KOEN KLEIJN

Een verijling

‘Weder is ons een man van talent, een uit den groep der nieuwe schilders, ontvallen: de Heer Anton Mauve, en dat op nog geen vijftigjarigen leeftijd.’

Medium images

In februari 1888 herdacht de oude J.A. Alberdingk Thijm in dit blad de schilder Mauve, die plotseling in Arnhem was overleden. Mauve was een van de beroemdste schilders van het land, hij had een internationale reputatie, tentoonstellingen in Wenen, Parijs en Philadelphia, et cetera, en toch rekende Thijm hem nog tot ‘de nieuwe schilders’, die vanaf de jaren zestig de Nederlandse schilderkunst een modern eigen gezicht hadden gegeven. De bijdrage van Mauve aan de grote traditie van Nederlandse landschapsschilderkunst was buitengewoon, meende Thijm, en hij vroeg: ‘Zal men ons geene aan zijn werken gewijde tentoonstelling geven?’ Die wens gaat deze maand in vervulling met een grote tentoonstelling verdeeld over twee musea: Teylers en Singer.
Mauve (Haarlem, 1838) leerde het vak bij Pieter van Os (vee) en Wouter Verschuur (paarden) en bracht daarna veel tijd door op de hei, in Oosterbeek, waar hij à la Barbizon buiten schilderde. Vanaf 1871 was hij spil in het kunstleven van Den Haag, daarna vestigde hij zich in Laren, waar hij in 1882 voor het eerst een zomer doorbracht. Hij schreef naar huis: ‘Het is aandoenlijk mooi hier, van een fijnheid van lijnen, en lieflijke poëzie straalt uit alles: binnenhuizen, wegen, akkers, prachtige heide en boschjes en de menschen zijn van het liefste soort dat te bedenken is.’ Hij bouwde er in 1885 een huis, dat nu tegenover het Singer Museum staat.Mauve werd een geziene stamgast in het logement van Hamdorff, maar hij had ook een kwade dronk, want hij was, in de grond, een neerslachtige natuur. Alberdingk Thijm refereerde eraan: ‘Er is een zekere weemoed in de schilderijen en teekeningen van Mauve. Zelden wordt de fijne, soms eenigszins sombere landschaptoon door een zonnetjen vervrolijkt. Was dit een zinnebeeld van zijn te vroeg verscheiden?’

Medium 800px anton mauve   de moestuin

Wie de tentoonstellingen ziet vindt dat verband misschien wat te snel gelegd. Mauve is vooral de man van het evenwicht, van de zorgvuldig uit-genuanceerde toon, waarin alle elementen in het schilderij, alle vormen die de compositie opbouwen, geschikt worden – ‘accenten in orkestraties van zuiverste afgewogenheid’, zoals Knuttel het in 1937 noemde. In die toonzetting kiest Mauve onmiskenbaar voor het grijs en het bruin, maar om dat somber te noemen? In Thijms tijd werd die specifiek Nederlandse tint ook gezien als ‘eene meer juiste, meer gezonde en meer ware opvatting der natuur’ (‘JHS’, De Groene, 1896) dan de donkere, sombere tinten van de Franse Barbizonisten.
Mauve’s aangetrouwde neef Vincent van Gogh, ongedurige betweter en drammer, ergerde zich aan die afgewogenheid, maar Alberdingk Thijm zag heel goed waarom Mauve zichzelf grenzen stelde: ‘Mauve verstaat het teekenen te goed, om er voordeel in te vinden de omtrekken opzettelijk te verwaarlozen.’ Hij was een gevoelige man, maar geen expressionist; toch is in een meesterwerkje als Ruiters in de sneeuw in het Haagse Bos (1879-1880, in Teylers) een wereld van groot verlangen te vinden, naar (nogmaals Knuttel:) ‘een verijling, die zich van de uitdrukking der materie schijnt af te wenden, echter zonder de vlucht in de onbegrensdheid van de ruimte en het ongewisse’.

Medium 67942 004 1b353d89

Anton Mauve, 1838-1888. Teylers Museum, Haarlem, Singer Laren, t/m 17 januari 2010. Gelijknamige catalogus door Saskia de Bodt en Michiel C. Plomp (red.), € 27,50, / € 34,50. www.anton-mauve.nl