Over schrijvers die er een punt achter zetten

Een val naar onsterfelijkheid

Zelfmoord zou niet geromantiseerd moeten worden, maar bij schrijvers blijkt dat bijna onvermijdelijk. Het heeft te maken met de aard van het beroep, het altijd maar woorden proberen te vinden voor het onzegbare.

Medium 20160508 onsterfelijk

Het is echt niet zo dat er meer mensen een einde aan hun leven maken. En het Centraal Bureau voor de Statistiek kan het weten. Tot twee jaar geleden leek het aantal zelfdodingen te stijgen – het cbs heeft het consequent over zelfdoding, nooit over zelfmoord – maar in 2014 stagneerde het. De teller bleef hangen op ruim 1800 per jaar, gemiddeld zo’n vijf per dag.

Tandartsen zouden de grootste risicogroep vormen, maar over hen hoor je niet zo veel. Als drie schrijvers binnen een betrekkelijk korte tijdsspanne zelfmoord plegen – Rogi Wieg in juli vorig jaar, Joost Zwagerman in september en Wim Brands vorige maand – voelt dat als een epidemie, of dan toch zeker als een schrikbarend golfje. Hun gedichten, brieven, dagboeken… In het licht van een zelfgekozen dood lijken die er alleen maar belangrijker op te worden.

Zelfmoord is in, begon de Vlaamse filosofe en schrijfster Patricia de Martelaere bijna dertig jaar geleden haar essay over de zelfmoordenaar als levenskunstenaar, opgenomen in haar bekendste essaybundel Een verlangen naar ontroostbaarheid (1993). Op luchtige toon signaleerde ze een trend: ‘Meer en meer mensen denken erover, meer en meer mensen doen het, meer en meer mensen proberen het ook eens een keertje.’ Ze onderbouwde dat ‘meer en meer’ niet met cijfers; misschien was het wel meer een gevoelstemperatuur, eenzelfde soort temperatuur als nu onze contreien teistert. Ook zij zag een ‘merkwaardige band’ die zou bestaan tussen zelfmoord en het schrijverschap.

Opvallend in de berichtgeving over de recente schrijverszelfmoorden is de mengeling van openhartigheid en terughoudendheid. Wel het feit dát, maar niet hoe. Het taboe op zelfmoord lijkt in die zin beslecht dat het benoemd wordt, en al te omfloerste omschrijvingen worden vermeden, maar het publieke ongemak blijft onverminderd groot. In het geval van schrijvers biedt de mogelijkheid tot heroïsering en romantisering een vluchtroute; ze kunnen worden bijgezet in een illustere reeks, aangevoerd door Virginia Woolf, Cesar Pavese, Sylvia Plath, Yasunari Kawabata, David Foster Wallace.

De omzichtige toonzetting van de berichtgeving is voor een deel logisch, en gelukkig, al was het maar omdat het zoeken naar een sluitende verklaring voor een zelfmoord in essentie aanmatigend is. Iets wat complex is, duister en buitengewoon privé zou teruggebracht worden tot een kenbare kwestie van oorzaak en gevolg, of een chemische reactie in de hersenen. In de officiële berichtgeving wordt dan ook hoogstens gerept van depressies. Daarbij speelt de angst voor een aanzuigende werking mee: het schijnt dat juist bekende zelfmoordenaars andere mensen op een idee brengen, of net dat laatste zetje geven. Psychiaters en andere specialisten bepleiten terughouding in de media als het gaat om de details van het waarom, waar en hoe.

Toch is in de laatste twee decennia een duidelijke verschuiving te zien in zowel de ruimte die wordt gemaakt om aandacht te besteden aan de daad as such, als in de meer openhartige terminologie. Dat heeft óók te maken met de toenemende vermenselijking van het nieuws, of popularisering zo je wilt. In deze nadagen van rouw om het verscheiden van David Bowie en Prince – beleden vóór in de krant, achter in de krant, en daartussenin – is het moeilijk voorstelbaar dat de dood van Kurt Cobain in april 1994 werd vermeld op pagina 7. Wereldnieuws was nog meer een zaak van gebeurtenissen dan van personen, en zeker niet van personen uit de populaire cultuur. In het betreffende artikel werd gerept van het feit dat Cobain ‘dood wilde’.

Toen zeven jaar later Herman Brood zelfmoord pleegde, werd zijn betekenis op de voorpagina van NRC Handelsblad geduid. Veel krantenlezers namen hier aanstoot aan, ofwel omdat ze dit te veel eer vonden ofwel omdat ze de duiding belachelijk vonden. Nog weer jaren later, op 6 oktober 2010, stond met grote foto en vette kop ‘zelfmoord acteur Antonie Kamerling’ op de voorpagina van de krant. Weer geschokte reacties: enerzijds vanwege de figuur van Kamerling (‘moeten we die kennen?’), anderzijds vanwege het uitventen van zijn zelfmoord. Zou een kwaliteitskrant daar niet voorzichtiger in moeten zijn?

Achteraf betuigde NRC via de kersverse Ombudsman spijt over de berichtgeving, en kondigde een aanpassing van het Stijlboek van de krant aan. Zelfmoord, of zelfdoding, zou voortaan als doodsoorzaak mogen worden vermeld, als maar geen details werden prijsgegeven over omstandigheden en methode. Dit conform de richtlijnen voor journalisten van de Ivonne van de Ven-stichting voor preventie van suïcide en de mediacode van de Wereldgezondheidsorganisatie. Informatie over hóe iemand een eind aan zijn leven heeft gemaakt schijnt aanstekelijk te werken; ook zouden er conclusies kunnen worden getrokken over de mate van impulsiviteit van de daad. Uit piëteit met de nabestaanden mag hierover niets naar buiten worden gebracht. Opmerkelijke zinsnede in het Stijlboek: ‘Wij romantiseren zelfmoord niet als een oplossing voor levensproblemen.’ Ietsje verderop wordt dit uitgelegd, wederom met behulp van de richtlijnen van de experts: er mag niet geciteerd worden uit dagboeken en/of afscheidsbrief.

In de mate van aandacht voor de achtereenvolgende zelfmoorden van Wieg, Zwagerman en Brands blijken de code van terughoudendheid en de neiging tot bespreekbaarheid elkaar meer dan ooit in de weg te zitten. Er lijkt zelfs sprake van enig cumulatief effect, doorwerkend in de media. Zendtijd wordt vrijgemaakt, programma’s worden herhaald, het werk wordt geciteerd, een cover wordt veranderd, bundels herdrukt. Onder de in memoriams en necrologieën worden de nummers en internetadressen van hulpinstanties afgedrukt. ‘Praat erover’, luidde een kadertekstje bij de berichtgeving – vier pagina’s – over de dood van Joost Zwagerman, en ook bij de berichten over Wim Brands werd het nummer van een hulplijn afgedrukt.

Zo verschillend als de schrijvers zijn, qua persoonlijkheid, werk, achtergrond, zo onvermijdelijk is het dat ze door hun laatste daad nu in één lijn worden beschouwd. Ze kenden elkaar, en van alle drie was bekend dat zelfmoord een rol speelde in hun leven. Wieg verkondigde al lange tijd dood te willen; zijn zelfdoding was in feite een uiteindelijk gehonoreerde euthanasie na jarenlang langzaam opgegeten te zijn geworden door depressies. Geregeld verscheen hij in het openbaar, met openhartige optredens en interviews, al dan niet vergezeld door zijn psychiater. Leek de depressie een tijdje gedempt, later stak de wens een eind aan zijn leven te maken weer onverbiddelijk de kop op.

Joost Zwagerman, ooit-beste vriend, heeft tot het laatst toe hartstochtelijk geprobeerd Rogi Wieg van zijn voornemen af te houden. Mensen die zelfmoord willen plegen moeten hiervan worden weerhouden, was de overtuiging van Zwagerman, die zelf kampte met het trauma dat zijn vader geprobeerd had de hand aan zichzelf te slaan. In verschillende essays en interviews wijdde hij uit over de daad van agressie die het plegen van zelfmoord is jegens de directe nabestaanden. Groot was de schok dan ook toen bleek dat hij er desondanks zelf toe was overgegaan.

Er zijn geen winnaars in deze, maar minstens even zo groot was de schok bij het bericht van de zelfdoding van Wim Brands. De officiële verklaring was summier – hij zou sinds kort met een ernstige depressie hebben gekampt – maar in columns en andere persoonlijke herdenkingsstukken werd uitgebreid stilgestaan bij wat hem zou kunnen hebben bezield, of er geen voortekenen waren, en in hoeverre ook bij hem de erfelijke druk van een suïcidale vader een rol zou hebben gespeeld.

Zelfmoord zou niet geromantiseerd moeten worden, maar bij schrijvers blijkt dat bijna onvermijdelijk. Het heeft te maken met de aard van het beroep, het altijd maar woorden proberen te vinden voor het onzegbare, en het confronterende gegeven dat die woorden op zeker moment kennelijk niet meer volstaan. De ene poëet roept de andere op. In zijn bekende gedicht Het lied der dwaze bijen, uit de bundel Nieuwe gedichten (1934), bezingt Martinus Nijhoff het lot van een paar dwaze bijen, die zich door ‘een geur van hoger honing’ uit hun aardse woning laten weglokken.

Je doet een werk te kort als je de betekenis zoekt in de dood van de maker. Ten tijde van het schrijven was hij springlevend

Nijhoff zette zich met dit gedicht af tegen dichters die in hun poëzie zochten naar het metafysische, ‘raadselige rozen’ verkozen boven aardse geneugten. Blijf nu maar gewoon dicht bij huis, wilde hij zeggen, hier op aarde, waar de bloemen niet alleen zoet geuren, maar ook tastbaar zijn. ‘Ontvoerd, ontlijfd, ontzworven’ laat hij de bijen al stijgend verdwijnen, en – hoe wreed – in een sneeuwbui omkomen.

Het lied der dwaze bijen was voor Nijhoff – een verre van sentimenteel dichter – een programmatisch gedicht, bijna een manifest. Grote poëzie is echter vaak prettig meerduidig; zo biedt dit gedicht de mogelijkheid om iets even machtigs als vaags te verklaren over dichters die voorgoed afscheid nemen van het aardse bestaan. Roekeloos laten de dwaze dichters zich voortdrijven, ‘ver van ons volk en leven’, om net zo lang te stijgen tot de dood erop volgt. ‘Het sneeuwt, wij zijn gestorven,/ wij dwarrelen naar beneden.’

Het is verleidelijk om Nijhoff in deze context te misbruiken. Verleidelijk, en een beetje kitscherig.

Net zo verleidelijk en kitscherig als het herinterpreteren van het nagelaten werk van de zelfmoordenaar. De poëzie van Wieg, Zwagerman en Brands laat zich in het licht van hun dood lezen als een langgerekte afscheidsbrief. Al in 1999 schreef Rogi Wieg in zijn Voorlopig laatste gedicht:

‘Vaak niet kunnen

willen leven en dat een leven lang?

Vergeef me. Nee, doe maar niet.’

Onlangs haalde Remco Campert een gedicht aan van ‘de betreurde Zwagerman’ in zijn wekelijkse column in de Volkskrant. Hij citeert het gedicht dat deze in 2005 schreef bij een van de paardenfoto’s van Charlotte Dumas:

‘ik moet mijn kleding verstellen, mijn haar

eens grondig wassen. En dan nog is het niet

mooi en schoon genoeg aan mij om alle angst

te herleiden tot versperringen die pijn doen,

tot huid die niet meer wil.’

Zwagermans scherpe analyses doen meer pijn dan het teruglezen van welke zinsnede uit zijn literaire oeuvre dan ook

Je kon erop wachten dat Campert na deze regels een opmerking zou maken over het einde van de dichter, en ja, hij besluit zijn column met: ‘Iets van zijn zelfmoord schemert er al in door.’

Werd de laatste bundel van Wim Brands, ’s Middags zwem ik in de Noordzee (2014) ontvangen als ‘romantisch’, ‘nuchter’ en ‘glashelder’, met zijn zelfmoord voor ogen raakte ieder gedicht met terugwerkende kracht zwanger van naderend onheil. Hoeveel liefde en levenslust er ook te vinden is in Brands’ bundel, het vaakst geciteerd werden de regels:

‘Wat er ook is, het zal de natuur een zorg zijn. Het waait, het waaide – buiten klonkde troost van de onverschilligheid.’

De troost van de onverschilligheid, versperringen die pijn doen, huid die niet meer wil, een roep om vergiffenis… In het licht van een zelfverkozen dood worden het beladen formuleringen, maar op zich zijn ze niet voorbehouden aan de literator die de hand aan zichzelf gaat slaan. Het is het type exegese waarin Jeroen Brouwers grote hoogtes bereikt in zijn standaardwerk over schrijvers en zelfmoord, De laatste deur (1984). Dat Jan Arends zich van het leven zou beroven door zich uit een raam te laten vallen weet Brouwers te verbinden aan de smalle, langgerekte versvorm die Arends hanteerde. Alsof de val op papier al een voorbode was.

Het is een wonderlijk fenomeen, maar als een schrijver overgaat tot het ultiem ontheiligende – zichzelf beroven van het leven – wordt zijn werk postuum heilig. Van het ene op het andere moment blijken gedichten en romans explosieven te verbergen, openbaringen te bevatten, zaken op scherp te stellen die minder gevoelige stervelingen niet onder ogen durven te zien. Dit werk kan niet anders dan de waarheid herbergen, de blote waarheid.

Tegelijkertijd doe je een roman of een gedicht te kort als je de betekenis zoekt in de dood van de maker. Ten tijde van het schrijven was hij springlevend, verliefd, nieuwsgierig, ontgoocheld, depressief desnoods. ‘Er is een maagdelijk woud in ieder van ons’, schreef Virginia Woolf in haar afscheidsbrief. ‘Een sneeuwveld waarop zelfs een vogel zijn afdruk niet heeft achtergelaten.’

Patricia de Martelaere zou Patricia de Martelaere niet zijn als zij het verband tussen suïcidaliteit en schrijverschap niet andersom zou benaderen. Natuurlijk, het rijtje schrijvers die zelfmoord hebben gepleegd lijkt exceptioneel lang, maar het rijtje schrijvers die het níet doen is altijd nog langer. Kennelijk zijn er genoeg schrijvers die zich vrij succesvol en comfortabel met hun schrijverschap weten te verzoenen. Agressie en ongeluk kunnen worden gesublimeerd, ook al is het telkens maar tijdelijk, net zo tijdelijk en intens als de opluchting is wanneer de klus is geklaard, voor het moment.

Maar wat als de weerzin de overhand neemt? De suïcidale schrijver behoort tot ‘het trieste ras van nagelbijters’ aldus De Martelaere; zich niet goed voelend als hij niet schrijft, maar zich geen haar beter voelend als hij wél schrijft. Hij heeft liever geschreven dan dat hij schrijft, liever geleefd dan dat hij leeft. Zijn leven doorloopt hij als een dwangmatig traject, van het ene naar het andere te beheersen doel. Tot hij instort. Hij moet uitrusten, maar hoe kan hij rusten als hij alleen maar wacht totdat hij is uitgerust? De geest op de waakvlam zetten kan hij niet. De enige ‘genietingen’ die hij kent zijn die van ‘het helse type’: alcohol, passionele liefde en andere roestoestanden. De dood is een constant aanwezige gruwel, onaanvaardbaar, omdat die hem op onverwacht moment op kousenvoeten van achteren zal besluipen. Beter is hij die dood de baas door er zelf een punt achter te zetten. Vanuit die optiek is de dood geen vernietiging of onderbreking, maar een bewust geschreven ‘einde’.

De Martelaere’s typering van de zelfmoordenaar als levenskunstenaar heeft ook een beetje de geur van hoger honing. Misschien ingegeven door een verlangen naar verzoening waaraan je als achterblijver niet ontkomt. Dat wat de schrijver in kwestie zo goed maakte – zijn vitaliteit en creativiteit, zijn dadendrang en controledrift – is hetzelfde als wat hem zijn leven deed beëindigen. Hij is geen kneus, geen kniezer, geen sombermans. Hij is gretig en ambitieus, vastbesloten en absoluut: voor het werk moet alles wijken. Blijkbaar hoorde die laatste extreem creatieve impuls erbij. Zo bezien is de schrijvende zelfmoordenaar iemand die zijn leven in stijl afsluit, en het de mensheid overhandigt als een voltooid verhaal.

Geïnterviewd door Joost Zwagerman vertelde Jeroen Brouwers bijna dertig jaar na het voltooien van De laatste deur dat hij bij de meeste zelfmoordenaars uit de Nederlandse literatuur was gestuit op een dubbele tragiek: niet alleen hun leven was zinloos, maar ook de zelfmoord waarmee ze dachten nog enige aanspraak te kunnen maken op de literaire eeuwigheid bleek zinloos. Jotie T’Hooft, Jan Emmens… wie las ze nog? ‘De grote schok bij het voltooien van De laatste deur’, aldus Brouwers, ‘was het besef dat ik het eigenlijk alleen maar over kneuzen had gehad.’

Ook dit is vertekening. Vertekening in het licht van het offer dat is gepleegd. Alsof een zelfmoord zijn rechtvaardiging zou moeten vinden in het nalaten van een meesterwerk. Alsof zelfmoordenaars het er dan toch om te doen zou zijn geweest een gooi te doen naar een eeuwig leven. En: alsof dertig jaar na dato het merendeel van de schrijvers sowieso geen ‘kneus’ blijkt te zijn, volgens zichzelf of volgens anderen.

‘Oordeel liever niet’, was het adagium van Brouwers. De vraag ‘wat doet iemand een ander aan’ vond hij een egoïstische gedachte. ‘Nabestaanden moeten zich verplaatsen in de zelfmoordenaar, en zich pas daarna verdiepen in elkaar of zichzelf.’

In Door eigen hand (2005), Zwagermans bundeling van essays over zelfmoord en de nabestaanden, overheerst een heel andere gedachte. De zelfmoordenaar zadelt zijn nabestaanden op met een trauma voor het leven, misschien zelfs wel een doem. De berusting bij een zelfgekozen dood noemt hij ingewikkeld, omdat die geen recht doet aan alles wat een nabestaande kan voelen: onmacht, schuldgevoel, onbegrip, het gevoel in de steek gelaten te zijn. Een parade van getraumatiseerde achterblijvers passeert in zijn boek de revue, van Amos Oz tot E. du Perron, van Arthur Japin tot Renate Dorrestein.

Het idee dat een zelfmoordenaar zichzelf zou kunnen ‘verlossen’ vindt Zwagerman een geval van ‘onterechte romantisering’. Voor de nabestaanden zou het juist ook bevrijdend kunnen zijn om te denken dat de zelfmoordenaar niet uitsluitend een door ernstige depressiviteit gemarteld slachtoffer is. Het is ook iemand die nog in zijn meest penibele moment van levenswalg en doodswens ten prooi is aan egomanie en zelfobsessie: voor de eigen ellende moet alles wijken.

De scherpe analyses van Zwagerman, de bovengemiddelde intelligentie waarmee hij het verleidelijke charisma van de gekwelde dichter fileert, de menselijke empathie waarmee hij de vraag durft te stellen ‘maar waarom zou je eigenlijk níet mogen oordelen over iemands beslissing zelfmoord te plegen’, doen meer pijn dan het teruglezen van welke zinsnede uit zijn literaire oeuvre dan ook. Wat is de waarde van een gedicht, een bundel, een schrijverschap op de schaal van een mensenleven?

Een simpele vraag werpt hij op met dit boek bij de lezer die weet hoe het met de auteur is afgelopen. Een simpele vraag, ongemakkelijk laverend tussen mededogen en iets anders. Hoe kan het dat iemand die dit allemaal weet, die zelf vader is, toch hiertoe is overgegaan? En in het kielzog hiervan het besef, hoe ontoereikend ook: hoe erg moet iemand die dit allemaal weet, die zelf vader is, eraan toe zijn om hiertoe over te gaan.