Een verhaal met een moraal

Andrew Millers Heelmeester pijn hoort thuis in een categorie boeken waarin je bijvoorbeeld ook Patrick Süskinds Het parfum of Peter Sloterdijks De toverboom vindt: wetenschap en magie, verlichtingsdenken en duistere krachten komen samen tegen de achtergrond van een achttiende-eeuws Europa.

Millers boek (zijn debuut) laat zich net als die andere twee lezen als een onderhoudende avonturenroman, in dit geval over de lotgevallen van James Dyer. Dyer is op de wereld gekomen zonder het vermogen om pijn te voelen. Hij wordt - na als kermisattractie te zijn uitgebuit en als proefkonijn te zijn opgenomen in een landhuis waar zich ook Siamese tweelingen, hermafrodieten en andere spelingen van de natuur ophouden - uiteindelijk zelf arts en reist in die hoedanigheid ten slotte naar Rusland, verwikkeld in een bizarre race met andere artsen van wie de winnaar de tsarina mag inenten tegen pokken. Dit alles wordt ons met veel gevoel voor detail en atmosfeer opgedist en je wordt als lezer zeker door het verhaal meegesleept. Maar toch…
Van meet af aan is al te duidelijk wat Millers bedoelingen zijn geweest. In Dyer heeft de auteur een figuur geschapen die onmiddellijk meer wil of moet zijn dan zichzelf, een symboolfunctie heeft. Dyer staat voor het rationele, koel-berekenende, objectieve verlichtingsdenken, een denken dat met elke mythe afrekent en dus ook met de mythe van de menselijkheid. Het is een van het lichamelijke losgemaakt denken, de van het aardse bevrijde pure geest (er wordt in de roman dan ook veelvuldig naar vliegen verwezen). Dyer is in feite een on-mens, maar juist daardoor een vakkundig arts. Gevoelloos maar met vaste hand - iemand die voor een spiegel zijn eigen, trouwens razendsnel genezende wonden hecht, wonden die geen enkel spoor op zijn lichaam nalaten.
Juist omdat Dyer zo duidelijk wordt neergezet als vertegenwoordiger van iets, weet je al heel lang van tevoren wat er in de roman gaat gebeuren: dat de tegenkant van het puur rationele zijn opwachting komt maken. En de titel geeft eigenlijk ook al de uitslag van deze strijd tussen lichaam en geest, natuur en wetenschap aan: Dyer wordt uiteindelijk in zijn menselijkheid hersteld, in de noodzakelijke onvolkomenheid die hem de pijn leert kennen, maar daarmee ook het genot. Dat Miller dit alles in gang zet met de verschijning van een getatoeëerde vrouw, die als een soort bosgeest en ook als een deus ex machina opduikt, is wat al te plat naar mijn smaak, en dat zijn vermenselijking een ‘tweede geboorte’ wordt genoemd lijkt angstvallig veel op New Age-theorieën over rebirthing.
Het is onmiskenbaar dat Heelmeester pijn een verhaal met een moraal is, maar Millers eruditie - hij verwijst naar Shakespeares Midzomernachtsdroom, naar Sternes Tristram Shandy, naar Faust en zelfs naar Wildes The Picture of Dorian Gray, want na Dyers 'genezing’ blijken alle ooit opgelopen verwondingen plotseling als littekens op zijn lichaam zichtbaar te zijn - maakt dat hij zijn verhaal toch net weet te redden van het al te banale moralisme.
Wat overblijft is een onderhoudende roman, niet groots, niet klein, aangenaam verstrooiend voor wie niet te veel op de boodschap van de auteur let, maar vooral weet op te gaan in de afzonderlijke scènes in het boek.