs in welgestelde, joodse kringen geboren. Op tienjarige leeftijd benoemde ze zichzelf tot ‘bolsjewiek’; ze sloot zich aan bij de arbeidersbeweging, liep mee in demonstraties en schreef op de middelbare school haar eerste politieke pamfletten. Daarna studeerde ze filosofie en publiceerde haar eerste artikelen over met name politieke kwesties. In 1932 woonde ze een paar maanden in Duitsland om marxistische groepen te helpen in hun verzet tegen de opkomst van Hitler. Ze waarschuwde in krantenartikelen voor het fascisme van de nazi’s, die ze met de naar macht hongerende Romeinen en ‘het Grote Beest’ van Plato vergeleek, maar kreeg, zoals wel vaker, het verwijt dat ze overdreef.

Rond diezelfde tijd verklaarde ze zich ook solidair met de Palestijnen, die in haar optiek door de zionisten verdreven en ‘ontworteld’ werden, een cruciale term in haar denken, wat haar beschuldigingen van antisemitisme opleverde.

Simone Weil was een tegendraadse denker; ze was een marxiste die Marx bekritiseerde; een joodse intellectueel die het zionisme veroordeelde; en een mystieke denker die de orthodoxe dogma’s van zowel de christelijke als de joodse religie verwierp. Ze was ook een politieke activist, die lid was van de vakbond, meehielp stakingen te organiseren en voor haar baan als filosofiedocent niet meer dan een uitkering betaald wilde krijgen.

Uit solidariteit met de arbeiders werkte ze in 1934 een jaar lang achter de lopende band van een Renaultfabriek en deed verslag van het zware, geestdodende werk in La condition ouvriere. Volgens Hannah Arendt is dit een van de beste en ‘minst sentimentele’ essays die ooit over het verrichten van fysieke arbeid is geschreven. In 1936 vocht Weil aan republikeinse zijde in de Spaanse Burgeroorlog, wat vanwege haar bijziendheid en zwakke fysieke gestel geen bijster goed idee was; ze kreeg ernstige brandwonden van een pot kokende olie die ze over het hoofd had gezien en moest in allerijl naar huis terugkeren.

Weil was ook een van die zeldzame Europese denkers die even nieuwsgierig was naar hindoeïstische en boeddhistische tradities als naar de katharen en de klassieke Grieken, zichzelf Sanskriet leerde om de Bhagavad Gita te kunnen lezen en oud-Griekse poëzie vertaalde. Kolonialisme en imperialisme stelde zij vanaf haar eerste tot aan haar laatste teksten scherp aan de kaak. Ze overleed in 1943 in Londen aan de gevolgen van tbc en ondervoeding – ook een dood uit solidariteit, zou je kunnen zeggen, omdat ze weigerde meer te eten dan de bevolking in de door de Duitsers bezette gebieden.

Dit alles heeft haar leven omringd met een aura van mystiek martelaarsdom. Reden waarom Trotski, die ze in de jaren dertig onderdak verleende in Parijs, haar ‘een heilsoldate’ noemde. Toch is haar handelen altijd in lijn geweest met haar denken: niet macht, geld en het ego zijn van belang voor mens of samenleving, maar de mate waarin mensen zich geborgen en geïnspireerd voelen en naar elkaar omkijken.

Als professor filosofie tussen een aantal studenten. Frankrijk tussen 1932-1933 © Photo 12 / Getty images

Het achtergelaten werk van Simone Weil bestaat uit vele duizenden bladzijden filosofische essays, politieke pamfletten, dagboekaantekeningen en brieven, die mede dankzij de inspanningen van Albert Camus postuum werden gepubliceerd. Inmiddels nemen de door Gallimard uitgegeven Oeuvres complètes al zo’n vijf kloeke delen in beslag. Volgens Camus, die haar ‘de grootste geest van zijn tijd’ noemde, was haar denken zo waardevol ‘dat er in Europa geen filosofische heropleving plaats kan vinden, die geen rekening houdt met de eisen die Weil daaraan gesteld heeft’. Maar dat viel nogal tegen. Gedurende de eerste decennia na haar dood werd haar werk vooral door dichters en schrijvers opgemerkt, onder wie T.S. Eliot en Iris Murdoch, maar bleef de respons in academisch filosofische kringen grotendeels uit.

Daar lijkt nu verandering in te komen, want inmiddels, bijna tachtig jaar na haar overlijden, verschijnen er diverse nieuwe studies en vertalingen van haar werk, alleen in Nederland het afgelopen jaar al: Waar strijden wij voor? (2021), Wat is heilig in de mens? (2021), binnenkort gevolgd door Verworteling (2022) en themanummers van zowel het tijdschrift Filosofie als het Leuvense Tijdschrift voor Filosofie. In de Angelsaksische wereld kreeg de nieuwe biografie van Robert Zaretsky, The Subversive Simone Weil: A Life in Five Ideas, veel respons, waaronder een kritisch stuk van Toril Moi in The London Review of Books, die de Amerikaanse biograaf enige dubbelhartigheid verwijt. Zaretsky’s conclusie dat niemand in staat is om volgens de morele maatstaven van Weil te leven en het dus nog maar de vraag is wat we aan dit denken hebben, onderschrijft Moi niet.

Net als Susan Sontag, die in haar essay uit 1963 opmerkte dat ‘we Weil niet bewonderen, omdat we het met haar eens zijn’, maar vanwege haar ‘extreme ernst’, ‘compromisloosheid’ en radicale vorm van solidariteit, beschouwt Moi het werk van Weil als een utopische stip op de horizon, dat richting kan geven aan nieuwe ontwerpen voor compassie en solidariteit. Dat is ook de mening van Eric Springsted in zijn boek Simone Weil for the Twenty-First Century en van enkele essayisten uit de bundel van Sophie Bourgault en Julie Daigle, Simone Weil, Beyond Ideology?, die Weils concept van ‘belangeloze aandacht’ als werkmodel voor zorgethiek onderzoeken.

Simone Weil als kind in Frankrijk © Photo 12 / Getty Images

Ik ontdekte het gedachtegoed van Simone Weil halverwege de jaren tachtig in Parijs, mede dankzij het indrukwekkende essay van Maurice Blanchot in L’entretien infini (1969). Hij beschrijft daarin zowel haar opmerkelijke stijl, die hij affirmatief en ‘onpersoonlijk’ noemt, als de vijf kerngedachten van haar denken: aandacht, beproeving, verzet, verworteling en het goede.

Weils filosofie cirkelt inderdaad om deze vijf begrippen heen, hoewel ik er nog wel een stuk of drie aan had willen toevoegen die naar mijn idee net zo cruciaal voor haar filosofie zijn, namelijk de ziel of ‘het onpersoonlijke’ in de mens, ‘equilibrium’ of het zoeken van een nieuw evenwicht tussen tegengestelde polen en ten slotte de ‘decreation de soi’, die we als ‘ontschepping’ van het ego of transgressie van het ‘ik’ kunnen vertalen. Pas als het ego overstegen wordt, raakt de menselijke ziel ontvankelijk voor zowel de ander als het goede, en kan er een nieuw evenwicht tussen goed en kwaad, ik en ander ontstaan.

Niet het ego maar de ziel moet leidend zijn voor ethisch handelen, en daar wringt de academische ‘schoen’. Vanwege die meer mystieke inslag van haar denken werd Weil lange tijd op de filosofiefaculteiten niet erg serieus genomen. De ziel leidde, doorgaans, een nogal kwijnend bestaan in academische kringen; niemand die er na de secularisering nog goed raad mee wist. Weil voorziet de ziel van een brede culturele, ethische en existentiële context, wat wellicht ook de hernieuwde belangstelling voor haar werk verklaart.

God staat bij Weil simpelweg voor het Goede, oftewel het principium bonum, dat ooit in alles was, maar zich uit de wereld heeft teruggetrokken

De grote stelligheid waarmee ze de ene na de andere klinkende waarheid debiteert gaf ook aanleiding voor universitaire scepsis. Weil komt in haar teksten ook niet bepaald bescheiden over, terwijl haar thema’s toch bijzonder hoog gegrepen zijn. Ze wilde niets minder dan het streven naar het goede, ware en schone in een en dezelfde denkbeweging aan het heilige en het ‘onpersoonlijke’ in de mens verbinden. Én tegelijkertijd de sociaal-politieke context schetsen die dit streven in de weg stond, namelijk de ontworteling van de mens door de invloed van nationalisme, imperialisme en kapitalisme.

Ambitieuze thema’s, waarbij je zou verwachten dat de schrijver wel eens door twijfels bevangen raakt. Maar Weil lijkt zelden te twijfelen, integendeel, ‘ze geeft antwoord op antwoord’, zoals Blanchot schrijft. Ze presenteert haar gedachten vaak in de vorm van profetische waarheden, die van de lezer niet zozeer een kritisch weerwoord als wel nederig gemompelde instemming vragen. Het opmerkelijke is dat je als lezer, zelfs met je kritische bewustzijn en rationele training, alsnog daartoe bereid bent. Het komt door hoe ze haar gedachten formuleert – eenvoudig en enigmatisch, beknopt en diepzinnig tegelijkertijd – dat je er op z’n minst gefascineerd door raakt. Maar het komt misschien ook doordat we als erfgenamen van de Verlichting een beetje met onze mond vol tanden staan als het gaat om het verwoorden van ervaringen die zich aan rationale analyses onttrekken – zoals de ziel en het verlangen naar het goede.

Simone Weil als kind © Photo 12 / Getty images

‘Fascinans et tremens’ vat het werk van Weil wel aardig samen. Ze fascineert, maar jaagt met haar radicaal tegendraadse manier van denken ook angst en ergernis aan. Met nee zeggen – de ‘pouvoir du refus’ – begint voor haar het denken, overigens net als voor Camus, en dat ‘nee’ is even onverbiddelijk als alomvattend. Nee tegen elke vorm van eigenbelang, van onrechtvaardigheid, van geweld en veroveringszucht, maar ook nee tegen de onttovering van de wereld, en de overheersing van het materialisme.

Toch is er in haar werk geen zelfingenomen ‘ik’ aan het woord die ons de les wil lezen, maar eerder een stem die in lijn met de gedachte van de ‘decreatie van het ego’ getracht heeft ook zichzelf uit te wissen. Ze schreef met ‘een witte stem van de onpersoonlijke waarheid’, merkte Blanchot op, en zocht naar een naaktheid van uitdrukken, zoals ze dat zelf in De geschonden ziel noemt: ‘De worsteling om de uitdrukking strekt zich niet alleen uit over de vorm, maar ook over het denken. Zolang de naaktheid van uitdrukken niet is bereikt, heeft ook het denken de ware grootheid niet bereikt.’

Volgens Sontag wordt Weil ‘terecht beschouwd als een van de meest compromisloze en verontrustende getuigen van het lijden van de moderne mens’. Een belangrijk aspect van dat lijden wordt veroorzaakt door de verregaande individualisering, die tot de ‘ontworteling’ van de mens heeft geleid. Deze ‘ontworteling’, die Weil ‘de gevaarlijkste ziekte’ van de samenleving noemt, is onder meer het gevolg van de teloorgang van de banden met de tradities uit het verleden, de toenemende macht van geld, economie en technologie en de ontbinding van sociale en culturele gemeenschappen.

‘L’enracinement’, dat binnenkort als Verworteling in de vertaling van Jan Mulock Houwer verschijnt, wordt wel als Weils filosofische testament beschouwd. Deze eveneens door Camus verzamelde teksten schreef ze in 1943, nadat ze vanuit Amerika, waar ze met haar ouders naartoe was gevlucht, naar Londen was afgereisd, om deel uit te maken van het Franse verzet-in-ballingschap van De Gaulle.

Eigenlijk wilde ze niet weg uit bezet Frankrijk – ze wilde niet van een afstand toekijken hoe de catastrofe in Europa zich voltrok. Maar ze wist dat als zij niet zou vluchten haar ouders dat ook niet zouden doen, en dus bedacht ze, toen ze eenmaal veilig in Amerika waren, om zich in Londen aan te sluiten bij het Franse verzet. Het liefst wilde ze als verpleegster of radiotelegrafist in de door de Duitsers bezette gebieden gedropt worden vanuit Londen.

Ondanks herhaalde verzoeken werd haar dit geweigerd; ze stond bekend om haar onhandigheid en had zeer slechte ogen. Bovendien waren de risico’s voor haar als joodse vrouw veel te groot, dus bleef ze in Londen en schreef in plaats daarvan tijdens haar laatste levensjaar een onvoorstelbare hoeveelheid essays, waaronder Verworteling.

Politieke denkers als Marx hadden voor Weil al beschreven hoe de menselijke verhoudingen binnen de westerse samenleving dramatisch waren veranderd door de invloed van het industrieel kapitalisme en de kolonisatie van grote delen van de wereld. Het leven had zijn oude ankerpunten verloren in een wereld waar technologische vernieuwing, economisch rendement en de accumulatie van kapitaal in de handen van enkelen overheersten. Weil voegde hier nog een nieuw element aan toe, door te stellen dat de ontworteling ook een ziekte van de ziel was, dat wil zeggen een geestelijke malaise, met ver strekkende politieke gevolgen.

‘Het gebrek aan inzicht in de behoeften van de menselijke ziel’, schrijft Weil, ‘heeft een wereld op drift veroorzaakt.’

Een van haar voorstellen om aan de behoeften van de ziel tegemoet te komen, is om niet langer de nadruk op rechten maar op plichten te leggen: ‘Het begrip verplichting gaat vooraf aan dat van recht.’ Verplichtingen zijn niet gebaseerd op afspraken, maar zijn onvoorwaardelijk van aard. Rechten geven de bevolking een zekere bestaansluwte, al dan niet vergund door de politieke machthebbers, maar ze behoeden de mens niet voor oorlog, armoede of sociale onderdrukking. Verplichtingen daarentegen gelden altijd; we zijn moreel verplicht om zorg te dragen voor elkaar.

Liever dan over rechten te spreken, spreekt Weil over rechtvaardigheid. Haar denken lijkt hierin op dat van de Frans-joodse filosoof Emmanuel Levinas, wiens ethiek ook gebaseerd is op de morele oproep van compassie die als verplichting op het gelaat van de ander geschreven staat.

Weil schetst ook de teloorgang van menselijke verhoudingen en de verslechterende arbeidscondities onder invloed van het industrieel kapitalisme. Ze onderzoekt de vervreemding die optreedt als er geen echte connectie meer mogelijk is met het werk. Deze vorm van ontworteling is het gevolg van de overheersing van de geest van ‘la force’, de mechanismen van machtsuitoefening, die middelen steevast in doelen verandert. Werk wordt slechts ten doel gesteld aan de beoogde winstcijfers en niet langer als een middel waaraan je genoegen, trots en eigenwaarde kunt beleven; voor velen is de ‘poëzie van het werk’ verdwenen. Technologie, geld en bureaucratie zijn de wapens waarmee volgens Weil de ontworteling in gang wordt gezet, en ‘alles wat tot ontworteling van de mens leidt is een misdaad’, stelt ze onomwonden, ‘waarvoor de daders ter verantwoording dienen te worden geroepen’.

Opnieuw geborgen raken heeft alleen kans van slagen als we onze relatie tot de wereld op fundamenteel andere wijze na gaan denken, door zowel vanuit lokale politieke verbanden als vanuit een besef van verbondenheid met andere volken te handelen. Politiek bestuur zou vanuit de lokale gemeenschappen zelf moeten komen, zodat mensen zich verantwoordelijk voelen voor hun leefomgeving. Daarnaast wilde ze werknemers meer autonomie en zeggenschap geven, en een leven lang de mogelijkheid tot scholing en opleiding. Ook zou iedereen in staat moeten zijn om een eigen huis met tuin te kopen, een nogal utopisch beeld in deze tijden, want de fysieke arbeid van zelf voedsel verbouwen zou volgens Weil ook de ontworteling tegen kunnen gaan. Ten slotte wilde ze ieders werk ‘verlichten door poëzie, kunst en muziek’, omdat die de belangrijkste voeding zijn voor de ziel.

Het gemak waarmee Weil telkens weer de ‘ziel’ opvoert mag verwondering wekken. Sinds de Verlichting zijn er niet veel filosofen geweest die het woord met zo weinig schroom in de mond durfden te nemen. Toch maakt de ziel feitelijk de kern uit van Weils denken. De westerse nadruk op de prestaties van het ego belemmert de ontwikkeling van de ziel, die niet alleen voor geborgenheid kan zorgen, maar ook onze empathische vermogens en morele sensitiviteit motiveert.

‘Alles wat tot ontworteling van de mens leidt is een misdaad’, stelt Weil onomwonden, ‘waarvoor de daders ter verantwoording dienen te worden geroepen’

Net als de oud-Griekse filosofen achtte Weil het belangrijkste doel voor de mens het zorg dragen voor de ziel, dat ze omschreef als ‘het bouwen van een architectuur in de ziel’, die het evenwicht tussen materie en geest, mens en wereld, ondersteunt.

Ze liet zich hierbij inspireren door Pythagoras die dit ‘equilibrium’ als hoogst denkbare harmonie karakteriseerde. Weils denken is altijd op dit equilibrium gericht, dus op de harmonie, die tegengestelde polen als menselijk en goddelijk, natuur en cultuur met elkaar in evenwicht brengt. Behalve door kunst en poëzie kan dit evenwicht, dat in haar optiek een loutering van de ziel is, verkregen worden door de oefening van wachten en aandacht: ‘Alle kunst is wachten’, schreef ze, ‘en ook het ontvangen van inspiratie is wachten.’

Wachten – in het Frans attendre – en aandacht – attention. Wachten is de voorwaarde om met aandacht naar de wereld te kunnen kijken en ‘aandacht is de meest zeldzame en pure vorm van gulheid’.

Pas in de oefening van het wachten en het aanscherpen van de aandacht kan volgens Weil de verhouding tussen ‘ik’ en ziel hersteld worden. Deze ziel of het ‘onpersoonlijke zelf’ ligt ‘vanaf het eerste levenslicht tot aan het graf diep in het hart van elk menselijk wezen’ verborgen, maar raakt in het proces van ontworteling bedolven onder de invloed van economische machten en de nadruk op de prestaties van het ‘ik’. Mens zijn betekent voor Weil juist dit ‘kunnen onderscheiden van ik en ziel’. Waar het haar om gaat is om deze dubbele gelaagdheid van het menselijke bestaan te herstellen, zodat het verlangen naar het goede – en naar het heilige – erin kan ontkiemen.

Hoe zeer ze in staat was haar eigen ‘ik’ te relativeren ten gunste van haar ziel werd tijdens haar hele leven en met name tijdens de Tweede Wereldoorlog wel duidelijk. Een half jaar na haar aankomst in Engeland kreeg ze begin 1943 de diagnose tuberculosis; de artsen schreven haar rust, regelmaat, en gezond voedsel voor. Wat ze vervolgens weigerde, omdat ze niet méér wilde eten dan de bevolking in de door Duitsland bezette gebieden. Haar gezondheid ging daarom snel achteruit. Ze overleed al een paar maanden later, in augustus 1943, in een sanatorium in Ashford, Kent.

Haar Engelse biograaf Richard Rees concludeerde op grond van de ziekenhuisrapporten dat ze stierf aan een combinatie van hartfalen en tbc, maar vooral ‘uit liefde en solidariteit’.

Identificatie pas uit de tijd dat ze voor het Franse verzet werkte. 1943 © Photo 12 / Getty images

Het goede is voor Simone Weil geen godheid, zoals in de klassiek christelijke traditie, geen rechter die onze daden beoordeelt en evenmin een instantie die onze zonden vergeven kan. God staat bij haar simpelweg voor het Goede, oftewel het principium bonum, dat ooit in alles was, maar zich uit de wereld heeft teruggetrokken. Ze ontleent deze gedachte van de terugtrekking van het goede aan de joodse kabbalistiek, met name het daarin beschreven thema van het zimzum.

Dit betekent zoveel als contractie of wee, dat wil zeggen een samentrekking van iets om iets anders geboren te laten worden.

In den beginne was er een god of het Goede, die als een soort baarmoeder de wereld schiep, maar na de bevalling zelf uit zicht verdween. We kunnen dus ‘slechts de verwijdering van God kennen’. Wat er aan kwaad in de wereld geschiedt, is voor Weil daarom geen bewijs dat God niet ‘bestaat’, maar is slechts het ‘bewijs’ dat het goddelijke hier ontbreekt. En ze gaat zelfs nog een stap verder: ‘Denken dat God bestaat, betekent nog altijd denken dat hij aanwezig is. De atheïst die zegt dat God niet bestaat, is dichter bij God dan de gelovige.’

De conditie van het menselijke bestaan wordt voor Weil daarom het best vertolkt door de zin die Christus aan het kruis uitriep: ‘Mijn God, waarom heeft u mij verlaten?’ We kunnen alleen Wachten op God, zoals de titel van misschien wel haar meest gelezen boek heet. Dit betekent niet dat God ooit terugkomt, maar wel dat pas in de ‘decreatie van het ik’ – en dus in de aandacht van het wachten – het verlangen naar het goede zich kan openbaren.

De ‘architectuur’ die in de zielaangebracht moet worden heeft voor Weil de geometrische vorm van een kruis. De horizontale balk verwijst naar de fysieke wereld van de noodzakelijkheid, waarin natuurwetten als de zwaartekracht en de vergankelijkheid heersen. De verticale balk staat voor het verlangen naar het goede of de genade, zoals het in haar essay Zwaartekracht en genade heet. De moderne, westerse mens bungelt echter voornamelijk nog aan de horizontale balk, wat van hem een egocentrische en ‘ontwortelde’ mens maakt, die zijn blik louter op zijn eigen noden en belangen richt. Alleen wie beide assen in zich draagt, kan volgens Weil ‘in de bevestiging van de noodzakelijkheid, waar al het aardse door gekenmerkt wordt, zich ook vasthouden aan het verlangen naar het goede’. En dit goede is behalve aandacht voor de wereld en de nood van anderen ook oog krijgen voor de schoonheid van het leven.

Het zijn woorden die eerder doen denken aan mystieke denkers als Meister Eckhart en Thomas van Aquino dan aan een twintigste-eeuwse, politieke filosofe. Maar de wending die Weil eraan geeft is klassiek noch christelijk te noemen, maar een originele herneming van zowel Plato als Nietzsche, waarin naast het goede en ware ook de schoonheid en vreugde een belangrijke rol spelen. ‘Want het is zowel de vreugde om het schone als de weemoed om de verlatenheid die ons op het spoor kan brengen van datgene wat ons ontbreekt.’

Alleen via een nietzscheaanse affirmatie van de wereld komen we hetgeen die wereld te boven gaat, het Goede, op het spoor: ‘De wereld is de gesloten poort, en tegelijkertijd is zij de doorgang.’

Mystieke zinnen, die verwonderen, en misschien ook irriteren, maar die vanwege het paradoxale karakter wel aan het denken zetten. Toch is het opmerkelijk om te zien hoe Weil het platoonse streven naar de ‘bovenwereld’ van het ideeënrijk wilde doorbreken door aansluiting te zoeken bij de gedachte van de amor fati van Nietzsche of van de stoïcijnen, de Griekse, filosofische traditie die zij misschien wel het meest bewonderde: ‘Het antieke stoïcisme was een universele liefde voor alles, geen stoïsche resignatie, zoals men tegenwoordig platvloers zegt. Men is redelijk in zoverre men de wereld liefheeft. Geen resignatie, maar vreugde. Men moet met vreugde alle lijden accepteren.’

Simone Weil probeerde eigenlijk iets onmogelijks te doen door zowel Marx als Nietzsche, Plato en de stoïcijnen met elkaar te verbinden. Een politiek én mystiek geëngageerde vorm van filosofie, die hedendaagse lezers misschien juist daarom opnieuw aanspreekt. Dat heeft ongetwijfeld net zozeer met de eigenzinnigheid te maken, waarmee ze zich als een ware amazone diverse filosofische tradities toe-eigende, als met haar bij vlagen weergaloze stijl, die ‘naakte’ woorden in glanzende parels wist om te vormen. Ze strooide er kwistig mee in het rond om te midden van de ontworteling het verlangen naar ‘het goede’ levend te houden, dat alleen met aandacht voor de wereld, met de bevestiging van zowel de vreugde als het lijden én met zelfrelativering ervaren kan worden.

Het bijzondere van Weils denken is dat zij haar concept van de ‘decreatie’ of transgressie van het ego, die binnen de filosofie vele vormen kent, zoals bijvoorbeeld de ‘des-interessering van het ik’ van Levinas, verbindt aan het bredere verhaal van de schepping van de wereld via de zimzum. We moeten als het ware de terugtrekkende beweging waarmee het goede de wereld heeft geschapen zelf nog een keer met betrekking tot ons ego herhalen om op het spoor van dat ontbrekende goede te kunnen geraken.

Je zou ook kunnen zeggen dat Weil een van de meest doortimmerde, filosofische pleidooien tegen oorlog, ontworteling en individualisme geschreven heeft, en daarvoor in de plaats een dwingende oproep tot solidariteit heeft geplaatst, die echter niet zonder een ‘losrukken’ van het ego kan: ‘De waarheid liefhebben, betekent de leegte verdragen, en daarom ook de dood accepteren. De waarheid liefhebben met heel zijn ziel kan niet anders dan door zich los te rukken van zichzelf.’