Chris ‘Pietje Bell’ van Abkoude

Een verguisde reus

Chris van Abkoude, de vader van Pietje Bell en Kruimeltje, was een literair genie, eigenlijk te groot voor Nederland. De Rotterdamse schrijver stierf dan ook in Amerika.

REEDS MEER DAN één miljoen mensen bezochten de verfilming van Kruimeltje, de ultieme tranentrekker van de Nederlandse jeugdliteratuur, en het eind is nog lang niet in zicht. Zondag jongstleden besloot ik zelf dan maar de gang te aanvaarden, dit ondanks mijn principiële bezwaren tegen de Nederlandse filmkunst (geluid onverstaanbaar, dialogen van Neanderthaler-niveau, diffuse beeldvoering, acteurs van bordkarton) in het algemeen en tegen de verfilming van literaire klassiekers in het bijzonder. Maar gezegd moet worden: het viel in het geheel niet tegen. Integendeel: regisseuse Maria Peters heeft een parel van een film afgeleverd, die, afgezien van enkele schoonheidsfoutjes — grotendeels te wijten aan het ongetwijfeld door postmoderne sensatiezucht ingegeven gebrek aan eerbied voor de oorspronkelijke verhaallijn — en enkele niet aan de filmmakers te wijten omstandigheden (het blijft moeilijk om het Rotterdam van Kruimeltje van direct na de Eerste Wereldoorlog te herkennen in de pittoresk besneeuwde grachten van Amsterdam, Utrecht en Delft, maar daar zijn de externe betrekkingen van onze oosterburen debet aan), de overdonderende smart van de eerste lezing van de klassieker van Chris van Abkoude in alle hevigheid weet op te roepen.


Platgedrukt in de bioscoopstoel tijdens de matineevoorstelling van theater The Movies onderging ik een emotioneel dieptebombardement dat allerlei reeds lang in de zandbanken der vergetelheid gewaande herinneringen aan dit Rotterdamse crisisdrama bij uitstek een voor een genadeloos naar de kolkende oppervlakte van het bewustzijn joeg. Tegen de tijd dat Kruimeltje het ‘gesticht voor onverzorgde kinderen’ had ontvlucht om zijn trouwe viervoeter Moor van de gaskamer van het gemeentelijke dierenasiel te bevrijden, had ik er al drie pakjes Kleenex doorheengejaagd. Om mij heen zag ik andere collega-ouders er al even aangeslagen bij zitten, starend naar het witte doek als een konijn op de snelweg in de koplampen van een aanrazende vrachtwagen. Het plichtmatige, landerige zondagmiddagverzet van het meegetroonde kroost, niet belast met kennis van Het Boek, was al vroeg in de knop gebroken met de fatale sterfscène van mevrouw Koster, Kruimeltjes hardvochtige pleegmoeder, die bij een val van de trap haar rug breekt en nog net voor het uitblazen van de laatste adem Kruimeltje zijn ware afkomst onthult. Toen Kruimeltje in het gesticht tot bloedens toe werd afgeranseld door ‘vader’ Keizer (weer een Oscar-würdige rol van Jan Decleir!) werd ook de laatste opstandige minderjarige achter in de zaal de mond gesnoerd.



JA, CHRIS VAN ABKOUDE wist hoe je een boek moest schrijven. Hij was de meester van het effect, wist hoe je de opperste agitatie van traanklier én lachspier moest bereiken. Het is verbazingwekkend hoe zijn in 1922 verschenen verhaal over het tragische leven van het Rotterdamse straatjongetje nog altijd zo’n verpletterende indruk maakt. Ook het boek blijkt bij herlezing geheel de tand des tijds te hebben doorstaan. Bij uitgeverij Kluitman rolde onlangs de 72ste druk van de persen. In totaal zijn er van Kruimeltje 500.000 exemplaren verkocht. Alleen al sinds het uitbrengen van de film, eind verleden jaar, werden er 55.000 Kruimeltjes verkocht. Ook voor Van Abkoudes andere geesteskind, de al even Rotterdamse Pietje Bell, wiens leven is uitgesmeerd over acht afzonderlijk bij Kluitman verschenen delen, is de belangstelling nog altijd fenomenaal.


In schril contrast met de verkoopcijfers staat de houding van de dames en heren critici jegens het oeuvre van Chris van Abkoude. Veel erkenning heeft de in 1916 naar Amerika geëmigreerde Rotterdamse schrijver nooit mogen krijgen. Zijn werk is vaak verguisd, ten strengste afgeraden. Tot diep in de jaren tachtig waren Van Abkoudes oer-Rotterdamse vertellingen niet eens uitleenbaar in de Openbare Bibliotheken van zijn eigen geboortestad, zo beducht was de plaatselijke bibliotheekcommissie voor de schade aan de kinderziel die de vertellingen van Van Abkoude zouden implementeren. Al bij het verschijnen van het eerste deel van de Pietje Bell-reeks — Pietje Bell of de lotgevallen van een ondeugenden jongen — in 1914 velde de pedagogische wereld een hard oordeel. ‘Geen verkieslijke vriend’, zo oordeelde J. Bos-Mettink in zijn gids Lectuur voor kinderen uit datzelfde jaar. Hoofdredacteur J. Lens van De School met den Bijbel waarschuwde in 1919: ‘Deze prikkellectuur doet kinderen veel kwaad, ontwikkelt den zin voor groven affecten, en staat een gezonden ontwikkeling van den smaak in den weg.’ Dergelijke kritiek — die zo uit de mond had kunnen komen van drogist Geelman, Pietje Bells aartsvijand in de Bredestraat — zou nooit helemaal verstommen, ondanks het evidente succes bij het publiek. In 1965, toen er van Kruimeltje al 100.000 exemplaren waren verkocht, was het oeuvre van de een jaar eerder in Portland, Oregon overleden Van Abkoude het middelpunt van nationale commotie toen de leiding van de openbare leeszaal van Amstelveen kenbaar maakte dat Pietje Bell systematisch van de planken werd geweerd. In het Amstelveense Ouderkerksch Weekblad van 25 maart 1965 maakte jeugdboekschrijver K. Norel, auteur van diverse bloeddoorlopen kinderboeken over de Hollandse kaapvaart en aanverwante nationalistische materie, zijn weerstanden tegen het werk van Van Abkoude kenbaar: ‘Ik heb me er nooit toe aangetrokken gevoeld. Vergelijk zo’n jongen als Pietje Bell nu eens met Dik Trom. Dat is een gewone Hollandse jongen met het hart op de rechte plaats. Maar Pietje haalt streken uit met een zeker sadistisch element, waarvan ik op de scène waarin hij een kat achteraan een auto vastbindt na — niet direct een voorbeeld van zou kunnen noemen. Maar het is niet toevallig, dat er direct na het verschijnen van Pietje Bell veel bezwaren zijn gerezen van de kant van de openbare leeszalen. Mijn bezwaar is voornamelijk dat Van Abkoude zijn figuren zonder enige kritiek en zonder enige liefde tekent. Bovendien zijn zijn boeken van een geringe kwaliteit.’


In de hemelbestormende jaren zeventig kwam Van Abkoude weer onder het vuur van andersoortige kritiek te liggen. Toen waren zijn boeken opeens ‘verouderd’, zo lezen we in het verslag van de leescommissie van de Openbare Bibliotheek in Utrecht van 14 november 1973. De leden van de commissie vonden het de hoogste tijd om Pietje Bell — ‘immer dan ooit waardeloos’ — van de planken af te voeren, samen met Dik Trom van Johan Kievit. ‘Beide boeken geven een zwart-wit maatschappijbeeld. Bij Dik Trom komt een bepaalde gevoeligheid meer doorleefd over dan bij Pietje Bell. Hier veel vals sentiment, bijv. in het verhaal van de boer, die Pietje en zijn trawanten bij de eerste oppervlakkige kennismaking meteen het relaas over de tragische dood van zijn zoon doet, waarop Pietje zoveel lijkt. Is Dik Trom plechtstatig en ouderwets in taal en stijl, Pietje Bell geeft bijzonder slecht Nederlands, bijv. allerlei gezegden helemaal verkeerd gebruikend (…) Onze conclusie is, geloof ik, wel dat geen van beide series veel waarde voor deze tijd hebben. Gezien de vraag naar deze boeken die in grootvaders tijd zo geweldig populair waren, zou men kunnen overwegen ze als tijdsbeeld dan in vredesnaam maar voor de liefhebbers te nemen.’



GELUKKIG HEEFT Van Abkoude al deze zuurpruimerij over zijn onvolprezen meesterwerken nooit van dichtbij mee hoeven maken. De in 1880 of 1884 in de Rotterdamse volksbuurt Crooswijk geboren schrijver hield het al vroeg gezien in eigen land. In 1916 vertrok de journalist naar de Verenigde Staten, om — anders dan zijn alter ego Pietje Bell, die het zelfs tot hoofdredacteur van de Rotterdamse ‘Ochtendpost’ zou schoppen — nooit meer terug te keren.


Het verging hem net als twee van zijn minder bekende personages, Tim en Tom: ‘Daar, in het verre westen, hebben zij weer gevonden wat zij in het vaderland verloren hadden, namelijk een gelukkig leven.’ Voor zijn emigratie was Christiaan Frederik van Abkoude, zoon van een barbier uit de Jonker Fransstraat, actief als respectievelijk onderwijzer en journalist. Reeds als onderwijzer trok hij zich het lot van de Rotterdamse straatjeugd aan. In 1903 publiceerde hij het rapport Droevig kinderleven in Rotterdam, een onderzoek naar de toestand van behoeftige schoolkinderen, ten behoeve van de Commissie tot Kosteloze Voeding van Schoolkinderen. Daarin kwamen alle aspecten van het hardvochtige leven van de straatjeugd in de Maasstad, die van Kruimeltje zo’n keelsnoerende tearjerker maakten, reeds volop aan bod.


Van Abkoude begon in 1905 met het schrijven van jeugdboeken. Als onderwijzer had hij gezien hoe het toenmalige aanbod van jeugdliteratuur werd overheerst door alle leeslust verstikkende saaiheid en humorloos moralisme, en hij besloot het zelf veel beter te doen. In 1905 verscheen zijn eersteling, Een strijd tegen de domheid, in 1906 gevolgd door Bert en Bram. Datzelfde jaar hield Van Abkoude het voor gezien in het onderwijs en begon hij een bestaan als stukjesschrijver en musicus. In een interview heeft zijn uitgever P. Kluitman eens gezegd: ‘Van Abkoude was een onafhankelijke figuur. Hij had andere ideeën over wat goed voor een kind was dan zijn collega-onderwijzers.’


Van Abkoude had al achttien jeugdboeken geschreven toen hij in 1914 Pietje Bell introduceerde. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was het met zijn bohémienbestaan gedaan. Van Abkoude moest onder de wapenen. Als korporaal zat hij twee jaar bij de koninklijke landmacht, een ervaring die hem des te meer sterkte in zijn toch al anarchistische ideeën over orde en gezag. In 1916 ontvluchtte hij het land. Hij werd pianist in bioscopen in New York, waar hij werd gekneed in de kunsten van de dan volop in beweging zijnde Amerikaanse (stomme) film. Vooral het werk van Chaplin zou hem danig beïnvloeden (Chaplins The Kid lijkt het oermodel voor Van Abkoudes Kruimeltje). Ook trad hij op als ‘children’s entertainer’, met eigen liedjes en verhalen. Omdat de Amerikanen zijn naam niet konden uitspreken, veranderde hij zijn naam in Winters. Als zodanig wist de schrijver zich op te werken tot directeur van een distributiebedrijf voor weekbladen in Californië. Daar schreef hij ook de meeste delen van Pietje Bell en Kruimeltje. Van Abkoude stierf in 1964. Sinds zijn vertrek in 1916 heeft hij Nederland nooit meer opgezocht. Nog op zeer late leeftijd begon hij in Amerika een toneelgroep voor kinderen, waarvoor hij zelf de teksten en de muziek schreef.



De grootste verdienste van Van Abkoude is wellicht dat hij in zijn eentje de Nederlandse jeugdliteratuur bevrijdde van de ketenen van de calvinistische bravehendrikkerij. In feite zijn zijn boeken pilaren van de sociaal-democratische beweging zoals die zich in het Rotterdam van rond de Eerste Wereldoorlog had ontwikkeld. Waar Dik Trom, Pietje Bells grote tegenhanger, het christelijke Nederland verzinnebeeldt, compleet met pastorale kleinsteedse moraal, waren de boeken van Van Abkoude het denderende startschot van de stedelijke cultuur in de Hollandse jeugdlectuur. Pietje Bell, zoon van een immer vrolijke schoenmaker, is met zijn ranke zwartharige gestalte en zijn alle autoriteiten tartende brutaliteit (van tante Cato tot Ezebeus Geelman) vóór alles een kosmopolitische held. Bovendien is Pietje behoorlijk revolutionair, blijkens het feit dat hij ter gelegenheid van het huwelijk van zijn zus Martha de rode vlag uithangt, en ook nog eens een aubade aan de koningin op ruwe wijze verstoort. Men zou zelfs kunnen zeggen dat het oer-schisma van de Nederlandse letteren zich bevindt op het breukvlak tussen Dik Trom en Pietje Bell, tussen de landelijke pastorale van Johan C. Kievit en de moderne asfaltjungle van Pietje Bells Rotterdam. Van Abkoude schreef zijn boeken met veel gevoel voor het slang van de straattaal. Tevens is Pietje Bell de eerste uitdrukking van zoiets als jeugdcultuur in Nederland. ‘Dit boek moet men zien als een uitingsdrang der jeugd in een tijd dat er nog weinig werd gedaan aan jeugdwerk’, zei Van Abkoudes uitgever Kluitman eens.


Kruimeltje (‘Niemand wou hem ooit hebben want hij was een schooier’) is een proletarisch-revolutionaire held. Alles wat een uniform draagt is zijn vijand, evenals de dominees en de zure middenstanders. Net als tienduizenden andere Rotterdammers uit die harde jaren heeft hij zijn hoop exclusief gevestigd op Amerika, waar Kruimeltjes voorgoed verloren gewaande vader na een avontuur als goudzoeker terugkeert. Voor de talloze Kruimeltjes die Van Abkoude had leren kennen op zijn tochten door oud-Rotterdam bleef dat Beloofde Land meestal niet meer dan een belofte. Voor de schrijver zelf ging de Amerikaanse Droom wél in vervulling. Dat heeft hem ongetwijfeld veel tandengeknars in het benauwde vaderland gescheeld. Pas na zijn dood werd zijn ware status als reus van de Nederlandse letteren erkend (door bijvoorbeeld Gerrit Komrij en Gerben Hellinga). De vraag is alleen: waar blijft toch die biografie? Leven en werk van deze Rotterdamse gigant smeken erom.