Commentaar: Oorlog

Een verbod op anti-Amerikanisme?

Is er tegenwoordig nog wel plaats voor anti-Amerikanisme in onze samenleving? Moet een geschrift als Menno ter Braaks Waarom ik Amerika afwijs niet als de donder op de lijst van ongewenste cultuuruitingen worden geplaatst? En hoe lang kan Willem Oltmans’ nieuwste pennenvrucht — een pamflet met de retorische titel Who are the no. 1 war criminals? — nog vrij worden gedistribueerd?

Het zijn vragen die zich steeds nadrukkelijker opdringen nu ook Nederland ten bate van de nieuwe kruistochten is gemobiliseerd. Sinds 11 september heerst er een nationaal taboe op anti-Amerikaanse uitingen — zelfs de lichtste vorm van kritiek wordt door Wim Kok gezien als een dolksteek in de rug van het Atlantische broedervolk. Zelfs Jan Marijnissen durft er in de Tweede Kamer niet meer over te beginnen.

Nu is Nederland over de brede linie natuurlijk nooit anti-Amerikaans geweest. Hier geen gekwetste Europese grootheidswaan, zoals bijvoorbeeld bij de Fransen, die enige jaren geleden nog collectief te hoop liepen tegen de komst van Disneyland bij Parijs, door Jack Lang indertijd omschreven als «een cultureel Tjernobyl». Nederland ging sinds de bevrijding ver mee in de American Dream.

Nergens in Europa was de stemming amerikanofieler, nergens wierp het Marshallplan zoveel vruchten af. Nederland werd in de jaren zestig en zeventig zelf een klein virtueel Amerika, een laboratorium waar onder leiding van Joop den Uyl, onze eigen pa Bonanza, het sociaal-democratische Utopia van gelijkheid uit de Europese school fuseerde met het vrijheidsstreven van de Amerikaanse Droom.

Zelfs het anti-Amerikanisme dat in de slipstream van de oorlog in Vietnam opgeld deed, werd uit Amerika geïmporteerd. Uiteindelijk was ook het protestlied een Amerikaanse uitvinding. Cultureel identificeerde de Nederlandse intelligentsia zich met de liberale underground van de Verenigde Staten, waardoor dissident gestemde Amerikaanse artiesten als Frank Zappa en Randy Newman hier zelfs eerder beroemd werden dan in hun eigen land. Zo kwam Amerika voor de Nederlanders heel wat dichterbij te liggen dan voor de omliggende landen op het Europese continent. Zelfs in het Reagan-tijdperk, toen de VS zich wierpen op het weinig aanlokkelijke Rambo-model, bleef Nederland opereren als een soort buitenlid van de Amerikaanse statenfederatie. De euforie over een nieuwe Europese eeuw, zoals die aan de vooravond van de euro in Bonn of Parijs manifest werd, werd in Nederland dan ook niet gedeeld.

Heden heeft het polder-Amerikanisme hier echter een ander gezicht gekregen. De kritische liefde is vervangen door een blinde vlek. Het turbo-patriottisme van George W. Bush is nu ook hier verplichte kost. De vraag is hoe ver Nederland daar in kan meegaan zonder te belanden in een identiteitscrisis met verregaande politieke implicaties.