‘een verhaal zit in je ogen’

HIJ IS GEZEGEND met het soort blijmoedige onbevangenheid dat je in de Randstad gewoonlijk snel verliest. Arno Kranenborg (37), geboren in Coevorden en ook nu nog de oostelijke rust van Arnhem verkiezend boven de Amsterdamse ratrace, verhief zijn kindertijd tot kunst in een van de origineelste bijdragen aan het afgelopen Nederlands Filmfestival: De kersenpluk. Een landelijk drama over een opa van weinig woorden. ‘Op de Hondsrug zette hij ineens z'n brommer stil en dan bleven we staan kijken naar het landschap, zonder iets te zeggen. Maar je begréép het wel - die weemoed die daar hing.’

De weg naar het speelfilmdebuut is zelden recht en zit vol met kuilen. Arno Kranenborg maakte liever muziek. Dat hij op de kunstacademie in Enschede terechtkwam, was vooral omdat hij niet kon aarden op het schoolse conservatorium. Op de academie kreeg hij de kans het componeren te combineren met schilderkunst. Het mooist in zijn eindexamenproduktie At Paris’ Top, een gefilmde musical met zelf ontworpen decors. Kranenborg licht toe: ‘Film was voor mij de ideale manier om mijn liedjes te verpakken. Een ongebruikelijk initiatief op de kunstacademie, want voor films had je de filmacademie. Maar aan de andere kant kon er veel, als je het zelf maar organiseerde. Dus ik kreeg 1500 gulden uit de projectenpot en de beschikking over een stokoude montagetafel. “Zie maar.” Je werd volkomen losgelaten. Heel confronterend, en een prima voorbereiding op de praktijk.’
Nu had Kranenborg tijdens zijn studie al af en toe mogen meekijken over de schouder van zijn docent Joost Roelofsz - striptekenaar en in die tijd maker van het VPRO-kinderprogramma De wijde wereld. 'Ik kon handig schilderen, dus dan belde hij me op: “Ik heb worsten nodig. Ze moeten zondagmorgen af zijn.” Gingen we met zijn tweeën naar Hilversum om worsten te schilderen. Het verhaal werd meestal ter plekke bedacht.’
At Paris’ Top - over een schilder die zich bevindt op de hoogste verdieping van de Eiffeltoren en dan wil vliegen, naar nog hoger - resulteerde in een lovend oordeel van gecommitteerde Eric de Kuyper. Hij liet Kranenborg in 1988 meewerken aan de workshop-produktie Pierrot Lunaire, samen met ambitieuze aspiranten als Paul Ruven en Peter Delpeut. 'Veel geleerd, maar toch niet mijn soort film. Ik snapte er de helft niet van’, luidt het laconieke commentaar van Kranenborg. Dus begaf de jonge kunstenaar zich aanvankelijk in de filmmuziek. Op de 'Fay Lovsky-manier’, met samplers en synthesizers. Tot hij het geschnabbel voor weinig geld beu was. 'En ik dacht steeds vaker als ik zo'n film voorbij zag schieten: dat hoef je toch niet zó te vertellen! Dan was alleen al de volgorde van de beelden helemaal verkeerd in mijn ogen.’
KRANENBORGS curriculum vitae vervolgt met een reeks dramaprodukties voor de VPRO, waarbij hij behalve als 'man achter de muziek’ ook als regisseur en scenarist wordt opgevoerd. Niet gek, met slechts een beetje ervaring en nauwelijks opleiding. 'Nee, helemaal niks’, roept de filmmaker vrolijk. 'Maar ik had intussen wel kinderen en daar wilde ik graag programma’s voor maken. Dus verzon ik verhaaltjes en besprak die met mijn zoontje in de kinderstoel. Hij zei dan: “Misschien is het leuk als er dat of dat gebeurt.” Rare verhaaltjes waren het vaak, die eigenlijk nergens over gingen. Die stuurde ik naar de VPRO, met een aardig kaftje eromheen want dat werkt wel.’
Een paar jaar terug kreeg hij de behoefte een 'echte’ speelfilm te maken. 'Ik zag dingen van anderen en kreeg langzamerhand het gevoel: nu ben ik aan de beurt. En eigenlijk vond ik dat ik nog iets te goed had van het Filmfonds. At Paris’ Top was namelijk in Rotterdam en op twee buitenlandse festivals te zien geweest zonder dat ik een cent subsidie had gehad.’
Het moest een film worden over zijn eigen jeugd en over de opa die hem het liefste was. 'Een heel eenvoudige werkende man uit de kop van Drenthe, met wat beesten achter zijn huis. Mijn andere opa was onderwijzer - ons geslacht kent nogal wat onderwijzers - en daar had ik veel minder mee op. Deze opa had geen tekst nodig. Die wàs gewoon iemand, daar kon je niet aankomen.’
De zomervakanties bij zijn grootvader staan Kranenborg nog levendig voor de geest. Terwijl er in feite nauwelijks iets gebeurde. 'Als mijn oma ’s middags sliep, zaten mijn opa en ik aan de tafel in de achterkamer. Zo een met een Perzisch tapijt erop, alle clichés lagen voor het grijpen. We keken naar buiten, zonder iets te zeggen. Tot er een keer een man over het akkerland liep en mijn opa zijn hoofd afwendde. Verder niets. Later kwam ik erachter dat die man fout was geweest in de oorlog. Dan leer je kijken, toch? Misschien wel door de verveling, dat je dan oog krijgt voor kleine dingen.’
Er ontstond een script op basis van losse associaties, dat in genade werd ontvangen door de beoordelaars van het Fonds voor de Nederlandse Film. 'Gerard Soeteman bekend van zijn samenwerking met Paul Verhoeven - mvs) kreeg de eerste versie onder ogen. Hij schijnt nogal een mopperpot te zijn, maar hij was erg gecharmeerd. Het gíng ergens over. Alleen moest ik er zelf nog achter komen wáárover. Ja, over de band tussen een kleinzoon en zijn opa, over het Drentse platteland, de kersenpluk, en er kwam ook een gans in voor. Maar verder? In eerste instantie duurde het verhaal ook maar vijftig minuten. Dat kon wel wat langer, vonden ze bij het Fonds. Maar daarmee werd het verhaal ook ingewikkelder en ik had helemaal geen kaas gegeten van dramatische structuren. Daar heb ik toen hulp bij gekregen.’
Een weemoedig script is het geworden, met een opa die zich in volledige berusting voorbereidt op een vertrek uit deze wereld naar die andere, waar zijn vrouw op hem wacht. En met een kleinzoon die al even subtiel kennismaakt met verliefdheid en op uitvliegen staat. Een lief script ook, dat in balans wordt gehouden door een nevenintrige rond de brutale, overal opduikende scharrelaar Jan Tabak en het meisje Marie, opa’s hulp in de huishouding die Jans kind draagt. 'In de buuk’, zoals de toekomstige vader gelaten opmerkt. Want dat is misschien wel de grootste attractie van De kersenpluk: een minimum aan woorden, een maximum aan rendement. Aan humor vaak ook, raak getroffen plattelandse lulligheid.
Droog-geestig is bijvoorbeeld de scène waarin opa zich een fles haarwater laat aansmeren en die vervolgens aanbiedt aan zijn kleinzoon met de woorden: 'Voor de kop. Op de kop.’ Of de scène in de kapperswinkel, waar een bijzonder vreugdeloos echtpaar achter de toonbank staat opgesteld. 'Plastic puutje erom?’ vraagt de man na de aankoop en hij blaast machinaal een kreukelig zakje in vorm.
HEEFT KRANENBORG het gevoel aan te sluiten bij een bepaalde stroming in de Nederlandse cinema? Rijk is immers de oogst aan films waarin de makers zich met een mengeling van weemoed en ironie over het achterland buigen: theatermakers/cineasten Alex van Warmerdam en Theu Boermans, maar ook Frouke Fokkema (Kracht), Jan Bosdriesz (De provincie), en misschien hoort Jos de Putters documentaire Het is een schone dag geweest ook dit rijtje thuis. De cineast erkent de overeenkomsten, ook waar het gaat om de spaarzame teksten, maar het is niet meer dan een constatering achteraf. 'Je probeert toch vooral iets van jezelf in een film te leggen, jóuw wereld. Als ik me al in iemand herken, dan niet in Alex van Warmerdam. Ik vind het knap wat hij doet, maar mij is het te koud. Ei van Danniel is me liever, met Johan Leyssen als de simpele ziel van een klein plattelandsdorp. Dat raakte me.’
Twee beroepsacteurs zijn te vinden in de cast van De kersenpluk: Ricky Koole vers van de kleinkunstacademie en al eerder te zien in Van Warmerdams De jurk) als Marie, en Lukas Dijkema van Boermans’ theatergroep De Trust als Jan Tabak. 'Het zijn acteurs die de gave behielden om 'gewoon op een stoel te zitten en niks te doen, alleen te kijken. Mooi kunnen kijken vind ik belangrijk, want een verhaal zit in je ogen.’ Finbarr Wilbrink, de kleinzoon, had ook al vaker opgetreden in tv-drama. Maar de rest van de bezetting werd in en rond de kop van Drenthe geworven. Inclusief Anton Starke, de opa die professionele opa’s als Sacco van der Made met gemak naar de kroon steekt. 'Een man uit Stadskanaal met een eigen bedrijf in karton. Vroeger had hij wel eens gedacht aan het toneel, maar hij was er achtergekomen dat in de karton meer te verdienen viel. Ik spreek hem nog regelmatig. Een substituut-opa. Vóór de première hebben we nog gebeld. Wat we zouden aantrekken en zo.’