Bij Alfred Schaffer draait het vaak om: helder krijgen of wat we denken dat er is er ook werkelijk is © Patrick Post / ANP

, zo heb ik u lief. Dat is, precies met die interpunctie, de titel van de onlangs verschenen verzamelbundel van Alfred Schaffer, die volgende week de P.C. Hooft-prijs voor poëzie overhandigd zal krijgen. Daarvoor was hij al een veelbekroonde dichter, met onder meer de Jan Campert-prijs 2009, de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2010, de Awater Poëzieprijs 2014 en dit jaar ook nog de Herman de Coninckprijs 2021. Deze verzamelaar bevat alle reguliere bundels en een gelegenheidsbundel die Schaffer publiceerde in het jaar na het winnen van de Jo Peters Poëzieprijs (2002), Definities en hallucinaties.

Het eerste wat opvalt als je het boek in handen neemt is het gewicht, oftewel: Schaffers (1973) werkkracht. Sinds Zijn opkomst in de voorstad (2002), zijn debuut, bouwde hij een enorm oeuvre op, met acht volwaardige bundels, vaak met meerdere delen en met wel dertig tot veertig gedichten van uiteenlopende lengte. De titel van het boek komt uit een laat gedicht, uit Schaffers meest recente bundel wie was ik. strafregels, met de puntdicht-achtige titel Ik kan niet stoppen met lachen want als ik begin met huilen houd ik niet meer op. De openingszinnen: ‘het eerstehands sterven het andermaal sterven./ bijvoorbeeld een mens die leeft/ en het volgende moment niet meer’ echoën Hans Faverey en H.H. ter Balkt en zijn toch overduidelijk zo oorspronkelijk Schaffer.

Want, dat is het tweede wat opvalt bij lezing van , zo heb ik u lief: Schaffers zeggingskracht. Lees bijvoorbeeld het titelgedicht van Zijn opkomst in de voorstad. In de eerste twee strofen is sprake van een slimme moeder die heerlijk kookte, een vader die altijd thuiskwam voordat het donker werd, de lange gesprekken die zij voerden, die een ‘hij’ kon horen als hij in bed lag en die hij met moeite kon onthouden. Dan dit:

Als het zomer werd zaten ze buiten.
De andere mensen ook. Vanuit de tuin
vertelden de ouders de sprookjes door aan de buurt.
Daarna keken zij elkaar recht in de ogen en gingen,
nadat ze hem uitvoerig hadden gerustgesteld,
vroeger naar bed dan gewoonlijk.

Perfecte afbrekingen, geen gezochte ‘poëtische’ vergelijkingen maar treffende beelden. Een gedicht waarin lezers hun eigen angsten en verlangens buiten zichzelf tegenkomen; het leven van anderen in gesprek met dat van henzelf. Dit gedicht stelt de lezer de vraag: welke vorm van leven is échter, die van leven in het moment of die van de herinnering?

Daarnaast is het gedicht, vermoed ik, veel autobiografischer dan je als lezer op basis van de wat afstandelijke registrerende toon en het vertelperspectief (‘Als het zomer werd zaten ze buiten’) zou verwachten: Schaffer groeide op in Leidschendam, een voorstad van Leiden, waar hij naar de universiteit ging (Nederlandse taal- en letterkunde en film- en theaterwetenschap). De dichter promoveerde vervolgens aan de Universiteit van Kaapstad, waar hij docent moderne Nederlandse letterkunde werd. Tussendoor was hij redacteur bij uitgeverij De Bezige Bij, en inmiddels doceert Schaffer al weer jaren aan de Universiteit van Stellenbosch en is hij vaste poëziecriticus voor De Groene Amsterdammer. Voor de volledigheid: ik heb Schaffer een handvol keren ontmoet.

Dwaalgasten, Schaffers tweede bundel (2002), verschenen in het jaar van zijn promotie, heeft een hartverscheurend motto van John Ashbery: ‘We could pretend that all that isn’t there never existed anyway.’ De geroemde naoorlogse Amerikaanse dichter draaft later nog eens op voor een motto bij Kooi (2008): ‘Why do I tell you these things? You are not even here.’ Definities en hallucinaties, daar draait het vaak om bij Schaffer: helder krijgen of wat we denken dat er is er ook werkelijk is.

De eerste drie bundels staan vol anekdotische, half-verhalende poëzie, onder invloed van Ashbery, Anne Carson en Nachoem Wijnberg. Dat betekent: wat onthecht, stapelend in de beelden en vaak vaag in de ‘ik’. Nooit is helemaal duidelijk wie er nu aan het woord is, de dichter zelf of een dichtende verteller; de ‘ik’ uit de titel van de verzamelaar wordt in Schaffers vroege bundels vaak afgewisseld met een ‘hij’, nog zo’n vorm van ontpersoonlijking. Dit wil overigens niet zeggen dat deze gedichten niet als staalsplinters tussen de kwabben van je hersenen blijven steken. Hier Wat zij doen zonder werkelijk te verdwijnen uit Dwaalgasten:

Wat zij doen zonder werkelijk te verdwijnen
Zij staat tot haar middel in zee.
De versnelling in haar adem als het water verkleurt.

Hij zei weinig onderweg, keek veel in zijn achteruitkijkspiegel.
Toen hij stopte voor sigaretten
bleef zij achter in de zinderende hitte van de auto

en zette de radio hard zonder een raam open te draaien.
Kinderen komen spelen in zijn buurt.
Eén keer schoppen ze, zonder opzet, de bal tegen zijn gezicht.

Zij heeft plotseling enorme trek.
Hij schudt het zand uit zijn opengeslagen boek.

Voor zij vertrokken nam hij haar op schoot.
Het water is niet koud genoeg om haar volledig af te laten koelen.

Het is heel slim en invoelend gedaan, de verteller die dan weer bij hem dan weer bij haar zit en toch weet je als lezer niet helemaal in welke staat die relatie is en wie deze mensen zijn. Deze lezer maakt het gedicht zo af: een bespiegeling over hoe je je in een relatie toch in jezelf kunt terugtrekken.

Schaffer maakt van onthechting een beweging naar het vertellend ‘ik’; hij is een koorddanser die van het ene hoge gebouw naar het andere beweegt

Ook steeds op de achtergrond: Schaffers helden. Dus verwijzingen naar Ashbery (de motto’s, de gestapelde beelden), Jeff Buckley (de lyriek, een gedicht over zijn voortijdige dood), Radiohead (de paranoia) en Marlon Brando (de acteur krijgt een eigen gedicht, met à la Ashbery opgehoopte beelden en de linkse hoek van een openingszin: ‘Mannen maakte ik tot vijanden door hen in alles na te doen’).

Naarmate de tijd vordert, vindt Schaffer andere ijkpunten in de kunst en cultuur (De Zuid-Afrikaanse dichter Charl-Pierre Naudé, de Sotho-dichter Thomas Mofolo, de Franse filmregisseur Leos Carax) en meer vrijheid in de vorm, van prozagedichten en sonnetten tot lossere strofen en vrije interpunctie. Schaffer probeert vooral in Postuum. Een lofzang (2016) en wie was ik. strafregels verschillende vormen en tropen en stemmen uit, van spammails tot opsommingen tot de belichaming van historische figuren. Het is een van de uitzonderlijk kwaliteiten van de dichter dat die erudiete, breed uitwaaierende, zelfbewuste, scherpe en open blik ook in het latere deel van zijn werk één geheel van sensibiliteit en verteltoon vormt. Schaffers taal is hierbij van doorslaggevend belang. Hij schrijft simpel maar suggestief, tot Kooi bondig en daarna steeds wijdlopiger maar altijd vloeiend; zinnen die, aldus het juryrapport van de P.C. Hooft-prijs, ‘ogen alsof er een scalpel aan te pas is gekomen’.

En net als bij een meester als Michelangelo maakt het dan niets uit of het beeld betreft ter grootte van een titaan of een klein, wassen model. Al had het e-mailmodel en de een-of-twee-woordige-regelpoëzie uit Schaffers laatste bundel van deze recensent niet gehoeven: e-mails en poëzie met veel wit vindt men genoeg in de inbox en op het internet. Al staan daartegenover wel weer zulke sterke zinnen, als steentjes tussen de ogen: ‘stel ik sta in brand maar de brandweer rukt niet uit. dan is enig stemvolume onontbeerlijk./ door de rookontwikkeling en algehele consternatie is mijn nederlands echter een puinhoop’.

De dichter werkt tegelijkertijd, in tegenstelling tot het afstandelijke, diffuse ‘ik’ van het vroege werk, steeds meer toe naar een welomlijnd, uitgesprokener ‘ik’ (die even vaak een ‘jij’ aanspreekt, een andere vorm van nabijheid en intimiteit: er is dus iemand die iemand anders aanspreekt).

Schaffers meest recente bundel, wie was ik. strafregels, leest als zijn meest persoonlijke bundel. Ook hier, net als in het titelgedicht van zijn debuutbundel, een gedicht met een jeugdscène, een vader en een moeder, wederom beschreven vanuit een vertellend ik dat niet kan slapen, maar dat nu uit bed klimt, en met de beer onder de arm naar de keuken loopt. Daar: ‘het schijnsel en twee schaduwen achter het aanrecht.// een witte schaduw en een zwarte./ bezig aan de afwas.// lieve jongen ben je wakker/ schrikt de witte.// kom eens hier kun je alweer niet slapen/ spreekt de zwarte.’ En dan:

ik droomde dat ik jullie in mijn eentje moest begraven
zeg ik niet terwijl ik in mijn ogen wrijf.

klopt toch ook we zijn morsdood
er is niets aan de hand

ga maar weer lekker slapen.

Schaffer was ook al persoonlijker in de veelgeprezen bundel Mens dier ding (2014), bijvoorbeeld als de legendarische krijgsheer Sjaka Zoeloe als een verteller, een poëtisch ‘ik’ word opgevoerd: ‘Harde feiten rondom Sjaka dat wil zeggen harde feiten rondom mij.’ En daarna: een behandeling van de definities en de hallucinaties van de Zoeloe-koning:

Want de feiten, die moeten op tafel.
Naam: Sjaka. S-J-A-K-A. Precies zoals je het uitspreekt.
Eerste feit. Op van alles en nog wat ben ik gebaseerd
niet op de waarheid – ja menneke, dat zou je wel willen hè zei
mijn moeder altijd.
Wat een toeval dat ik hier in Afrika geboren ben!
Afrika is groot en droog, soms regent het in Afrika
is Afrika een land, ik dacht het niet.
Wie weet is Afrika het weeskind der wereldeconomieën.
De eerste mens leerde hier huppelen maar
wat weet de 8.512.784.325.236.108.946.347ste mens van Afrika.
(…)
Volgens bronnen ben ik 1 meter 93, volgens anderen
heb ik een bochel en een spraakgebrek.

Carolyn Hamilton, een Zuid-Afrikaanse historicus die jarenlang onderzoek deed naar de legendarische Zoeloe-koning, stelt dat de summiere bronnen uit Sjaka’s eigen tijd maar weinig houvast geven. Was hij lang? Had hij een slis? De bronnen spreken elkaar tegen: iedereen die de legendarische, vereerde en gedemoniseerde Sjaka op papier tot leven brengt, maakt een constructie van hem, vernietigt de koning net zozeer als dat hij hem tot leven wekt: definities en hallucinaties, inderdaad.

Schaffer geeft Sjaka in Mens dier ding zijn eigen, hedendaagse stem. Hij laat de koning in gesprek gaan met de codes van het patriarchaat en het kolonialisme, construeert voor hem een geheel eigen ruimte om vanuit te spreken, een ruimte die losstaat van veel van wat er tot nog toe door witte, Britse en Zuid-Afrikaanse, historici en literatoren en filmmakers over hem is gezegd. Het levert knetterende, ontregelende en ontroerende poëzie op: Mens dier ding en wie was ik. strafregels alleen al zijn reden genoeg om deze verzameling aan te schaffen en te lezen en te herlezen. Bovendien doet een overzichtswerk meer dan bundels bij elkaar brengen, het laat de ontwikkeling in een oeuvre zien. Schaffer maakt van onthechting een beweging naar het vertellend ‘ik’; hij is een koorddanser die van het ene hoge gebouw naar het andere beweegt, de lezer en zichzelf telkens treffende inzichten verschaffend.

De late Schaffer, die zijn intrede doet in Kooi en op volle stoom komt met Mens dier ding, is scherp, schrijft met swagger en puntige kritiek op de wereld om hem heen. Er zit ook iets van tegenstelling én ontsporing in het werk: de vorm wordt losser en tegelijkertijd probeert Schaffer de details scherper te krijgen. Het ‘ik’ dat hij op papier schept, probeert steeds meer van de wereld te begrijpen, juist door de hechting met zijn leefomgeving: het gedicht is er om orde te scheppen in de constante chaos door in te zoomen op wat ertoe doet.

Terwijl het boek en Schaffers schrijverschap vorderen, gedurende de jaren tien en twintig, de jaren na Schaffers verhuizing naar Zuid-Afrika, behandelt hij fenomenen als postkolonialisme, critical race theory en structurele ongelijkheid explicieter en uitputtender. Dat zijn allemaal abstracte academische termen en Schaffer werkt aan een universiteit, toch kenmerkt zijn poëzie zich nu juist door – vergelijking van aanpak, niet van perspectief – een Coetzee-achtig spiegelende, schitterende helderheid, vol concrete beelden.

, zo heb ik u lief is meer dan een bundel die letterlijk alles bij elkaar brengt; het is het verslag van de zoektocht van een opkomende dichter naar een meerstemmige, gelaagde eenheid van vorm en inhoud, van een gedicht, of: gedichten, die figuurlijk de dingen bij elkaar brengen en in een verband stellen. Het is een van Schaffers vele talenten dat hij bloemen, stadsbeelden, historische figuren, vakantiestranden en de Hollandse kust en zijn aalscholvers – plekken en beelden die heel gewoon zijn – weer met betekenis kan laden, en door dat te doen duidelijk maakt wat in de eerste aanleg ‘doodgewoon’ is voor ons. Hij toont de lezer wat vaak door alomtegenwoordigheid onzichtbaar is geworden: het mens, het dier, het ding.