Een vermeerdering van trefkans

Music Box op VPRO-label EigenWijs. (Te bestellen door f30,- over te maken op gironr. 511 5000 t.n.v. VPRO Publieksservice)
Op het eerste gezicht lijkt het een ideale introductie in de huidige vaderlandse muziek. Maar liefst 32 Nederlandse en in Nederland wonende componisten zijn vertegenwoordigd op de cd Music box: 32 composities voor muziekdoos. Van Joel Bons tot Richard Rijnvos, van Louis Andriessen tot Oliver Knussen. Beluistering maakt echter duidelijk dat alleen een geoefend oor de karakteristieken van de diverse componisten herkent.

Sommige zijn een makkie: wie weet dat Cornelis de Bondt nooit kort van stof is, begrijpt dat de ruim vijf minuten durende Canon Perpetuus Perforatus - een lengte die alle records verbreekt - alleen van hem afkomstig kan zijn. En wie omgekeerd weet dat Reinbert de Leeuw al meer dan twintig jaar niet meer componeert, herkent in het krap vierendertig seconden durende Chanson sans paroles a l'occasion de l'anniversaire d'Oliver Knussen et pour celebrer son C.B.E. een componist in ruste.
Dat de speeldoosstukjes de neiging hebben op elkaar te lijken, heeft alles met het instrument te maken. De mogelijkheden zijn uiterst beperkt: het notenmateriaal beslaat (op de piano) twintig witte toetsen; een begrip als ‘dynamiek’ bestaat niet in de wereld van de muziekdozen; en ook aan het timbre - een wat waterig, onvast geluid - valt weinig te sleutelen. Eigenlijk is er op deze cd maar een stukje waarbij de speeldoos naar iets anders klinkt: in Legong van Boudewijn Tarenskeen wordt een exotische wereld opgeroepen, waarin de wind door bamboegordijnen strijkt en in de verte een gamelanorkest klinkt.
De enige echte variabele in de speeldoosmuziek is van kwantitatieve aard: de hoeveelheid nootjes per centimeter. Langzaam en snel zijn de meest opvallende onderscheidingen. Zo zal bijvoorbeeld Arthur Sauer in Burn Out behoorlijk wat tijd zijn kwijt geweest met het perforeren van zijn ponskaart: de hoeveelheid nootjes is zo overweldigend dat de muziek zich in gebaren beweegt in plaats van afzonderlijke noten. Precies het tegenovergestelde doet Elmer Schonberger: in zijn Eigen Wijs zoeken de nootjes zich een voor een een aarzelende weg, slechts hier en daar aangespoord door een hups roetsje.
Wellicht dat Misha Mengelberg het wezen van de speeldoos het best tot uitdrukking brengt. Op de manier waarop een ongeschoolde stem een liedje inzet en allengs de melodie te pakken krijgt, vallen in Geef mij maar een klontje suiker, dan geef ik dat aan het paard de wat onbeholpen aanzetten uiteindelijk op hun plaats.
Eigenlijk meer dan het klinkend resultaat is het verschil in ideeen en aanpak groot. Waar Gilius van Bergeijk een pentatonisch melodietje de titel Prelude et fugue Maoiste meegeeft, blijkt het Lied van de arbeid van Dick Raaymakers louter uit het geruis van het zwoegende motortje te bestaan. Waar de een in de vorm van een canon toch een zekere gelaagdheid probeert te creeren, benadrukt de ander juist het mechanische karakter van het instrumentje door met repeterende patronen te spelen.
Uitgesproken conceptueel in benadering is De Quintencirkel van Paul Koek. Begeleid door een stijgende toonladder die op de hoogste a en g blijft haperen, leest zoon Bo een passage uit Pijpers Quintencirkel voor, die naar aanleiding van de introductie van mechanische muziekinstrumenten in 1927 de vraag opwierp: 'Wat betekenen deze apparaten voor de kunst van onze dagen?’ Zijn antwoord luidde: 'Een vermeerdering van de trefkans. Meer niet.’ In het onmiddellijke verlengde ligt natuurlijk de vraag wat de betekenis van het muziekdoosje hedentendage is. Is dat meer dan een nostalgisch getinte ontroering door de knulligheid van het mechaniekje en door het grote contrast met de huidige high-tech apparatuur waarop juist alles mogelijk is?
Desalniettemin een charmant kerstcadeautje. Minstens even leuk is het om iemand een speeldoosje met ponskaarten te geven, die naar verluidt bij het Utrechts Museum van Speelklok tot Pierement verkrijgbaar zijn.