Jacob de Vos Wzn.

Een vader tekent zijn zoontjes

Bijna tweehonderd jaar circuleerden ze in de familie, zes boekjes waarin Jacob de Vos Wzn. tussen 1803 en 1809 z’n spelende, stoeiende en vechtende zoontjes tekende. Vijf jaar geleden bracht de laatste telg uit het geslacht deze unieke dagboekjes naar het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap. Ze zijn net uitgegeven en bieden een verrassend intiem beeld van een jong gezin in de Bataafsche Republiek.

Kinderen op hun mooist heette vorig jaar een tentoonstelling in het Haarlemse Frans Hals museum. Het waren zestiende- en zeventiende-eeuwse portretten van voornamelijk fraai uitgedoste, stijfjes poserende dametjes en heertjes. Ze leken kleine grote mensen en ze dienden ook een volwassen doel: te showen hoe aanzienlijk en rijk hun ouders waren als de kinderen er al zo sjiek en opgeprikt uitzagen. Die kindertjes kijken de toeschouwer streng en plechtig, soms uitgesproken boos aan; spelen en lachen is er niet bij. Het levendigst zijn ze geschilderd als ze bleekjes op hun doodsbed liggen.

Dat werpt vragen op over kinderen in vroegere tijden. Waren dat wel kinderen, zoals wij die kennen? Is de kindertijd een recente uitvinding? Waren kinderen voor ouders en vooral voor vaders alleen maar een vorm van bezit, niet iets waar je liefde voor voelt en plezier aan beleeft? Of zijn deze rijkeluisportretten allerminst representatief en waren de kinderen in werkelijkheid net zo lastig, vrolijk, tegendraads en speels als onze kinderen?

Tussen 1803 en 1809 tekende de Amsterdamse assurantiemakelaar Jacob de Vos Wzn. zijn zoontjes in zes dagboekjes die uit louter plaatjes bestonden. De tekeningen waren niet voor publicatie bedoeld, maar als beloning voor de kinderen. Als ze die dag goed geleerd hadden, maakte hun vader een tekening van en voor ze. De boekjes zijn onlangs gebundeld uitgegeven bij Uitgeverij Verloren, met een uitvoerige inleiding van kunsthistorica Eveline Koolhaas-Grosfeld.

Deze tekeningen geven een ander beeld van hoe ouders en kinderen twee eeuwen geleden met elkaar omgingen dan je zou verwachten. We zien ouders die overduidelijk van hun kinderen houden, een vader die zich niet te goed voelt om met ze te spelen, te stoeien en van ze te genieten als ze met elkaar dansen, met hun nieuwe cadeaus aan de gang zijn of zelfs als ze elkaar plagen en omgooien of in hun broek poepen. De kinderen hebben natuurlijk geen video of computer, geen lego en geen Barbies. Maar verder spelen ze net als onze kinderen: ze leggen een stoel op de grond en ze hebben een boot of een kar, ze doen moeders bontje om en ze gaan naar een bal, ze voeren toneelstukjes op en doen circustoeren. Het zijn kinderen precies zoals wij ze kennen, geen opgeprikte modepopjes of moralistische symbolen.

Bij elkaar maakte Jacob de Vos vele honderden tekeningen, die over een periode van zes jaar een tamelijk compleet beeld geven van het leven van een redelijk welgesteld Amsterdams gezin, dat in die tijd woont in een deftig grachtenpand, Keizersgracht 27 (het huis staat er nog precies zo).

In de zomer gaan ze meestal enige weken naar buiten om bij de familie van de moeder in Twente te logeren. Vader Jacob Vos is een amateur-tekenaar, maar we weten dat hij tekenlessen volgde bij de Maatschappij Felix Meritis in Amsterdam. Zijn oom had een belangrijke verzameling tekeningen die hij zeker heeft gezien. Hij is een modern man, lid van het fel Patriottische gezelschap Democriet in Haarlem, hij juicht de revoluties in Nederland aan het einde van de achttiende eeuw hartstochtelijk toe.

Dat verklaart nog niet waarom hij de tijd nam elke middag na zijn werk met z’n kinderen te spelen, ze te tekenen en die potloodschetsjes ’s avonds uit te werken. In het begin alleen door ze te inkten, later door ze om te vormen tot ware kunstwerkjes in kleur. Misschien komt het door de gezinssituatie. De moeder van het gezin, Catharina Coster, was erg ziekelijk. Met name na de geboorte van elk kind lag zij lange tijd op bed. Jacob de Vos had van zijn vader, de doopsgezinde dominee Willem de Vos, hoge idealen meegekregen op het gebied van opvoeding en huwelijksleven. Zelf is hij een waar kind van de Verlichting en hij en zijn vrouw hebben ook verlichte ideeën over hun kinderen. Jacob de Vos laat de opvoeding niet aan dienstbodes of gouverneurs over. Een Rousseau die prachtige ideeën formuleert, maar van zijn eigen kinderen niets wil weten, is hij zeker niet. Hij heeft er klaarblijkelijk groot plezier in naar z’n zoontjes te kijken en het mooiste moment van de dag uit te zoeken en in een tekening vast te leggen.

Het levert deze nu toegankelijk geworden, volstrekt unieke verzameling tekeningen op. Eveline Koolhaas heeft haar ontdekking op een aantal internationale congressen gepresenteerd, maar er is — tot nu toe — nergens zo’n lang doorlopende verzameling authentieke, dagelijkse beelden van kinderen bekend.

Dat roept op z’n beurt weer vragen op. Gaat het hier om een uitzonderlijke vader en een uitzonderlijk gezin, waar in die tijd en op die plek (Nederland, de Bataafsche tijd, het hoogtepunt van de Verlichting) verhoudingen en normen golden die maar weinig verschillen van onze eigen manier van samenleven? Of hebben we een verkeerd beeld gekregen van hoe kinderen en ouders in vroeger eeuwen met elkaar omgingen, mede door die al te representatieve schilderijen en andere afbeeldingen, bijvoorbeeld de moralistische tekeningen in kinderboekjes uit die tijd?

Eveline Koolhaas heeft geen eenduidig antwoord op die vragen: «Waarschijnlijk geven schilderijen nooit een betrouwbaar beeld. Met een geschilderd portret presenteer je jezelf, je rijkdom en status. Ook je kinderen kleed je op hun allerbest aan. Deze tekeningen zijn nooit voor de openbaarheid bedoeld, ze werden niet aan de muur gehangen. Jacob de Vos maakte ze voor de kinderen zelf. Misschien dacht hij er ook aan dat ze daardoor later een herinnering zouden hebben aan hun jeugd. Zulke getekende dagboeken die zich over zoveel jaar uitstrekken kennen we verder niet. Maar ook in geschreven bronnen vind je maar zelden zulke persoonlijke en intieme observaties van kinderen. Vaak willen vaders die dagboeken schrijven iets aan hun kinderen meegeven, ze een lesje leren voor later. Jacob de Vos doet iets heel anders: hij kijkt wat de kinderen zelf doen. Je moet natuurlijk wel redelijk welgesteld zijn om tijd te kunnen vinden je kinderen zo te observeren. Het moet ook niet zo zijn dat de kinderen vanaf hun vierde of vijfde jaar moeten werken, zoals in die tijd voor armere mensen gebruikelijk was. Mij lijkt het dat de ontroering die ouders voelen bij het bekijken van hun kinderen universeel is. Er is ook altijd verdriet als kinderen doodgaan. Maar in verschillende historische periodes wordt daaraan op verschillende wijze vormgegeven. De revolutie van 1795 in Nederland was het ultieme resultaat van het streven van burgers naar zelfbeschikking, een typisch Verlichtingsideaal. Jacob de Vos kwam uit een zeer patriottische familie, fel anti-Oranje. De samenleving was in die tijd sterk gepolitiseerd, je moest partij kiezen. Toen de Orangisten tijdelijk waren uitgeschakeld ging de strijd verder tussen radicale en gematigde revolutionairen en ook hier ging de revolutie z’n eigen kinderen opeten. Het waren roerige tijden. In 1798 waren er twee staatsomwentelingen. Er werd in die tijd zelfs over de terreur van de radicalen gesproken, want er werden mensen in het gevang gegooid omdat ze sympathie hadden voor de verkeerde partij. Toch is die periode waarin De Vos z’n dagboekjes tekent, 1803 tot 1809, nog betrekkelijk rustig. De Verlichting predikt verdraagzaamheid en respect voor elkaar, is tegen een al te sterke scheiding tussen de standen, het gezin wordt als heel belangrijk gezien en er is nooit zoveel getheoretiseerd over de opvoeding als in die tijd. Maar wat aan deze tekeningen zo modern is, dat is dat ze een heel ander beeld van de werkelijkheid laten zien dan al die theorieën.»

Jacob de Vos was geen briljant tekenaar en al helemaal geen portrettist. Hij was een liefhebbende amateur, die soms klungelig bezig is. Maar hij kon kijken naar wat er werkelijk gebeurde, bij hem thuis, in de gang, in de tuin of «op zaal», in de mooie kamer op de eerste verdieping. Je ziet hoe hij leert de sfeer van de situatie en de bewegingen van de kinderen in beeld te brengen en hij ziet steeds meer details die een ander niet zouden opvallen. Maar zijn tekeningen hebben nog iets unieks. Het is bijna onmogelijk de natuurlijke ontwikkeling van kinderen in beelden te vangen. In onze tijd maken ouders en grootouders honderden foto’s van hun kinderen en kleinkinderen, maar het gevoel dat ze kunnen krijgen bij het kijken naar kinderen kunnen ze daarmee nooit pakken. Het fotograferen verstoort het spel, de foto’s zijn of geposeerd of rommelig, de essentie van wat er tussen ouders en kinderen gebeurt is nauwelijks weer te geven. Je kunt kinderen in meerdere opzichten niet stilzetten. Ze zijn beweeglijk, ze groeien, ze ontsnappen je.

Jacob de Vos is een vader die erin slaagt momenten vast te leggen, de essentie van wat hij ziet weer te geven, maar ook de spanningen, de vindingrijkheid en de warmte die hij voor zijn kinderen voelt. Hij is trots als hij zijn kinderen tekent die naar zijn tekeningen kijken. Hij is geroerd als zijn kinderen een nieuwe baby bekijken of hun moeder na weer een ziekte naar de «zaal» brengen. Hij is zelfs in staat weer te geven hoe zijn zoontjes hem proberen te troosten, als hij eraan twijfelt of het met de gezondheid van zijn vrouw ooit goed zal komen: «Ach Papa! weest niet zoo bedroefd; Mama zal nog wel beter worden», zeggen ze tegen hem terwijl ze aan zijn jas trekken. Hij kijkt somber op die tekening, maar hij kan toen hij de tekening maakte al niet meer zo somber zijn geweest, met die twee jongetjes die hem ertoe willen overhalen een tekening van ze te maken. Zijn boekje ligt naast hem, de pagina’s zijn leeg, maar aan de tekening zien we dat hij later toch weer een tekening, deze tekening, heeft gemaakt.

Eveline Koolhaas: «Hij tekent zichzelf ook terwijl hij z’n kinderen tekent. Je vraagt je soms af hoe hij dat doet. Hij tekent zichzelf ook liggend op de grond, de kinderen spelen doktertje met hem. Als hij zichzelf tekent met een kind op schoot, dan moet hij dat achteraf hebben getekend. Het gaat soms om intieme momenten, die naar ons gevoel in een flits voorbijgaan, maar hij weet die vast te leggen op het moment dat het alweer voorbij is. Je ziet ook hoe een oudere jongen een jonger jongetje met een hand wegduwt, je ziet ze ruzie maken of gek doen. Vergeleken met hem zijn onze foto’s alleen maar stijve clichéplaatjes. En hij had een gevoel voor humor waardoor wij nog altijd om zijn tekeningen moeten glimlachen.»

Later zijn deze boekjes in de familie altijd gewaardeerd. «Kijk eens, hier zie je onze oude oom Jacob toen hij nog een kleutertje was!» werd dan vertederd gezegd. Wij kennen oom Jacob niet en we zijn toch ontroerd. We voelen dat iemand in een spannende tijden z’n intieme gezinsleven tekent, alsof hij het hartstochtelijk wil vasthouden.

In 1809 stoppen de tekeningen plotseling. In dat jaar is er in het gezin een vijfde kindje geboren dat heel snel is doodgegaan. Misschien is de moeder daarna niet meer hersteld, zij sterft tien jaar later. Uit brieven en andere familiepapieren weten we dat Jacob de Vos ook daarna goed met zijn zoons kon opschieten. Zij plagen hem en voeren toneelstukjes op waarin zij kritiek op hem uitoefenen. Maar toen hij in 1844, zeventig jaar oud, stierf, werd zijn «frischheid van geest» en «jeugdig voorkomen» geprezen, «hetwelk hem voor den oudsten broeder zijner zonen deed aanzien». Eveline Koolhaas-Grosfeld noemt dat het mooiste compliment dat een vader zich kan wensen.

Vader & zoons: Jacob de Vos Wzn. (1774-1844) en de getekende dagboekjes voor zijn kinderen / Father & Sons: Jacob de Vos Wzn (1774-1844) and the Journals he Drew for his Children.

Tweetalige editie bezorgd door Eveline Koolhaas-Grosveld Uitg. Verloren, 264 blz., ƒ59,50