Liefdeslyriek

Een van ons

Eigenlijk wil ik mijn dichters helemaal niet delen. Er zijn al genoeg mooie regels gesneuveld in andermans mond.

Medium perquin

Ik ben nogal ontrouw als het om liefdesgedichten gaat, heb ik ontdekt. Wat ik twintig jaar geleden een hartstochtelijk gedicht vond, is geleidelijk naar ouwemannengehijg gaan klinken. Warme woorden werden gratuit. Melancholie bleek holle pathetiek. Begeerte veranderde in slecht vermomde eigenliefde. Werd ik wijzer? Of alleen maar cynisch? Ach, andermans verzuchtingen, verlangens.

Wat moet een mens toch zonder poëzie? Mijn lezende leven lang zocht ik naar woorden om mezelf en mijn liefdes te duiden, en vaak raakte ik ze weer kwijt. Soms lieten door slijtage laatste regels los, of dreven biografische gegevens tussen mijzelf en gedicht. Omdat een dichter me vertelde dat hij over háár had geschreven en dat ik haar ook heb gekend; ik zie haar zo voor me. Dat zij over hem schreef en daarin verwees naar dat hotel, dat ene in Praag, je weet wel. Maar ik hoef niets te weten, want het helpt allemaal niet. Een gedicht over de liefde werkt alleen wanneer het los blijft staan, helemaal kan worden toegeëigend. Het moet uiterst persoonlijk zijn en uiterst universeel.

Van het ene gedicht liep ik dus naar het andere, zoals armen die ooit de mooiste armen waren weer verlaten moesten worden voor andere. Honger, honger. Slechts een handjevol liefdesgedichten bleef in de loop der jaren over. De onverslijtbare, onvergetelijke.

Lanoye natuurlijk. En Brassinga, Claus, Barnas, Moeyaert. Als ik zou moeten aanwijzen wat ze gemeen hebben, die gedichten, schilder ik per ongeluk een portret van waar ik naar verlang. In de liefde zelf bedoel ik, niet eens in de poëzie. Blijkbaar moet het zoekend zijn en op de tast. Moet het een beetje pijn doen. Graag onaf zijn of onaf schijnen. En dat het nooit helemaal geslaagd is, maar altijd ergens blijft steken. Zo kom je via de poëzie die in de loop der jaren in je achterblijft weer bij je eigen ongeneeslijk romantische inborst terecht. Mogelijke wijsheid en mogelijk cynisme ten spijt: zo moet de liefde zijn. Zo moet het klinken. Dat alleen kan vervullen en weer voortjagen. Honger, honger. Mijn schaamte daarover is gaandeweg ook wel vervlogen.

Trouwens, langdurig geluk is voor de meeste mensen al gauw te zwaar om te dragen. Menig huwelijk is eronder bezweken. Daarbij komt dat de meeste dichters te veel zien. Het is nu eenmaal makkelijker koers te houden met je ogen op de weg; maar wie altijd op zoek is, kijkt ook naar wat er zijdelings langskomt. De zijwegen, de pauzeplaatsen, de afslagen. Dichters kunnen de kunst van blijven en behouden dus zelden bij elkaar afkijken, moet je wel bedenken. In dichterskringen is de hang naar het missen, het verlangen naar verlies dikwijls een gegeven. Romantisch tot op het bot en broodnuchter tegelijk. Niet meer te redden en daar vrolijk onder blijven. Men is nu eenmaal eerst en vooral trouw aan wat er nog geschreven moet. Aan wat er nog geleefd moet worden.

Wat moet een dichter zonder poëzie? Het kan haast niet anders of de jonge Maud Vanhauwaert zag de oude Morriën vanaf zijn (ongetwijfeld rondborstige) wolk glimlachen toen zij een gedicht begon met ‘Zul je voorzichtig zijn’.

Iedereen moet zijn eigen handjevol maar verzamelen en ondervinden wat blijvend is

zul je voorzichtig zijn
ze moet het beloven
maar zij en ik weten dat je niet naar links
en rechts kunt kijken tegelijkertijd

ze houdt haar hand als een luifel
schuin boven haar hoofd
het is haar helmpje: ze belooft

kom je weer bij me na je reis
ze glimlacht in een frons
denkt aan de lijst van alles wat maar twee
keer komt
eb in een dag, de dood
van een van ons

Het is de laatste tijd dit gedicht van Maud Vanhauwaert dat me voor ogen staat en in me opklinkt. Als ik denk aan de liefde en alle idiotie die daarbij hoort. De kalmte van deze woorden en de storm die daaronder drijft. Het is dit titelloze, terloopse antwoord op een evergreen, meer dan veertig jaar later geschreven, dat voor nu Het Gedicht over de liefde is. Een beetje onaf, een beetje op de tast. Woorden die gaan over wat je allemaal ontglipt wanneer je ergens naar grijpt. Regels die ik, als een ampul met tegengif, voor droeviger tijden bewaar. Maar als ik heel eerlijk ben wil ik er helemaal niet mee te koop lopen, met wat ik zoal in mijn hoofd heb opgeslagen. De gedichten waaraan je je al dan niet tijdelijk verbindt behoren tot het privé-domein. Iedereen moet zelf maar op weg, de kroegen, de bibliotheken en de zoekmachines in. Iedereen moet zijn eigen handjevol maar verzamelen en ondervinden wat blijvend is. Wat niet.

Eigenlijk wil ik mijn dichters helemaal niet delen. Er zijn al genoeg mooie regels gesneuveld in andermans mond. Te hoop gegooid, onder de voet gelopen, stuk geaaid. Daarom: laten we er liever over zwijgen. Fluister de woorden hooguit eens voor u uit, in het donker. In het oor van die ene. De liefde van nu. Dat is genoeg.


Gedicht: Maud Vanhauwaert, uit de bundel Ik ben mogelijk. Querido 2011


Beeld: Rachel Corner