Een valse messias?

Wie was Friedrich Weinreb? Een valse messias, zeggen zijn tegenstanders, alsmede een seksmaniak, oorlogsmisdadiger, afperser. Volgens de Weinreb-studie van René Marres (zie De Groene van verleden week) dient dat beeld bijgesteld.

DE WERELD VAN de Europese chassidim, discipelen van de legendarische ‘wonderrebbe’ Baäl Sjem Tov, reikte ooit van Rusland tot aan Scheveningen. Ze verdween grotendeels door de schoorstenen van Auschwitz. De chassidim waren ultra-orthodoxe joden, voor wie het leven exclusief draaide om de tora, het woord van God. Hun geloof grensde aan het extatische. Zij waren de rastafari’s van hun dagen, compleet met dreadlocks, kaftans en brede hoeden. Ze leefden ultra-orthodox en brachten de mystieke wereld van de kabbala in de praktijk van het dagelijks leven. In het middelpunt van hun geloof stonden de wonderrebbes, bovennatuurlijk gezegende rabbijnen die werden gezien als een middelaar tussen mens en God en bij wie de wonderlijkste gaven werden verondersteld.
Het chassidisme was een reactie op de rampzalige estafette van pogroms door de Kozakken in de zeventiende eeuw en de diepe teleurstelling die volgde op het tijdperk van de 'valse messiassen’, die het jodendom in Rusland, Polen en de rest van Oost-Europa aanvankelijk tot grote extase hadden gebracht, om het daarna in de diepste ravijnen van de teleurstelling te storten. De bekendste van deze valse messiassen was ongetwijfeld Sjabbatai Zwi (1626-1676), die zichzelf in 1665 uitriep tot messias en onderhandelingen met de Osmaanse sultan startte over het uitroepen van het koninkrijk Gods in Israel, met zichzelf als koning. Zwi veroorzaakte een onbeschrijflijke golf van opwinding en enthousiasme in de joodse wereld, maar zorgde voor een al even intense desillusie door zich opeens tot de islam te bekeren, om de rest van zijn leven door te brengen als balling in Albanië.
Dit debacle maakte de weg vrij voor het chassidisme van Israël Ben Eliëzer, beter bekend als Baäl Sjem Tov ('Meester van de goede naam’), oftewel Besjt. Zijn leer was een direct antwoord op de grootse en meeslepende concepten van een nieuwe werkelijkheid zoals de valse messiassen die hadden geproclameerd.
In het chassidisme van Baäl Sjem Tov werd uitgegaan van het inzicht dat de hoogste extase kan worden bereikt via de banaalste uiting van de werkelijkheid, zoals de eeuwenoude kabbala natuurlijk ook al verkondigde. In het chassidisme, dat in zijn speciale aandacht voor bijvoorbeeld muziek en roes veel overeenkomsten vertoont met de mystieke islamitische traditie van het soefisme, werd levensvreugde als een hoger goed gezien dan de ascese, en het was in die zin een belangrijke ommezwaai in het denken van het joodse proletariaat in Europa. Het perspectief verschoof van verlossing naar levenskunst.
Voor de chassidim bestonden er geen maatschappelijke ambities. Een chassidische rebbe voorzag in zijn bestaan door een simpel leven als ambachtsman, als schoenmaker of winkelier, om tijd over te hebben voor het echte werk: het bestuderen en in de praktijk brengen van de tora, hetgeen geen ander nut diende dan de eigen ontwikkeling. De chassidim konden vaak nauwelijks lezen of schrijven in de taal van het land waar zij verbleven, maar op het gebied van de joodse literatuur waren zij vaak verbluffend goed ingevoerd. De kinderen leerden Hebreeuws op hun derde of vierde. Het was geen uitzondering als iemand de hele bijbel woordelijk uit zijn hoofd kon declameren, alsmede een respectabel aantal talmoedische commentaren daarop.
ELIE WIESEL schreef in zijn Vuur in de duisternis een ode aan deze chassidim. 'Ze ontroerden door hun eenvoud; ze waren verliefd op schoonheid. Ze konden aanbidden en vertrouwen. In vreugde konden ze geven en aanvaarden. Ze konden delen en deelnemen. In hun gemeenschap leed geen enkele bedelaar honger op sabbath. Ondanks armoede, ondanks de voortdurende dreiging die rustte op hun kinderen en bejaarden, eisten ze niets op van niemand, van geen ander; ze vonden dat niet alles hun toekwam. Ze stonden voortdurend verbaasd van de kleinste uiting van goedheid, van medelijden, en ze beantwoordden die met dankbaarheid. Ze konden dus niet in leven blijven in een samenleving waar georganiseerde, onpersoonlijke wreedheid heerste. De wereld verdiende de fabels en parabels niet die de chassidim vertelden, en daarom werden ze de eerst aangewezenen om in de maalstroom onder te gaan.’
Tot in de vernietigingskampen bleven deze mensen volharden in hun geloof aan de alomtegenwoordige goddelijkheid van de schepping, zo vertelde Wiesel, die hen als jongen in de vernietigingskampen had zien zingen en dansen. 'De beweging van het chassidisme, die broederschap en verzoening predikte, werd het altaar waarop een heel volk werd geofferd.’ Gewelddadig verzet was voor de chassidim niet het antwoord op vervolging en pogroms. Het waren vredelievende mensen, die vooral met rust gelaten wilden worden.
Friedrich Weinreb, geboren op 18 november 1910 te Lemberg - toen deel van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, nu als de stad Lvov te vinden in de Oekraïne - was zo'n chassidim. Zijn voorouders waren chassidische rebbes. Geleerde mannen, van wie werd verwacht dat ze kennis hadden van alle zeventig wetenschappelijke disciplines. Een van hen - tien generaties terug - was zelfs leraar van de Baäl Sjem zelf geweest, zo wilde de overlevering. Zijn vader, in Lemberg succesvol handelaar in textiel, was weliswaar een liberale, wereldse jood met een voorkeur voor de als superieur beschouwde Duitse cultuur, in de familietraditie was de chassidische traditie als herinnering nog springlevend.
Weinreb senior was boven alles een goudeerlijk man. Hij leerde Weinreb bijvoorbeeld een postzegel te verscheuren wanneer men een brief eigenhandig had bezorgd: op die manier werd geen inbreuk gemaakt op het staatsmonopolie der posterijen. Hij gaf een kassier twee centen voor een dienstenveloppe die hij privé gebruikte. 'Mijn vader was overdreven legaal’, schreef Weinreb. 'Daarom kon ik later in de oorlog zo goed “legaal” spelen.’
IN ZIJN MEMOIRES vertelt Weinreb met veel heimwee over zijn eerste jaren in Lemberg. 'Alles in die jaren droeg het stempel van rust, behagen, geborgenheid. Ze geven tezamen een herinnering aan iets rozigs, iets geborgens. Ik herinner mij geen verdriet uit die jaren, ook geen uitbundige vreugde. Maar wel een sfeer van rustige degelijkheid, van brave beschaafde mensen. Ik had eigenlijk nooit verdriet in die jaren.’
Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog komt daar een einde aan. De Russen bezetten Lemberg en de familie Weinreb vlucht, zoals zo velen, naar Wenen, waar vader Weinreb zich met succes weet te ontworstelen aan de militaire dienstplicht in dienst van het Habsburgse rijk en in 1916 vertrekt naar Scheveningen, samen met zo'n acht- tot tienduizend andere joden uit Oostenrijk, Duitsland en België. Scheveningen kent vanaf dat moment een rijk joods leven. Overal klinkt het Jiddisj. Het straatbeeld wordt overheerst door de lange baarden, brede hoeden en lange jassen van de chassidim. Scheveningen wordt klein Warschau genoemd. Het is hier dat Friedrich Weinreb als jongeman opgroeit en het chassidisme van zijn voorvaderen herontdekt. Steeds vaker is hij in de Scheveningse sjoel niet te zien bij de moderne, liberale joden maar onder de chassidim, hetgeen ook tot veel praatjes leidt. De chassidim hebben namelijk niets op met het zionisme. Een eigen staat voor het joodse volk wordt door hen gezien als zijnde in tegenspraak met de leer van de tora.
Weinreb wordt helemaal in de wereld van de chassidim getrokken als hij, inmiddels afgestuurd aan de Economische Hogeschool, in 1936 trouwt met Esther Gutwirth, dochter van een uit Antwerpen gevluchte diamanthandelaar die 'oer-chassidisch’, dat wil zeggen oer-orthodox leeft. Op deze manier maakt Weinreb in feite een sprong terug in de tijd: het heimwee naar het veilige leven in Lemberg, waaraan hij vanwege zijn toen zeer jonge leeftijd natuurlijk alleen rudimentaire herinneringen kan hebben, krijgt via Weinrebs herontdekking van het chassidisme een nieuwe wending.
Al in 1932 had Weinreb zich aangesloten bij de chassidische beweging van Nathan Birnbaum, een gevierde joodse cultuurfilosoof. Birnbaum, die aanvankelijk als liberale jood het zionisme bepleitte, zag voor de joden geen politieke toekomst als nationale eenheid, maar schreef ze een bijzondere, geestelijke taak toe temidden van de volkeren, een soort chassidisme met open raam voor de niet-joodse buitenwereld. Weinreb werd al snel naaste medewerker van Birnbaum, die in 1932 van Berlijn naar Scheveningen kwam, alwaar hij verbleef in het huis van Weinrebs schoonfamilie. De komst van Hitler als Duits kanselier verbrijzelde hun hoop op een onbezorgde toekomst voor joden in Europa. In 1935 richtten zij de Jewish People Service op, met als doel het verkrijgen van een stuk land, niet in Palestina, waar joden die niet in Europa wilden blijven wonen een nieuw, beschermd leven zouden kunnen opbouwen. Deze organisatie onderhandelde onder meer met de Nederlandse regering om een deel van Suriname beschikbaar te stellen voor uit Europa vertrekkende joden. Ook werd Weinreb redacteur van het blad Der Ruf van deze beweging. Hij is 26 als hij door de regering van de staat Israel-in-oprichting wordt gevraagd mee te werken aan een speciale denktank waar het toekomstige politieke kader van de komende joodse staat zou worden opgeleid. Weinreb weigert.
In 1937 overlijdt Birnbaum. Weinreb wordt door velen gezien als zijn opvolger. Al vanaf 1935 is hij namens de Birnbaum-groep bezig met het redden van Duitse joden uit de handen van de nazi’s. Vanuit de kring rond Birnbaum in met name de Verenigde Staten zou hij later veel steun ondervinden in zijn eenzame strijd tegen de Nederlandse regering. Door zionistisch geïnspireerde joden zou hij vanwege zijn anti-Israel-visie, die hij ook na de oorlog als chassidim zou blijven handhaven, juist worden verketterd. In die zin is de opmerking van Jacques Presser tegenover zijn interviewer Philo Bregstein, waarin de historicus zei dat Weinreb niet alleen - zoals hij in zijn befaamde Ondergang had geschreven - de zondebok was geweest van niet-joden, maar ook van joden, van vitaal belang.
OFFICIEEL WAS Weinreb natuurlijk geen rabbijn, laat staan een wonderrebbe uit de chassidische school. Hij was gevormd in de econometrie. Maar gaandeweg slopen er steeds meer karaktertrekken van zo'n klassieke wonderrebbe in hem. 'Waarschijnlijk hebben in de eerste plaats de met ontzag vertelde verhalen over mijn grootouders en hun ouders en grootouders bij mij als klein kind al een sfeer geschapen van eerbied en liefde voor die wereld’, schreef hij. 'Ik had ook een ondefinieerbaar medelijden met de mensen, omdat zij allen die wereld verloren hadden, omdat naar mijn kinderlijke gevoel van destijds allen op de vlucht waren, verjaagd, geen zekerheid meer hebbende, niet wetende wat te doen en waarheen te gaan.’
Net zoals zijn voorvaderen bestudeerde hij de tora en de talmoed, zo intensief dat hij tijdens zijn verblijf in de gevangenis direct na de Tweede Wereldoorlog, toen hij zich zette aan het schrijven van zijn grote bijbelstudie De bijbel als schepping, slechts puttend uit zijn herinnering alle benodigde citaten uit de heilige schrift letterlijk wist te noteren. Net als de chassidische rebbes uit vroeger tijden zou ook Weinreb als ketter en charlatan worden verguisd door mede-joden. De Baäl Sjem kreeg daar zijn deel al van mee. Niet-chassidische joodse historici als Graetz, Kahana of Dubnov hadden geen goed woord over voor de wonderrebbe uit Galicië en portretteerden hem als charlatan, platvloerse kwaadwillige dronkelap, vraatzuchtige kwakzalver, een moreel inferieur wezen dat alleen uit was op eigen glorie. Weinreb zou direct na de oorlog exact dezelfde behandeling ondergaan.
Eind jaren dertig werd hij vooralsnog vooral als joodse wijze geadoreerd. Tal van hulpbehoevenden schakelden hem in, of het nu om financiële problemen, huwelijksproblemen of medische klachten ging. Maar wat in de jaren dertig nog hoogstens in elementaire vorm in Weinreb aanwezig was, zou als gevolg van de catastrofe van de oorlogstijd een snelle ontwikkeling doormaken.
Weinreb zelf heeft zijn handelen ten tijde van de Duitse bezetting eens vergeleken met een anekdote over een beroemde chassidische geleerde uit vroeger tijden. Deze rebbe kreeg eens bezoek van een ten dode opgeschreven man, die leed aan tering en door de beste dokters van Wenen reeds was opgegeven. De patiënt, desperaat, riep de hulp van de rebbe in. De rebbe onderzocht hem en zei: 'Die artsen en doktoren hebben het niet goed gezien. Ze hebben zich vergist. Ik zie het beter. Jij bent niet zo ziek. Je bent alleen wat zwak. Je zult nog een lang leven hebben.’ De man, zo vertelt het verhaal verder, klaarde zienderogen op en vertrok vol goede moed. Een week later volgde zijn overlijdensbericht.
De leerlingen van de rebbe reageerden furieus. Hoe had de rebbe kunnen zeggen dat de man aan de beterende hand was? Iedereen zag toch dat hij ten dode was opgeschreven? De rebbe antwoordde dat hij zelf natuurlijk ook had gezien dat de man aan het einde was. Maar: door te zeggen dat er eigenlijk niets aan de hand was, had de man zijn laatste dagen in blijdschap in plaats van in totale depressie doorgebracht. Dat hij had gelogen nam de rebbe graag op zich. 'Maar ik weet dat ik een mens na al die ellendige tijd een paar dagen blijdschap, herleven heb gegeven. Wat is er meer waard dan dat? Kan een mens een kostbaarder geschenk geven dan dat?’
Deze chassidische overlevering diende Weinreb naar eigen zeggen als inspiratie voor zijn krankzinnige spel met realiteit en illusie dat hij in de bezettingsjaren speelde met zowel de Duitsers en hun Nederlandse handlangers als hun joodse slachtoffers. 'Aan dit verhaal dacht ik heel vaak’, schrijft hij. 'In ieder geval deed ik niet als de artsen uit het verhaal. Want zij konden de man ook niet helpen met hun legale, formele werkelijkheid. Bovendien maakten ze hem intens bedroefd, radeloos. En ik vind dat gelukkig maken het hoogste is wat een mens aan een ander kan geven. Het geeft zin aan het leven. Het verheft boven het gewone, het dode. Bovendien, ik meende nog heel wat te weten ook, dat blijde mensen een uitweg kunnen vinden, een uitweg waar ze zelf in hun verdriet niet aan gedacht kunnen hebben. Verdriet maakt dof, slaperig, passief. Blijdschap geeft elasticiteit.’
ZIEDAAR DUS DE ideologische, zo niet religieuze component van de 'Weinreb-lijsten’. Plaatsing op die lijst kon deportatie naar de kampen in Polen verhinderen. In ruil voor geld, goud en deviezen konden joden in Nederland op deze lijst komen, die emigratie naar Portugal of een andere vrije zone zou brengen en in ieder geval voor uitstel van deportatie naar Polen kon zorgen. Het probleem van de lijst was dat hij slechts bestond in Weinrebs verbeelding. Ten dienste van dat project had Weinreb een fictief persoon in het leven geroepen, een generaal van de Wehrmacht, Joachim Herbert von Schumann, een Pruisische officier van de oude stempel, die de talentvolle joodse econoom in dienst zou hebben genomen om dit speciale project te coördineren. De generaal bestond echter alleen op het briefpapier dat Weinreb voor hem had laten maken. Een geniale list, typerend voor de talenten van Weinreb als bedrieger, zeggen zijn tegenstanders. In werkelijkheid was het eerder een daad van opperste radeloosheid.
Al zeer vroeg in de bezetting waren er talloze joden op Weinreb af gestapt om zijn hulp te vragen. Hij had een - bescheiden - functie bij de Joodsche Raad. Daarnaast kwam men naar hem toe vanwege zijn speciale status als regelaar. Weinreb scheef de ene brief na de andere aan de autoriteiten. Bijvoorbeeld om - in die door grote argeloosheid ten opzichte van de ware bedoelingen van de bezetter gekenmerkte eerste maanden van de bezetting - mensen wegens gezondheidredenen af te melden voor een gang naar een werkkamp. Hij was een bedreven administrateur en sorteerde veel effect. Naarmate de anti-joodse maatregelen strenger werden uitgevoerd, moest Weinreb zich van steeds meer trucs gaan bedienen. Met als resultaat dat hij in 1942 het middelpunt was geworden van een zelfgeschapen, illusoir universum dat slechts met kunst en vliegwerk overeind kon worden gehouden om uiteindelijk in 1944 definitief ineen te storten.
'Niemand verwachtte ook dat ik meer of bijzondere krachten zou bezitten tegenover de gruwel van de oorlog’, schreef hij later. 'Wat men echter ondanks dat wel bij mij zocht, was, met het ernstiger worden van het aspect der problemen, een zekere rust die van mij uitging, een vertrouwen dat ondanks alles ten goede was en ten goede zou keren, ook in onze zichtbaarheid. Ik bemerkte dat mijn troostwoorden met graagte werden gehoord. Daarbij komt dan, als uitvloeisel van deze geneigdheid om de dingen van dit leven niet te overdrijven, een zekere soepelheid bij het nemen van maatregelen of bij het geven van raad.
Ik weet niet gemakkelijk onder woorden te brengen wat dat speciale is, dat steeds zo velen naar mij doet toekomen. Misschien heb ik, wat men noemt “ondernemers”-kwaliteiten. Het rustig en beheerst tegemoettreden en aanvaarden van risico’s, die de gemiddelde mens liever ontwijkt, het bezitten van een rijk en gevarieerd voorstellingsvermogen en het in staat zijn waar nodig aan dat voorstellingsvermogen vorm te geven. De wil tot doorzetten en de vanzelfsprekende houding om leiding te geven. Het is moeilijk dit soort eigenschappen bij zichzelf vast te stellen. Doch uit hetgeen anderen mij herhaaldelijk, al naar hun positie tegenover mij, bewonderend of geërgerd, hebben doen weten, meen ik toch de hierboven geschetste eigenschappen als typerend voor deze zijde van mijn leven te mogen opschrijven.’
WEINREBS TEGENSTANDERS beschrijven de Weinreb-lijst als puur bedrog, alleen bedoeld voor geldelijk gewin. In de Weinreb-archieven van het Riod bevinden zich tientallen direct na de oorlog geschreven brieven van Nederlandse joden die zeggen dat zij hun leven wel degelijk aan Weinreb te danken hebben. Riod-onderzoekers Van der Leeuw en Gilthay Veth hebben die brieven bijna geheel genegeerd, omdat ze niet strookten met hun opvattingen over Weinreb als oorlogsmisdadiger. In deze brieven wordt glashard ontkend dat het Weinreb om geld te doen was, hoewel hij natuurlijk wel geld nodig had om nazi’s om te kopen of om voor onderduikers een plaats te regelen. Mensen die het niet konden opbrengen, hoefden de verplichte betaling van honderd gulden voor een plaats op de lijst niet te voldoen, zo blijkt. Bovendien, zo verzekeren zij, gaf Weinreb hun altijd de raad om zich niet dood te staren op zijn lijst. Onderduiken was altijd beter.
Dat laatste nu druist ook regelrecht in tegen het officiële Riod-verhaal over Weinreb, waarin de drang naar geld en macht als enige motieven gelden voor Weinrebs acties in oorlogstijd. Neem bijvoorbeeld de brief van H. Birnbaum, die in het doorgangskamp Westerbork optrad als leider van het weeshuis. 'Ik vergeet het nooit, hoe toen op medewerking van de heer Weinreb een hele groep van op transport gestelde kinderen van de transportlijst werd geschrapt en dus niet op transport moest’, schrijft hij. Of David Samuel Sonnenberg: 'Dankzij de Weinreb-lijst zijn wij gespaard gebleven’, schrijft deze. 'Indien wij niet op de Weinreb-lijst gestaan zouden hebben, waren we zonder meer naar Auschwitz gedeporteerd.’
Hetzelfde meldt Julius Goldschmidt: 'Gaarne verklaar ik dat ik mede aan den heer Weinreb mijn leven te danken heb. Het pecunieerde voordeel, dat de heer Weinreb daardoor gehad heeft, dat hij mij tegen betaling van honderd gulden in de loop van de zomer van 1942 op zijn lijst geplaatst heeft, is nihil, als men alleen maar de tijd berekent, die den heer W. aan mijn redding besteed heeft.’ Of neem mevrouw R. Hasfeld-Jungholz, die meldt samen met haar familie in oktober 1942 op aandringen van Weinreb te zijn ondergedoken. 'Verder heeft hij door bemiddeling van een derde tijdens het onderduiken laten informeren of financiële hulp niet nodig was.’ Of neem het schrijven van mevrouw P. Fenichel-Fischler: 'Hiermede verklaar ik dat ik met mijn kind door de actie van Weinreb gespaard ben gebleven voor deportatie en daardoor ons leven heb kunnen redden. Ook heeft hij mij van valse persoonsbewijzen gratis voorzien, met geld en levensmiddelen gesteund (…) Ik weet dat ik alleen aan zijn hulp mijn leven te danken heb.’
Zo zijn er nog veel meer dankbetuigingen van mensen die melden door Weinreb te zijn gered. Ze werden achtergehouden of weggemoffeld in het Riod-rapport over Weinreb, kennelijk omdat ze niet pasten in de campagne die van Weinreb een sadistische maniak moest maken, belust op geld, macht en seks, en absoluut niet geïnteresseerd in het behoud van het leven van zijn joodse slachtoffers. Zoals zijn vervolgers Van der Leeuw en Giltay Veth schreven in hun Riod-rapport: 'Naar onze overtuiging heeft Weinreb het hele Nederlandse jodendom willen treffen.’ In 1977, een jaar na het verschijnen van het Weinreb-rapport, vertelde Van der Leeuw dezelfde boodschap in het holocaust-herinneringscentrum Yad Vashem in Jeruzalem. Vanaf dat moment gold Weinreb ook in Israel officieel als oorlogsmisdadiger. Het was de finale vernedering. Geen enkele rebbe in de chassidische traditie moest door zo'n diep dal als Friedrich Weinreb. Zijn medestanders waren daar meer ontdaan over dan hijzelf.