Het onweerstaanbare chagrijn van Eels

Een vent vol pijn

Het nieuwe album van eenmansband Eels is meer dan een echtscheidingsplaat. Het bezingt de prijs van een leven zonder ironie. ‘Things aren’t funny anymore’, zingt E - maar dat zijn ze dus wel.

ACHTER OP HET CD-BOEKJE van End Times, het nieuwe album van Eels, staat een tekening. Tekenaar Adrian Tomine heeft het enige bandlid van Eels, Mark Oliver Everett, alias E, geportretteerd. E zit op een kleine, zo te zien wat oude bank. De vloer is van hout, de muur is kaal. E heeft een baardje en een bril op zijn hoofd, en op zijn schoot een elektrische gitaar. Daar speelt hij op. Zijn mond staat een beetje open, het lijkt of hij zingt.
Het is een droevige tekening.
Een man op een bank die een liedje speelt: dat had net zo goed een vrolijke tekening kunnen worden. Voor de bank staat een glas water, dat zit voor tweederde vol, dus gemakkelijke symboliek is ons bespaard gebleven.
Zijn het de kleuren van het huis (grauw) of van E’s kleding (donker)? Is het de eenzaamheid die eruit spreekt? E’s hoofd, een hoofd dat nou eenmaal niet lijkt gebouwd rond de lach?
Geen idee. Maar alles aan het universum van E klinkt en oogt naar ellende. Met hooguit een uitstap naar de misère, de melancholie of de droefenis.
‘Been through some shit’, zingt E op End Times.
Wat nu weer? Wie er is deze keer overleden, weggelopen of afgehaakt?
Zijn vriendin dus.
En het zat zo goed in het begin. Hij zingt het, in het eerste nummer van het album, dat The Beginning heet. Dat ze samen uitgingen, waarheen vermeldt hij niet dus dat doet er niet toe, en dat het eigenlijk best koud was buiten, maar dat ook dat er niet toe deed. Het was goed zo, ze waren samen.
Tot zo ver het geluk. Eerste regel van het tweede nummer: 'She used to love me but it’s over now.’

E HAD EEN ONDRAAGLIJKE artiest kunnen zijn, een zwelger. Dat hij dat nog steeds niet is geworden, komt onder meer door zijn oog voor zijn omgeving. Goed, die omgeving onderschrijft de toestand van misère, maar niettemin: E merkt in ieder geval nog op wat er buiten zijn huis gebeurt, in ieder geval het gedeelte ervan dat hij wénst op te merken. Die bebaarde man op de cover van het album, die speelt de hoofdrol in End Times. Het is de man op de hoek van de straat, die de hele dag roept dat het einde der tijden nabij is. Niemand hoort hem meer, hij is verworden tot straatruis. Niemand, behalve E dan, die hoorde het, dat 'end times are near’. En verdomd, ze zijn hier.
En dat E geen monument van zelfmedelijden is, of misschien ook wel, maar dan in ieder geval geen onooglijk monument, dat komt door zijn directheid. Vorm? Nee, vent, een en al vent, een vent vol pijn. Nummer één gaat over het begin dus heet The Beginning. Bij nummer twee is ze weg, dus dat heet Gone Man, en daar speelt hij de blues, want zo voelt hij zich. Hij begeleidt zichzelf, met schaarse hulp van anderen. E is een groot gitarist noch een groot zanger, dus gooit hij af en toe een effect over zijn stem of spel, maar verder gaat het recht vooruit, en als hij meldt wat hij heeft te melden, schuift hij zichzelf weg en begint het volgende nummer.
End Times is een onvervalste echtscheidingsplaat, zoals Blood on the Tracks van Bob Dylan dat was, het solodebuut Face Value van Phil Collins, en Here My Dear van Marvin Gaye.
In al die albums, hoe verschillend ook in stijl of taal, komen dezelfde, onvermijdelijke gevoelens aan bod. De verheerlijking van al dat was, de lessen die alleen die ander de hoofdpersoon had kunnen leren (Gaye: 'The times that were cloudy and grey/ Bad/ But you taught me that was life’), de wanhopige constatering dat het leven doorgaat maar zonder het belangrijkste dat het leefbaar maakte, en de neiging van de ik-persoon om zichzelf opnieuw te positioneren in de groep, bijvoorbeeld. En de slotsom is steeds: er is geen groep, want de ellende van de hoofdpersoon is zo particulier, die overstijgt iedere gedeelde ervaring. Ja, er zijn er meer die dit hebben gevoeld, maar alleen op papier. 'Oh sure, my friends all come round, but I’m in a crowd on my own’, zong Phil Collins. En E zingt: 'Now I’m a statistic.’
Dylan benoemde geen schuldige. Het lot, dat was het, en helaas was het hem kennelijk niet gunstig gestemd. 'I still believe she was my twin but I lost the ring/ She was born in spring but I was born too late/ Blame it on a simple twist of fate.’
De droefheid van het noodlot, dat is in E’s geval die uit het oeuvre van de gebroeders Coen, die van de kleine man waar het leven overheen walst, en waar een wrang soort humor opstijgt uit alleen al de combinatie van alle ellende. Waarin vriendinnen zichzelf in de badkamer opsluiten, zodat mannen als E in de tuin moeten pissen. 'Things aren’t funny anymore’, zingt E, maar dat zijn ze dus wel, in ieder geval voor ons, degenen die hij al die ellende laat gadeslaan.
Binnen dat oeuvre van de Coens zou E dan Larry Gopnik zijn, de hoofdpersoon uit hun nieuwe meesterwerk A Serious Man. Alsof het bedrog van zijn vrouw en het vruchteloos verlangen naar zijn buurvrouw niet genoeg zijn, steelt zijn dochter uit zijn portemonnee, blowt zijn zoon zich door zijn schooldagen heen en krijgt hij zijn zieke broer niet meer zijn huis uit gewerkt. Was in Fargo en The Big Lebowski het leed van de hoofdpersoon in ieder geval nog verklaarbaar, bij Larry is het allemaal domme pech, en het enige wat hij kan roepen in al zijn wanhoop is het herhaalde: 'But I didn’t do anything!’
Dat is het oeuvre van E in een notendop: 'But I didn’t do anything!’ E is Larry, en tegelijk zijn zoon, die in de slotscène van A Serious Man opstekend noodweer ziet naderen, en ervoor vlucht noch schuilt. Alsof hij beseft dat verzet zinloos is, dat hij het heeft te ondergaan, net als zijn vader al zijn hele leven doet. Het noodweer in.
Vroeger had hij dit wel aangekund, zingt E. Of nee, dat is niet waar: het had hem evenzeer knock-out geslagen. 'But I would’ve just bounced right back, you know.’
Nu niet meer, maar dat is nou eenmaal de prijs van een leven zonder ironie, waarin zelfs de pleger van een zelfmoordaanslag vanwege dat gedeelde ernstig verlangen een verwant lijkt: 'Kind of hard to blame somebody for going to a better place.’
Alles beter, lijkt E te vinden, beter want oprechter, dan de distantie van de knipoog, het halfslachtige excuus van de beroepsironicus. Allemaal angst, doorzichtige angst, luidt zijn oordeel. 'Your contempt and your sarcasm/ It’s all so transparant/ Why don’t you give up the act now, kid/ And let some love in.’
Dat 'kid’ is veelzeggend: hier spreekt de levenservaring, de man bij wie de jaren de bezem door zijn illusies hebben gehaald. En dan is hij pas 46.
Het is ook stilistisch exemplarisch: zo zingt E, alsof hij tegen een oude vriend praat, die zojuist heeft gevraagd hoe het met hem gaat. E is de man die je dat in het voorbijgaan vraagt en die dan 'Nou, eigenlijk best kut’ antwoordt, zodat je alleen al uit goed fatsoen minstens een kwartier dient te blijven staan luisteren.

IN LITTLE BIRD VERKLAART HIJ het vogeltje dat bij zijn huis neerstrijkt dan maar de liefde. 'Know it sounds kind of sad’, zingt hij schuldbewust. E’s moeder hield ook zo van vogeltjes, weten we. Dat zong hij jaren geleden, toen zij overleed, hij een album aan haar opdroeg, en uit haar naam de vogels de liefde verklaarde.
Was zij er nog maar, zingt hij op End Times, al was het maar af en toe, om dan even te doen wat moeders doen: moeder zijn. 'Need a little mothering/ Just once in a while.’
Van katten houdt E wat minder. In het titelnummer zit E binnen en hoort hij buiten een kat miauwen. 'Shut up, cat’, zingt E, 'and leave me alone.’
Hier wordt de droeftoeter ronduit een chagrijn. Maar wel een onweerstaanbaar chagrijn.

Eels, End Times (V2). A Serious Man van de gebroeders Coen draait nu in de bioscoop