Een vader of een zoon

ER ZIJN NAMEN in de literatuur die plotseling lijken te verdwijnen. Nee, de auteur is niet overleden, en nee, hij is ook niet opgehouden met publiceren. Maar opeens valt je op dat je al een tijdlang niets meer van hem ‘hoorde’, wat vooral betekent dat zijn naam al enige tijd niet meer opduikt in de kolommen van de literaire pers. De auteur in kwestie is geen ‘nieuws’ meer. En hoewel ik altijd beweer een dergelijke omgang met literatuur ronduit verderfelijk te vinden, laat ik me er blijkbaar zelf nog maar al te vaak door leiden.

Zo verdween Wiel Kusters vrijwel geheel uit mijn blikveld. Tot 1989, tot zijn bundel Laatst, volgde ik hem trouw, en hoewel ik zijn boek over Pierre Kemp nog las en een in 1995 verschenen bundel aantekeningen over poëzie, Ik graaf, jij graaft, nog zag, zijn vorig jaar verschenen bundel Velerhande gedichten ontging mij geheel. Ik zou nu graag willen beweren dat de plotselinge afname van mijn belangstelling alles te maken heeft met mijn eigen veranderde inzichten, zodat ik van deze poëzie ‘weggroeide’, maar zo'n opmerking verraadt alweer een (in de literaire pers populaire) houding tegenover poëzie: die waarin de poëzie zelf gereduceerd wordt tot de poëtica erachter. Of beter nog: waarin de poëtica vóór de poëzie staat. Men leest geen dichter, men ziet alleen het standpunt dat hij met zijn gedichten zou innemen.
Het is waar: ik heb een grondige hekel gekregen aan dit 'poëtica-denken’. Maar heeft mijn afgenomen belangstelling voor het werk van Kusters niet toch heimelijk te maken met het feit dat ik in hem vooral een vertegenwoordiger zag van een bepaalde poëtica, van de zogeheten hermetische of autonomistische poëzie, en meende ik, hoewel ik die traditie altijd een warm hart heb toegedragen, dat het toch ánders moest? En werd er niet eind jaren tachtig in juist de krantekolommen een kruistocht tegen precies die poëtica ondernomen, en daarmee ook tegen Kusters, die in de jaren tachtig een gezaghebbend poëziecriticus was? Ik vrees het ergste…
MAAR DICHTERS kunnen ruimhartig zijn, bijvoorbeeld wanneer ze hun vroegere werk in één band verzamelen. Over verzamelde werken wordt vaak beweerd dat het grafzerken zijn en je kunt inderdaad zeggen dat Kusters’ nu verschenen Zegelboom: Gedichten en notities 1975-1989 het best denkbare overzicht is van zijn aanwezigheid in de Nederlandse literatuur. Maar het verschijnen van die gedichten nú maakt ook een andere benadering mogelijk.
Om toch maar met dat eerste te beginnen: vanaf het allereerste moment is de dichter Kusters zich bewust geweest van de traditie waarbinnen hij opereerde. In zijn debuut Een oor aan de grond refereert hij in het motto nadrukkelijk aan zijn meest directe poëtische voorvader, Gerrit Kouwenaar, en je zou kunnen zeggen dat zijn poëzie dus niet iets werkelijk 'nieuws’ bracht. Niet iets 'nieuws’, maar toch wel iets oorspronkelijks, iets authentieks. Kouwenaar mag dan de (overigens lang niet enige) poëtische voorvader zijn aan wie de dichter zich in zijn werk schatplichtig betoont, de literaire verwijzing loopt parallel met een autobiografische. Men is nu eenmaal zoon van zijn vader, zo lijkt Kusters met dat citaat te zeggen, en de gedichten in Een oor aan de grond vormen met elkaar een Vatersuche. Als zoon van zijn vader, een mijnwerker, als kleinzoon van zijn grootvader, ook mijnwerker, staat hij echter, zelf dichter immers, nogal scheef in de eigen familietraditie. En wie Kusters’ gedichten werkelijk langs de meetlat van de autonomistische poëzie legt, begrijpt ook dat hij al even scheef in die literaire traditie staat. Hij lijkt op zijn vader; hij is zijn vader niet.
'Op straat/ legde ik vaak/ een oor aan de grond// bewoog daarbeneden/ een vader of een zoon?’ zo luidt de vraag en het lijkt er dus op dat aan het begin van Kusters’ dichterschap niet het volgens poëtica-denkers voor hermetische poëzie zo kenmerkende verlangen naar afwezigheid staat, maar naar aanwezigheid, naar een eigen identiteit. Het is een verlangen naar identificatie en onderscheiding tegelijk, zo blijkt uit Zegelboom, naar opname in een traditie die hem de identiteit als het ware vanzelf verleent (van vader op zoon), en naar het losbreken uit de tradities waarbinnen een ieder nu eenmaal geboren wordt.
Als zoon van zijn vader daalt Kusters af (geen dichter in ons taalgebied die met zoveel volharding het onderaardse Nederland in kaart heeft gebracht). Hij daalt af in zowel zijn biografische als in het literaire verleden om daaruit op te diepen wat het nu eigenlijk is dat hém brandend houdt. Gedicht en notitie zijn hem - om binnen het beeld te blijven - de pikhouweel en de mijnwerkershelm waarmee gedolven wordt, en niet zelden leidt dat tot Kusters’ persoonlijke vorm van silicose: angsten, benauwenis, soms in niet meer dan enkele regels verwoord, waarbij je de context van de andere gedichten nodig hebt om het te begrijpen, soms via het werk van anderen (Trakl vooral, maar ook Rilke en Novalis). Vandaar dat het afdalen in dit werk nooit zonder het stijgen is, het verlangen om aan wat gevonden wordt meteen ook weer te ontsnappen: lucht willen krijgen, op willen stijgen, leidend tot soms buitengewoon lichte, humoristische versjes.
Het verklaart misschien waarom Kusters ervoor gekozen heeft zijn jeugdpoëzie uit Salamanders vangen en Het veterdiploma in deze bundel op te nemen. Zij vormt de tegenkant van het koolzwarte mijnonderzoek, en jeugd- en 'volwassen’ poëzie lopen eigenlijk naadloos in elkaar over. Vergelijk bijvoorbeeld het gedicht 'Kinderkamer’ uit Hoofden met het bijna identieke gedicht uit Salamanders vangen. 'Zelf gehoord (in mijn kamer)’ heet het daar en in de jeugdbundel heeft het iets geruststellends, waar het in Hoofden met dood en verstikking is verbonden.
'Ik leef, wat mij weerhoudt’, zegt de dichter met een veelbetekenende komma, want hij leeft op die manier wat hem weerhoudt (zeg maar: het verleden waarvan hij deel uitmaakt), maar ook is het het leven zelf dat hem ervan weerhoudt om los van alles te kunnen bestaan. Het staat in 'De kristaltwijg’ uit Laatst, waarin ook te lezen staat: 'Een regel in het wit gedacht./ Hij valt en groeit tot lied.’ Precies dat zie je in dit werk steeds gebeuren en het is wat het werk zijn oorspronkelijkheid geeft: dat de dichter zijns ondanks in beeld komt als wat hij is, niet als wat hij over zichzelf kan of wil denken. Scheef in zijn eigen familiegeschiedenis, scheef in de literatuurgeschiedenis, staat hij daar recht, zijns ondanks bijna. En daarin lijkt mij Kusters niet alleen een van de belangrijkere vertegenwoordigers van de literatuur uit de jaren tachtig, maar ook van die uit de jaren negentig, waarin het op zoveel verschillende manieren over precies deze kwesties gaat.
Of, anders gezegd: Zegelboom laat zien dat het niet Kusters’ poëzie is die 'afgedaan’ zou hebben, maar de poëtica, de theorie die haar als een bepaald soort poëzie fixeerde. Het is waar: van de zegelbomen zijn alleen nog fossielen over, maar in deze bundel zijn de afzonderlijke gedichten levende bladeren aan die boom.