‘een verhaal over mezelf’

IN KORTE TIJD is nu ongeveer het hele werk van de Russische schrijver I.A. Boenin (1870-1953) vertaald, grotendeels voor het eerst. De verhalen in de Verzamelde Werken deel I uit de jaren 1892-1913 speelden zich af in het oudere Rusland. Het waren schilderingen van het vroegere landleven, waarbij de achtergrond - landschappen, interieurs, milieu - meer aandacht kreeg dan de mensen, die eerder passanten leken. Die objectiviteit maakte in de verhalen in deel II uit de periode 1913-1930 plaats voor een nostalgische terugblik waarbij de vertelling meer en meer overging in beschouwingen. In die tijd was Boenin naar Frankrijk verhuisd en zijn afkeer van het revolutionaire Rusland stak hij niet onder stoelen of banken. Het derde deel bevat verhalen van na 1937 en de enige roman die Boenin schreef, Het leven van Arsenjev.

Als je alleen deze latere verhalen zou lezen, zou je nauwelijks kunnen bevroeden met wat voor auteur je te maken hebt. De veertig, bijna allemaal korte tot zeer korte vertellingen, zijn liefdesverhalen, alleen al verbazingwekkend vanwege het vermogen van de auteur om op dit thema zoveel variaties te bedenken. Verliefdheid heeft alle kenmerken van een ziekte, de hartstocht breekt uit als een koorts maar is meestal een kort leven beschoren doordat jaloezie en sabotage tussenbeide komen. Hoofdpersoon is doorgaans een adolescent, een student, die in de zomer bij familie op het land logeert en daar op een nicht, dienstmeid of logée valt. Opmerkelijk is dat het initiatief heel vaak van het meisje uitgaat, en de enkele keer dat het verhaal vertelt hoe het daarna is verdergegaan, blijkt de vrouw soms een leven lang op haar vroegere liefde te teren, of erdoor verteerd te worden. In ‘Donkere lanen’ ontmoet een man van zestig een vroegere geliefde, die hem na vijfendertig jaar nog steeds niet vergeven heeft: 'De jeugd gaat bij iedereen voorbij, maar de liefde - dat is een andere zaak.’ Bij de man begint de passie meestal pas als het te laat is, nadat hij zijn kans voorbij heeft laten gaan; of hij weet niet hoe snel hij moet wegkomen. Maar wat mij nog het meest verbaast is dat Boenin dit soort verhalen schreef na zijn zestigste, twintig jaar lang, de meeste zelfs tijdens de Tweede Wereldoorlog. Of moet je in plaats van 'zelfs’ 'juist’ zeggen?
HET LEVEN van Arsenjev schreef Boenin tussen 1927 en 1929, dat wil zeggen: de eerste vier hoofdstukken die in 1930 als boek in Parijs gepubliceerd werden en waarvoor hij de Nobelprijs kreeg. Het vijfde hoofdstuk (in de roman heten de hoofdstukken 'boeken’), dat hij in de loop van de jaren dertig schreef, behelst eveneens een liefdesverhaal, dat na enkele hindernissen ook nog eens met de dood van het meisje eindigt. Dat vijfde boek had ook een aparte novelle kunnen zijn, behalve een liefdesgeschiedenis is het een verhaal over het begin van een schrijversleven. 'Fundamenteel was altijd het eigene, persoonlijke - hield ik me destijds wel echt met andere mensen bezig, ook al observeerde ik hen nog zo nauwlettend?’ Nadat de twintigjarige Aleksej Arsenjev zich dit heeft afgevraagd, zet hij de lezer een reeks aantekeningen voor, oefeningen van een schrijversblik. 'Moest ik, dacht ik, misschien gewoon met een verhaal over mezelf beginnen?’ Dat zou Boenin dertig jaar later (hij schrijft: vijftig jaar) alsnog doen.
Wat de feiten betreft loopt het geschreven leven van Arsenjev ongeveer gelijk op met dat van de auteur, maar in dit vijfde boek geeft zijn hoofdpersoon al meteen een verderstrekkend motief: 'Daarna probeerde ik opnieuw te bedenken hoe ik moest beginnen met het beschrijven van mijn leven? Ja, hoe? Ik moest toch eerst iets zeggen, zo niet over het heelal waarin ik op een bepaald moment was verschenen, dan toch over Rusland: de lezer laten weten tot welk land ik behoorde, als het resultaat van welk leven ik op aarde was gekomen.’
BOENINS wortels reiken ver terug. In de tijd dat hij aan de roman bezig was, zei hij dat hij zich zelfs de schepping van de wereld kon herinneren. Dan komt de eerste zin van de roman, een citaat zonder dat gezegd wordt van wie, in een duizelingwekkend perspectief te staan: 'Dingen en daden die niet opgeschreven zijn, worden door het duister bedekt en overgeleverd aan het graf der vergetelheid, opgeschreven echter leven ze voort.’ Dat citaat mag de lezer niet vergeten, ook als hij denkt bij het eerste boek met alleen maar jeugdherinneringen te maken te hebben. Als daar de eenzaamheid, de eerste reis en het leven op het land beschreven worden, zoals de jongen die beleefd heeft, wordt niet voor niets telkens het woord 'ontdekking’ gebruikt. Zelfs als hij achteraf zegt dat het vooral een gefantaseerd leven was, dat de armoede van het gewone leven niet mag verbloemen, gaat het niet zomaar om persoonlijke herinneringen.
Op zijn eerste reis ontdekt hij 'de vreugde van het aardse bestaan’; hij ontdekt zijn vader, zijn moeder - op het moment dat hij zichzelf bewust wordt; in de seizoenen ontdekt hij dat de wereld groter is dan zijn blikveld; hij ontdekt de ziel van Rusland, en door een herdersjongetje ontdekt hij de aarde. Bovendien herinnert het jongetje zich alles wat hij ooit 'in een vorig, onheuglijk bestaan’ heeft beleefd - en vooral die 'herinneringen’ herinnert hij zich dertig jaar later, als hij dit boek schrijft. Het woord 'jeugdherinneringen’ krijgt dan een dubbele, zelfs driedubbele betekenis: herinneringen aan een jeugd, herinneringen uit zijn jeugd aan het Rusland van zijn vader, dat hij na voortijdig het gymnasium verlaten te hebben per spoor doorkruist, én voorwaartse herinneringen, want de jongen leeft nogal eens vooruit, 'de vroegere weemoed om verlangens en verwachtingen voor de toekomst’.
Die ideeën koesterde Boenin al langer, zo formuleerde hij in een opstel uit 1921, 'Het boek van mijn leven’, zijn holistische kijk op een mensenleven als deel van een oneindig geheel: 'Ik… leef niet alleen met mijn heden, maar ook met mijn vroegere leven en met duizend vreemde levens van vroeger en nu, met de geschiedenis van de hele mensheid, van alle landen. Ik verlang er vurig naar voortdurend andere vormen aan te nemen, het vreemde in te lijven.’
In de roman worden de gewone dingen in een mensenleven niet minder dan symbolen van een universele Mens. Halverwege het vierde boek gaat het al niet meer om één leven, dat van Arsenjev, maar om het leven van heel Rusland, het oude Rusland dat onder andere door toedoen van jonge revolutionairen zou verdwijnen. Gelukkig kan alleen iemand zijn die zijn plaats kent in de continuïteit van de mensheid en vrij is alleen degene die zijn angst voor de dood verliest, aldus de les van Boenins ontwikkelingsroman. In elk van de vijf boeken bevestigt een sterfgeval een nieuw stadium in Arsenjevs ontwikkeling. En een echte overwinning van de dood is wanneer hij iets blijvends schept. De eerste zin van zijn geschreven leven was dus niet alleen een programma voor de schrijver, maar ook een opdracht aan de mens.
In het verhaal 'Nacht’ uit 1925, waar Boenin zijn levensbeschouwing uiteenzette, maakte hij een onderscheid tussen mensen die zomaar leven en een minderheid die geestelijke interesses heeft. Arsenjev behoort als aankomend dichter tot die bijzondere categorie. De rol van zijn geliefde is dan ook beperkt tot die van tegenspeler, personificatie van het materiële, grillig, impulsief, ongevoelig voor de poëzie. Zo schematisch zit de roman in elkaar, bezien vanuit het nagekomen vijfde boek, dat wellicht ook een ander licht werpt op de rolverdeling in de liefdesverhalen.