Jonas Mekas, een charismatische, brutale en geestige schrijver/cineast met een dubieus oorlogsverleden © Michel Delsol / Getty Images

In de zomer van 2018 verscheen in The New York Review of Books een artikel over het oorlogsverleden van filmer en schrijver Jonas Mekas. De dan 95-jarige zou als jongeman in Litouwen verantwoordelijk zijn geweest voor antisemitische publicaties, en hij zou de massamoord op 2400 joodse mannen, vrouwen en kinderen in zijn toenmalige woonplaats systematisch hebben verzwegen.

Mekas was niet zomaar een coryfee van de internationale kunstwereld. Peter Delpeut noemt hem een held, een monument, een orakel, een heilige, ‘de burgemeester van SoHo’. Een charismatische, brutale en geestige persoonlijkheid bovendien, zij het niet al te diepgravend. ‘Elk filmfestival wenst zich zo’n gast.’

Dat helden van hun voetstuk tuimelen door onthullingen uit de persoonlijke levenssfeer is aan de orde van de dag. Maar het geval-Mekas is bijzonder omdat zijn vermeende heldendom juist betrekking had op de manier waarop hij met zijn herinneringen omging, op vervolging door eerst communisten en daarna nazi’s, verblijf in vluchtelingenkampen en ten slotte emigratie naar de VS, waar hij uitgroeide tot ‘zen-meester van de avant-garde’. Hij wekte de indruk dat hij zijn ervaringen onbemiddeld doorgaf; zijn films mochten onscherp zijn, ze waren plotloos en nauwelijks gemonteerd, zodat ze er uitzagen als home movies, een vorm die authenticiteit suggereert, nabijheid – althans voor wie de illusie koestert dat ook bijvoorbeeld dagboekaantekeningen daar een garantie voor zijn.

Delpeut is net als Mekas filmer, schrijver en verzamelaar van found footage. Als adolescent was de kennismaking met diens gebundelde columns uit The Village Voice, het alternatieve New Yorkse weekblad, een openbaring. Zo kon je dus ook over film schrijven: niet afstandelijk, oordelend, analytisch maar volkomen subjectief, als het verslag van een unieke persoonlijke ervaring. Die wekelijkse verhandelingen, geen recensies, gingen niet alleen over westerns maar ook over porno, vakantiefilms, wetenschappelijke en artistieke experimenten. En ook veel over zijn almaar beroemder wordende vrienden in de spannende jaren zestig, van wie hij de feesten en partijen zelf ook weer vastlegde met zijn onafscheidelijke 16mm-camera. Want film en leven dienden niet gescheiden te blijven.

De bundel stond tientallen jaren prominent in Delpeuts boekenkast om hem aan dat adagium te herinneren. Als een icoon, zonder dat hij de behoefte voelde om er nog eens iets in na te slaan. Net zo liep hij op festivals waar de films van Mekas draaiden graag even de zaal binnen. ‘Niet per se om ze uit te zien, maar gewoon om wat tegengif op te doen tegen al die stuwende, verhalende, onontkoombare films die je niet de tijd of de vrijheid gunnen er je eigen gedachten of herinneringen aan te spiegelen.’

Peter Delpeut blijft tot op de laatste bladzijde ­loyaal aan zijn held

De onthullingen over Mekas deden hem pijn, schrijft Delpeut. Hij had ze kunnen verwerken door alsnog een scheiding aan te brengen tussen werk en auteur. En waar het hemzelf betrof tussen bewondering voor dat werk en het vereren van de maker. Want de teleurgestelde vereerder ‘valt in een existentiële afgrond’ – en wie wil dat nou.

Maar hij besloot het er niet bij te laten zitten en het resultaat is dit lange essay waarin hij probeert zijn gevallen held op verschillende manieren te rehabiliteren. Door bronnenonderzoek; door contact op te nemen met de aanklager; door reflectie op de werking van het geheugen; door het beschrijven van andere Litouwse levens uit dezelfde periode; door analyse van Mekas’ films en dagboeken; door te wijzen op zijn artistieke credo van absolute subjectiviteit, op de ironie van de Fluxus-beweging, zijn moeilijke jeugd, zijn ontheemdheid, karakter, de tragiek van de clown.

De les die hij ooit trok uit het lezen van Jonas Mekas’ Movie Journal was dat je elk kunstwerk zijn bestaan moet gunnen. Delpeut had het als een levensles opgevat: gun ook ieder mens zijn plaats. Maar geldt dat ook voor de daden van ieder mens? Of, om het nog ingewikkelder te maken, over wat hij nalaat vertellen? Want Mekas heeft voorzover bekend zelf geen misdaden gepleegd. Hij heeft alleen maar van zichzelf, in films en honderden pagina’s tellende memoires, een slachtoffer gemaakt terwijl hij het gruwelijke lot van anderen in zijn directe omgeving verzweeg.

‘In de zaak Mekas staat het geheugen terecht’, concludeert Delpeut. En de kunst, voeg ik daar graag aan toe. Je kunt werk en maker niet eerst nadrukkelijk verbinden en dan bij kritiek ijlings scheiden. In een vijf uur durende compilatie van fragmenten uit zijn gezinsleven bracht Mekas tal van gelukkige momenten bijeen, in willekeurige volgorde en slechts af en toe verbonden door het zinnetje ‘Life goes on’. Ook Delpeut ergert zich wanneer hij ontdekt dat het huwelijk van Mekas op een echtscheiding uitliep. Waarom vermeldde hij dat niet? ‘Is al die zelfpresentatie niets anders dan een vernuftig rookgordijn geweest, een grote verdwijntruc?’

Mekas stierf ruim een halfjaar na publicatie van de aantijgingen aan zijn adres en zonder zich te verontschuldigen. Zijn eigen werkelijkheid, die van zijn geheugen, vond hij vermoedelijk nog steeds belangwekkender dan de feiten van toen.

Delpeut blijft tot op de laatste bladzijde loyaal aan zijn held. Hij weigert te vervallen in righteousness porn maar geeft ook toe dat het niet lukt om hem vrij te pleiten. Welk spoor hij ook volgt, welke redenering hij ook beproeft, tot een compleet begrip, laat staan een eenduidig oordeel, komt hij niet. En dat is goed. Zijn bedachtzame, kwetsbare, meanderende pogingen heb ik geboeid, soms hoofdschuddend, af en toe zelfs geërgerd, maar ook met bewondering gelezen. Dat de rehabilitatie van Jonas Mekas faalde, zorgde ervoor dat dit boek over hem geslaagd is.