Een verlammende hindernis

Vorige week heeft president Obama zijn bezoek aan India bekort om in Ryad zijn deelneming te betuiging aan de nieuwe koning van Saoedi-Arabië Salman over de dood van diens vader Abdullah. Het was een zware delegatie.

Michelle Obama was erbij en Condoleezza Rice, de vroegere veiligheidsadviseur van president George W. Bush. Twee vrouwen. Als ze Saoedisch waren geweest, hadden ze in hun land niet eens mogen fietsen. Maar in dit geval speelden de mensenrechten een ondergeschikte rol, zoals ook al door de aanwezigheid van koning Willem-Alexander en andere staatshoofden is bewezen.

Saoedi-Arabië is naar de maatstaven van de mensenrechten gemeten een van de achterlijkste landen van het Midden-Oosten. Vrouwen zijn er volstrekt onderworpen, in vrijwel alle opzichten. Openbare functies mogen ze niet bekleden, polygamie is gebruikelijk, ze mogen niet achter het stuur van een auto, in vrijwel totaal verhullende kleding verschijnen ze in het openbaar, in de praktijk staat hun leven gelijk aan slavernij. De rechtspleging is achterlijk en barbaars. Straffen als openbare onthoofding, het afhakken van ledematen, zweepslagen zijn gebruikelijk. Kort voor de dood van de vorige koning heeft een straf van duizend stokslagen voor een blogger nog internationale verontwaardiging gewekt. In het land zelf wordt dit alles gerechtvaardigd door de sharia en de strenge leer van het wahabisme.

Als Michelle Obama Saoedisch was geweest, had ze niet eens mogen fietsen

Vanwaar dan dit internationale eerbetoon aan de overleden koning? De eerste reden is dat Saoedi-Arabië over geweldige olievoorraden beschikt. Volgens recente schattingen zal het een jaar of tachtig duren voor de bronnen zijn uitgeput. En verder is het koningshuis een van de weinige stabiele factoren in de toenemende chaos van het Midden-Oosten. De regering van George W. Bush onderhield tijdens de oorlog tegen Saddam Hoessein zeer vriendschappelijke betrekkingen met het Saoedische koningshuis. Wat dat aangaat is er niets veranderd. Ook de staatshoofden van West-Europese landen waren op de begrafenis.

Stellen we ons voor dat zich in Saoedi-Arabië een omwenteling zou voltrekken. Het koningshuis afgezet, misschien naar ’s lands wijs onthoofd, en de macht overgenomen. Door wie? Het land heeft voorzover we weten geen revolutionaire groeperingen die door de tijd heen tot ontwikkeling zijn gekomen. Maar onder de 27 miljoen inwoners heerst grote werkloosheid. De regering doet met woningbouw, sociale maatregelen en de geheime dienst haar best de onvrede binnen de perken te houden. Hoe stevig het koningshuis geworteld is, onttrekt zich aan de westerse waarneming. Wel zal het land voor de islam als geheel van vitaal belang blijven. Het heeft de heilige steden Mekka en Medina binnen zijn grenzen.

Voor zijn buitenlandse politiek heeft het Westen een stabiel Saoedi-Arabië nodig. Voor zover we het kunnen beoordelen is het land nog altijd een centrum van stabiliteit in een regio die in toenemende mate door desintegratie, opstanden en burgeroorlogen wordt beheerst. Irak is na de oorlog met de westerse coalitie tot een ongeneeslijke chaos vervallen en nu blijkt dat het ook een van de landen is waar de terroristenbende van Islamitische Staat is ontstaan. In Jemen ontluikt een burgeroorlog. Egypte heeft een wankel regime. Jordanië, ook geen democratie, ondervindt de lasten van de Syrische zelfverwoesting. De afgelopen jaren is bewezen dat het Westen daar niets aan kan en wil doen. En wat ook de aandacht verdient: in al deze landen is de vier jaar geleden begonnen Arabische lente mislukt.

De verhouding tot Saoedi-Arabië is niet langer een zelfstandig probleem maar een belangrijk onderdeel van de hele westerse politiek in het Midden-Oosten. Het land blijft van vitaal belang. Maar het Westen zit klem: tussen zijn morele verontwaardiging en het besef van militaire machteloosheid. Bij de troonswisseling in Ryad heeft het een tijdelijk compromis gevonden: plichtmatige hoffelijkheid. Die duurt niet langer dan een paar dagen.