Muren wereldwijd De Israëlische muur

Een vangnet van 750 kilometer

De droom van een onafhankelijke Palestijnse staat is te gronde gericht, door de Oslo-akkoorden, Israëls afsluitingspolitiek, het Palestijnse concessiestelsel, en natuurlijk de muur. Die maakt het Palestijnse leven tot een hel. Verder in deze kleine special: Een wereld vol muren, en: Hoeveel grens hebben we nodig?

DANNY TIRZA, gepensioneerd kolonel van de Israëlische grensbewaking, een sportieve vijftiger met een gehaakt keppeltje op het hoofd, leunt tegen de betonnen uitkijktoren op de berg Gilo bij Jeruzalem. Voor hem ligt een bijbels landschap met in het zuiden het oude Bethlehem, de joodse nederzetting Har Gilo en in het noorden Jeruzalem met de gouden koepel van de Al Aqsa Moskee, de stad waar hij geboren en getogen is. Met een weids gebaar wijst hij naar een grijs slingerend lint dat het gebied in tweeën deelt. Dit is het Israëlische veiligheidshek oftewel de muur. Tirza juicht die afscheiding toe en dat is niet vreemd, hij heeft hem zelf ontworpen. ‘Het is niet perfect, maar het heeft vele mensenlevens gered en de veiligheid in Israël hersteld’, zegt hij.
De geschiedenis van ‘de muur’ – eigenlijk bestaat maar vijftig procent van de afscheiding uit muren en de rest uit hekken en prikkeldraad – begint in 1992. Yitzach Rabin, de Israëlische premier en winnaar van de Nobelprijs voor de vrede, wilde een veiligheidsbuffer tussen de strijdende partijen bouwen. In 1994 werd de muur om de Gazastrook gebouwd, maar het plan voor de Westelijke Jordaanoever verdween tijdens de euforie van de Oslo-akkoorden weer in de la.
‘In de zomer van 2000’, zegt Tirza, ‘nam ik als lid van de technische onderhandelingsstaf deel aan de Camp David-conferentie met de finale status-onderhandelingen tussen Arafat, Barak en Clinton. De stemming was coöperatief. We dachten dat het vredesverdrag rond was en we stelden al nieuwe landkaarten op met de definitieve grenzen. Tijdens het slotdiner vroeg Barak aan Arafat om een verklaring te ondertekenen dat het conflict beëindigd was. Hij legde uit dat zonder die verklaring Israël de Palestijnen alles had gegeven, terwijl de Israëliërs met lege handen bleven. Dat schoot Arafat in het verkeerde keelgat en hij antwoordde woedend: “Ik kan het einde van het conflict niet bekrachtigen, want ik vertegenwoordig alleen de Palestijnse natie en niet de Arabische wereld.” En hij vertrok.’
Drie weken later begon de tweede intifada en in een dag veranderde het leven in Israël en de Palestijnse gebieden.
‘Ik werd geconfronteerd met zelfmoordbrigades en bombardementen.’ Tirza wijst in de verte: ‘Ze schoten vanuit het Palestijnse Beit Jalla op de huizen hier in Gilo. Aanvankelijk dachten we dat het een ongelukje was tijdens de vredesonderhandelingen, maar de acties werden steeds heviger. Het was oorlog. De bevolking was in paniek en de economie leed onder het terrorisme.’
Tijdens het nationale eenheidskabinet van Ariel Sharon in 2001 werd een militaire campagne op Palestijnse doelwitten gestart. De Palestijnen antwoordden met een golf van terreuraanslagen. In maart 2002 waren er in een maand 139 Israëliërs gedood en tijdens de Israëlische represailles kwamen 497 Palestijnen om het leven. Voor de Israëliërs was de maat vol. Er gingen stemmen op om Rabins veiligheidsbuffer uit de kast te halen. Aanvankelijk was Sharon geen voorstander. Hij dacht dat zo’n afscheiding de definitieve grensbepaling tussen Israël en de Palestijnse staat zou bepalen. Tirza vertelt hoe Sharon onder druk van de regering overstag ging: ‘Op een avond belde hij me en zei eenvoudig: “Doe er wat aan.” Ik nam hem mee naar deze plaats en liet hem de complexiteit van het probleem zien. De keus was óf een hek plaatsen óf systematisch Palestijnse overtreders beschieten. Ik kreeg de missie om een veiligheidshek van 750 kilometer te bouwen dat de rechten van mensen zo min mogelijk aantastte. Het zou een tijdelijke maatregel zijn om Palestijnse terroristen en illegale Palestijnse immigranten tegen te houden. Ik begon de bouw vanaf de grond en niet vanuit de studeerkamer en volgde zoveel mogelijk de groene lijn – de grensafscheiding van vóór de oorlog van 1967 – maar probeerde de grote Israëlische enclaves om veiligheidsredenen bij Israël te voegen.’

IN TIRZA’S AUTO vervolgen we onze weg over een hobbelig zandpad en stoppen in een weiland. Ik zie over een breedte van vijftig meter een grimmig landschap van twee eindeloze hekken met prikkeldraadversperringen, twee meter hoog, ertussen een lichter aluminium hek en aan weerszijden een geasfalteerde weg voor militaire patrouilles. Erachter ligt een keurig aangeharkt zandpad, waarin elke voetafdruk te zien is. Op het hek zitten elektronische ogen die, als iemand het aanraakt, een signaal aan de dichtstbijzijnde controlepost geven. Op een betonnen paal houden twee camera’s iedere beweging in de gaten. Borden met de tekst ‘Gesloten militair terrein. Verboden te betreden!’ waarschuwen de bezoekers. Sporadisch lukt het een Palestijn om een gat in het prikkeldraad te knippen, maar hij wordt onmiddellijk gepakt. ‘Het werkt echt. Kijk maar’, lacht Tirza terwijl hij het hek aanraakt. Drie minuten later verschijnen drie jonge gewapende soldaten die vragen wat we hier doen.
Tirza herinnert zich hoe het vroeger, voor die muur, was: ‘Als we informatie kregen over infiltranten hadden we twintig minuten nodig om ze op te sporen. Dat is de tijd die het kostte om vanuit de Westbank per auto naar Israël te rijden. Door de tijdsdruk kon je alleen met helikopters zoeken. En dan kwam je voor acute vragen te staan. Wat doe je als je een auto vindt die aan het signalement voldoet? Als die auto niet wil stoppen? Stel dat er een vrouw en kinderen in zitten? Deze dilemma’s zijn nu grotendeels opgelost. We controleren wie binnenkomt en naar buiten gaat. Aanslagen zijn tot een minimum gereduceerd.’
Het probleem is alleen dat die muur, die hier en daar tot diep in Palestijns gebied snijdt, volgens de internationale gemeenschap illegaal is. Hij volgt namelijk niet de ‘Groene Lijn’, de demarcatielijn die na de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 tussen Egypte, Israël en Jordanië is overeengekomen en die de grens met de Westbank en de Gazastrook voor de bezetting in 1967 aangeeft. Een land mag zijn burgers natuurlijk tegen terroristische aanslagen beschermen en veel Israëliërs zijn ervan overtuigd dat de bouw van de muur hun veiligheid geeft – het aantal zelfmoordaanslagen is ook gereduceerd – maar tachtig procent van het tracé van de muur loopt door Palestijnse gebieden en in werkelijkheid scheidt hij dus niet Israëliërs van Palestijnen, maar Palestijnen van Palestijnen en Palestijnen van Palestijns land. De muur maakt het Palestijnse leven tot een hel. Duizenden Palestijnse boeren kunnen nauwelijks bij hun land komen en kunnen hun producten slechts met grote moeite in andere delen van de Westbank verhandelen. Via speciale door Israëlische soldaten bewaakte toegangspoorten mogen ze gedurende een heel beperkte periode van het jaar hun land bewerken. Zo’n dertigduizend Palestijnen leven weliswaar op de Westelijke Jordaanoever, maar zijn door de muur van de rest van de Westbank afgesloten. Zo’n tweehonderdduizend andere Palestijnen zijn ten minste aan drie kanten ingesloten door de barrière. Mensen moeten uren reizen voor een afstand die voor de komst van de afscheiding een paar minuten bedroeg en in medische noodgevallen komt hulp daardoor soms te laat. Palestijnse moslims en christenen kunnen de religieuze plaatsen niet meer vrij bezoeken en moeten bijzondere vergunningen hebben, die steeds moeilijker te verkrijgen zijn en vaak uitsluitend aan Palestijnen boven de vijftig worden verstrekt. De rellen op de Tempelberg zijn mede het gevolg van deze toenemende Israëlische restricties op de toegang tot de Al Aqsa Moskee.
Ter hoogte van Jeruzalem snijdt de barrière diep in de Westbank om de joodse nederzettingen Givat Zeev en Maale Adumim met zo’n veertigduizend inwoners bij Israël te voegen, maar hij scheidt grote delen van Oost-Jeruzalem van de Westelijke Jordaanoever. Andere dichtbevolkte Palestijnse gebieden, zoals het Shu’fat kamp, Kafr ’Aqab en Samiramees, die tot nu toe tot de gemeente Jeruzalem behoorden, worden ineens buitengesloten. De bewoners die een Israëlische verblijfsvergunning hebben, kunnen Jeruzalem nog slechts bereiken via militaire checkposten. De muur loopt dwars door de Palestijnse steden Bartaa en Abu Dis. Bij voltooiing van de afscheiding en door de expansie van de joodse nederzettingen zal de Westelijke Jordaanoever zijn opgedeeld in drie kleinere deelgebieden. Mobiliteit en contact tussen die gebieden wordt dan moeilijk, net als bestuurbaarheid ervan.
Dat wordt duidelijk als we het Palestijnse plaatsje Abu Dis bereiken, waar het hek verandert in een negen meter hoge muur, die dwars door de stad loopt. Tirza begint te praten als hij mijn geschokte blik ziet: ‘Dit was de belangrijkste doorgang van de Westelijke Jordaanoever naar Israël. Een infiltrant was binnen vijf minuten in het centrum van Jeruzalem. We hebben de weg geblokkeerd en de checkpost een kilometer verder gelegd. Ik geef toe, het verdient geen schoonheidsprijs, maar het is tenslotte een tijdelijke veiligheidsmaatregel.’

IN ISRAËL WERD Tirza’s maatregel niet overal goed ontvangen. Tirza moest in 129 rechtszaken verschijnen die door belangengroepen bij de Hoge Raad waren aangespannen. Zeventigduizend Israëlische Arabieren werden door de afscheiding buitengesloten. Linkse actiegroepen demonstreerden voor Tirza’s huis en later volgden de rechtse politici. Zijn gezin werd bedreigd. De Israëlische regering – met name minister van Defensie Amir Peretz – verschool zich achter de beslissing van het leger. Tirza ging na dertig jaar dienst met pensioen.
‘Tirza’s missie was er mogelijk op gericht om Israëls veiligheid te versterken, maar de uitwerking is totaal anders’, zegt Shaul Arieli vanuit zijn kantoor in Tel Aviv. Arieli heeft de laatste jaren een diepgaand onderzoek ingesteld naar, zoals hij het noemt, een van de meest grandioze projecten van de staat Israël en zijn bevindingen verwerkt in het boek The Wall of Folly, dat binnenkort in het Engels verschijnt. Hij legt een landkaart van Israël met de Westelijke Jordaanoever op tafel. Een zwarte en een rode lijn scheiden beide gebieden en lopen een duimbreed uit elkaar. De rode lijn op de grens met Israël was de geplande afscheiding in 2002 en de zwarte lijn in Palestijns gebied vertegenwoordigt de werkelijke scheiding.
‘Kijk, mensen weten niet dat het tracé vandaag totaal anders loopt dan in 2002 was gepland’, stelt Arieli. ‘Iedereen herinnert zich de muur tegen de achtergrond van terroristische acties in Israël, maar minder bekend is dat Israël in 2002 in een enorme economische recessie zat. Het Israëlische bnp en de levensstandaard daalden. Grote Israëlische industriëlen waarschuwden dat zonder de afscheiding de Israëlische economie er slecht voor stond. Vandaag kunnen we zien dat de muur om andere redenen dan de veiligheid is opgezet; namelijk om Israëls oostelijke grens te bepalen en zo veel mogelijk Palestijns land te annexeren. Israël houdt rekening met de expansie van de grote joodse nederzettingen.’ De muur werd gebouwd, weer afgebroken en elders weer opgetrokken, en die wijzigingen hebben de Israëlische belastingbetaler anderhalf miljard sjekel (één sjekel is achttien eurocent) gekost. ‘Weggegooid geld’, noemt Arieli het: ‘Kosten die bespaard hadden kunnen worden als de regering zich puur aan een veiligheidstracé had gehouden.’
Arieli betwijfelt zelfs of het huidige tracé de veiligheid dient: ‘Natuurlijk zijn de terroristische acties in Israël afgenomen, maar dat komt ook door de acties van het leger in de Palestijnse gebieden, door de Palestijnse veiligheidstroepen zelf en de samenwerking tussen beide. Bovendien is er pas 470 kilometer van het tracé gebouwd, 250 kilometer ligt nog open. Het is een vicieuze cirkel. Israël handhaaft de muur tot de finale status-overeenkomst. Maar de annexatie van land en de afsluiting van de Palestijnse gebieden door de bouw van de muur, een project dat de Israëliërs vijftien miljard sjekel kost, staan die vredesonderhandelingen juist in de weg.’
HOE INGRIJPEND de afsluiting is, is te zien op zaterdagmiddag bij de Kalandia-checkpost, de centrale toegang van Israël naar Ramallah. Hoge betonnen muren verbergen het uitzicht op de Palestijnse stad. De voetgangersterminal met zijn draaihekken en metaaldetectors is leeg. Met twee medewerkers van Artsen Zonder Grenzen zijn wij de enige bezoekers. Het is de dag voor Jom Kippoer, de Joodse Grote Verzoendag waarop het leven in Israël volledig wordt stilgelegd, zo legt een legervertegenwoordiger uit. Dat is de reden dat over enkele uren alle checkposten dichtgaan en de Westelijke Jordaanoever twee dagen lang hermetisch van de buitenwereld wordt afgesloten.
‘Voor de veiligheid, zegt Israël’, schampert de Palestijnse minister van Economische Zaken dr. Bassim Khoury even later vanachter zijn imposante bureau in het ministerie in Ramallah. ‘Maar de bouw van de muur en Israëls afsluiting hebben geleid tot een totale controle van onze economie.’ Volgens deze oud-directeur van het grootste Palestijnse farmaceutische bedrijf heeft de muur tot doel om de Palestijnse productiebasis te reduceren, de mogelijkheid van ‘fair trade’ te blokkeren en een totale economische afhankelijkheid te creëren.
Khoury legt uit: ‘Tijdens de Oslo-akkoorden en het protocol van Parijs werd een systeem van economische eenheid tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit van kracht. Israël en de Palestijnse gebieden vallen onder dezelfde belasting- en douaneparaplu. Dat betekent dat handel tussen hen niet als import-export wordt gekwalificeerd maar als interne handel. De basis was het vrije verkeer van goederen en personen in het gebied. De Palestijnse gebieden zouden goedkope arbeid, agrarische producten en confectie aan Israël leveren, terwijl Israël haar eindproducten in de Palestijnse gebieden kon afzetten. Een prachtig streven, maar met de bouw van de muur en Israëls afsluitingspolitiek werd ons gebied fysiek afgesloten en de export van Palestijnse producten naar Israël en de rest van de wereld geblokkeerd. Palestijnse toeleveranciers, zoals de confectie-industrie, gingen over de kop en van de 150.000 Palestijnen die in Israël werkten, zijn er nu nog tienduizend over. Gaza is volledig afgesloten. Tegelijkertijd beperkt Israël de import van buitenlandse goederen door importreguleringen en gelimiteerde toegang van vrachtverkeer via de checkposten. Voor strategische goederen die volgens Israël ook voor terroristische doeleinden kunnen worden gebruikt – bouwmaterialen, computers, computerchips, mobiele telefoons – zijn bijzondere importvergunningen vereist.’
Khoury concludeert dat Israël een captive Palestijnse consumentenmarkt heeft gecreëerd waar ze, als het ware in haar achtertuin, goedkope, soms zelfs beschadigde en overjarige producten kan dumpen, zoals zuivelproducten waarvan de houdbaarheidsdatum is verstreken. Israël geeft geen garantie en defecte producten worden niet vervangen. Israël is ook de enige leverancier van water en elektriciteit. De cijfers van het Israëlische Centraal Bureau voor de Statistiek liegen er niet om. Israël exporteert voor 2,8 miljard dollar goederen en diensten naar de Palestijnse gebieden, die daardoor een van de belangrijkste afzetgebieden voor Israël vormen. De totale export naar Duitsland bedraagt bijvoorbeeld slechts 1,4 miljard dollar.’

IK LUISTER VERBIJSTERD. De laatste zeven jaar reisde ik bijna dagelijks aan weerszijden van de groene lijn en zag hoe de afschrikwekkende betonnen en ijzeren afscheiding geleidelijk gestalte kreeg. Maar onzichtbaar voltrok zich kennelijk nog een ander proces. Er werd een economisch vangnet gespannen dat Palestijnen in een captive markt houdt: een systeem van verplichte winkelnering, dat dankzij een miljard dollar buitenlandse ontwikkelingshulp in stand kan worden gehouden. Het maakt de Israëlisch-Palestijnse paradox schrijnend zichtbaar. Aan de ene kant preekt Bibi Netanyahu economische vrede als eerste stap op weg naar normalisering; aan de andere kant heeft Israël de Palestijnse economie in een ijzeren wurggreep.
‘De zaak is nog veel complexer’, zegt Gideon Eshet, economisch analist en senior journalist van de Israëlische krant Yediot Aharonot aan de Israëlische kant van de muur: ‘Israël dwingt de Palestijnen niet om Israëlische producten te kopen. Toegegeven, Israëlische producten zijn aantrekkelijk door de lage transportkosten, de belasting en omdat we dezelfde valuta hanteren, maar we kunnen niet concurreren tegen de lage prijzen van bijvoorbeeld China of Jordanië.’
Waarom prefereren de Palestijnen dan Israëlische producten? De reden is volgens Eshet historisch. Ten tijde van Arafat ontstond een economie die beheerst werd door concessies. Arafats naaste vrienden kregen vergunning tot het voeren van monopolies voor de import van brandstof, Coca-cola, bouwmaterialen. Eshet spreidt zijn handen op tafel. ‘Neem bijvoorbeeld oud-premier Abu Alaa. Hij heeft de concessie voor cement en richtte Palestine Cement Co (PCC) op, dat het cement overwegend koopt bij de Israëlische cementmonopolist Nesher. PCC kwam enige tijd geleden in opspraak omdat het cement leverde voor de bouw van de muur. In Israël ontstond op korte termijn een verhoogde vraag naar cement en beton, die het uit het buitenland moest betrekken. Israël kocht bijvoorbeeld ook cement van het Ierse cementbedrijf CRH. PCC koopt het cement tegen 55 dollar per ton van Nesher maar verkoopt tegen de Israëlische geldende marktprijs van zeventig dollar. Begrijp je? De concessiehouder krijgt dus vijftien dollar per ton in de schoot geworpen, waarvoor hij nauwelijks iets hoeft te doen. Het is een goudmijn, want de Palestijnen gebruiken jaarlijks 1,4 miljoen ton cement.’
Abu Mazen, de huidige president van de Palestijnse Autoriteit, probeert weliswaar de handel te reorganiseren, maar tot op heden zijn veel Palestijnse ondernemingen, bijvoorbeeld in brandstof, ijzer, Coca-cola, op concessies gebaseerd en de Israëlische afsluitingspolitiek bevordert de handhaving ervan. Ook op overheidsniveau prefereren Palestijnen de Israëlische partners. Bij toeval vond Eshet hoe het werkt: ‘Ik bestudeerde de balans van de PA en vond een post die me verbaasde. Voor leningen aan de lokale overheid stond drie miljoen dollar genoteerd. Bij navraag bleek dat de PA elektriciteit en water van Israël koopt en die weer verkoopt aan de lokale Palestijnse overheden. Omdat die lokale overheden de leges voor nutsvoorzieningen niet van de burgers kunnen innen, ontstaat een schuld van drie miljoen dollar per jaar van de PA aan Israël. Hoe lost de PA dit op? Israël int ook de Palestijnse invoerrechten, accijnzen en belastingen en brengt de kosten voor water en elektriciteit daarop in mindering. Israël incasseert daarbij drie procent commissie.’

DE CONCLUSIE is treurig. De Oslo-akkoorden, de muur, Israëls afsluitingspolitiek en het Palestijnse concessiestelsel hebben de droom van een onafhankelijke Palestijnse staat te gronde gericht. Zolang invloedrijke groepen aan beide kanten belang hebben bij continuering van de situatie, omdat ze allemaal een graantje meepikken, zijn andere economische modellen, die buitenlandse organisaties waaronder de Wereldbank hebben voorgesteld om vrede in de regio te bevorderen, niet welkom en is de Palestijnse economie gedoemd tot falen. Een Palestijns gezegde luidt: ‘Het gras betaalt de prijs van de stampende, vechtende olifanten.’
De uiteindelijke rekening betaalt de Palestijnse burger. Hij heeft geen keus.