Film: ‘Hereditary’: proeftuin van de tragedie

Een verschrikkelijke les

In Hereditary zitten de personages gevangen in een cyclus van bovennatuurlijke gebeurtenissen. De kijker zit in hetzelfde schuitje; niets is toeval in deze film.

Large hereditary st 14 jpg sd high
Charlie (Milly Shapiro) en Peter (Alex Wolff) Graham © Splendid Films

De peripeteia is het moment van omslag in de Griekse tragedie, vaak gekoppeld aan een onthulling van de waarheid in het verhaal. Bijvoorbeeld Oidipous die leert dat hij zijn vader heeft gedood en met zijn moeder is getrouwd. Dit moment is er niet een van willekeur, maar van onafwendbaarheid: de personages kunnen geen kant op en het wordt duidelijk dat ze die mogelijkheid ook nooit hadden.

Schrijf u in voor onze dagelijkse nieuwsbrief en ontvang iedere ochtend het beste uit De Groene in uw mailbox.

Zoals bekend was deze vorm van drama razend populair in de oudheid. De reden hiervoor komt mooi naar voren in een nawoord van Piet Gerbrandy in Gerard Koolschijns vertaling van Sofokles’ Oidipous: ‘Niet dat ze levensecht zouden zijn verschaffen deze stukken eeuwigheidswaarde, want dat zijn ze niet, maar juist dat ze een gesloten circuit vormen waarop iedereen naar gelieve zijn eigen leven kan projecteren. De tragedie is een wetenschappelijk experiment, een fermentatieproces in vitro, hetgeen direct haar beklemmende werking verklaart.’

We maken een sprong – naar nu. Peter Graham (Alex Wolff), een jongen van een jaar of zestien, zit tijdens een les klassieke literatuur weg te dromen. Zijn ogen kan hij niet van het meisje voor hem af houden. Door zijn verliefdheid luistert hij niet naar de leraar die vertelt over Herakles’ relatie tot de goden in Sofokles’ Vrouwen van Trachis. Over hoe de held gevangen zit in een situatie waarover hij geen controle heeft. Later wordt het duidelijk: had Peter maar beter opgelet, dan was misschien wel iets gebleken van wat hem te wachten staat in het verhaal waarin hij zich bevindt: Hereditary van Ari Aster.

In deze horrorfilm zit de kijker in hetzelfde schuitje als de personages. Ook wij zitten opgesloten in de proeftuin van de tragedie. Bijzonder is dat het thema van gevangenschap consequent terugkeert in de vormgeving: in het eerste shot van de film zoomt de camera langzaam in op een kamertje van een huis in miniatuur, deel van een kunstproject van Peters moeder Annie (Toni Collette). Het detail is precies, met zelfs het haar van het poppetje dat op het bed ligt te slapen. Maar dan komt alles tot leven. De figuur in bed wordt wakker. Het is Peter. De deur gaat open en een man, Peters vader Steve (Gabriel Byrne), komt binnen. Nergens geeft regisseur Aster een verklaring voor dit shot. We zijn duidelijk in huize Graham, maar hoe kan het dat de camera eerst een miniatuur toont van een poppenhuis gemaakt door de moeder? Om welk perspectief gaat het dan?

De vragen blijven hangen terwijl het verhaal zich binnen dit soort kunstmatige kaders ontvouwt. Steve blijkt zijn zoon te hebben gewekt voor de begrafenis van zijn oma, een vrouw met een indrukwekkend uiterlijk, zoals een schilderij van haar laat zien dat ergens in het huis staat. Wit haar en ogen die priemend kijken. En wij moeten terugkijken, gedwongen door de camera die een paar seconden langer op het schilderij blijft hangen dan voor ons gemakkelijk is – totdat het lijkt of de afgebeelde vrouw, wier begrafenis straks plaatsvindt, levend is. Dat zet de toon. Op het oog is er een geruststellende context van artificialiteit: enerzijds verf, doek en lijst (het schilderij), anderzijds licht, montage en muziek (de film waar we naar kijken). Maar hoe langer de daad van het kijken duurt, hoe meer we, net als de personages, doordrongen raken van de aanwezigheid van iets wat we niet kunnen verklaren.

Wanneer we naar een film kijken, worden we geacht net te doen of de kaders van het projectiedoek er niet zijn. We moeten het filmverhaal ‘in’ om te vergeten dat we in een donkere zaal zitten, net zoals het massapubliek in het theater van het oude Griekenland moest ‘vergeten’ dat de spelers op het podium maskers en buitensporige gewaden droegen.

Ze staart naar de slapende jongen. Als hij wakker wordt zegt ze: ‘Ik wilde jou nooit hebben’

In Hereditary zijn de kaders altijd zichtbaar, maar terwijl ik zat te kijken gebeurde er iets in de zaal dat mij een moment van schrik bezorgde dat ik niet snel zal vergeten. De Grahams hebben namelijk een tweede kind: Charlie (Milly Shapiro), een meisje van een jaar of tien met lang haar dat dik en warrig is, zodat haar hoofd iets te groot voor haar lichaam lijkt en zij daardoor iets vreemds krijgt. Je hoeft haar maar te zien om te weten dat er iets niet klopt aan haar. En halverwege de film, op het moment dat het verhaal bloedstollend spannend werd, liep er een bezoeker voor het scherm voorbij, een meisje met precies zulk haar als Charlie. Ik werd koud. Dat was toeval, dat weet ik, maar in deze film is juist niets toeval. Dat is de verschrikkelijke les. Wat de verschijning van de gedaante voor het scherm even eng maakte als die van het kind in de film.

Deze Charlie belichaamt het unheimische. Ze is net als haar moeder constant in de weer met een lijmpistool. Ze maakt vreemde figuren van alledaagse objecten zoals lege potjes, plastic en karton. En met het afgeknipte hoofd van een dode vogel. Ook heeft Charlie een tic – ze klikt met haar tong. Dit wordt, zoals andere niet te plaatsen gebeurtenissen in het verhaal, nooit verklaard. Charlie treedt hiermee in de lange traditie van enge kinderen in de canon van de cinematografische horror, bijvoorbeeld het verschrompelde kindvrouwtje in Nicolas Roegs Don’t Look Now (1973), William Friedkins bezeten Regan in The Exorcist (1973) en de duivelse Damien in The Omen (1976) van Richard Donner. Deze verhalen, stuk voor stuk intelligent én doodeng, resoneren sterk in Hereditary, het voorlopige hoogtepunt van de recente opleving van het horrorgenre. Dit ‘nieuwe gouden tijdperk van volwassen horror’, zoals The New York Times schrijft, was vorig jaar een feit toen Get Out uitkwam, waarin een jonge, zwarte man in een witte woonbuurt de horror van het racisme in de vorm van het bovennatuurlijke ervaart.

Een verklaring voor het succes van films als Get Out is te vinden in zowel het hier en nu als in eeuwen geleden, in de Griekse tragedie. Net als in het antieke drama is de nieuwe horror direct toepasbaar, als ‘projecties van het eigen leven’: de zwarte man die maar niet kan ontsnappen aan de gruwelen van de witte wereld; het gezin dat ver weg van de bewoonde wereld moet overleven tegen onzichtbare monsters (It Comes at Night en A Quiet Place); of de moeder die niet van haar kind houdt (The Babadook). Allemaal zijn het psychologische verhalen met opvallend vaak trauma, verdriet en rouw als terugkerende thema’s. En met de grootste gemene deler: personages gevangen in een serie gebeurtenissen waarover ze geen controle hebben.

Medium hereditary st 23 jpg sd high
Annie Graham (Toni Collette) © Splendid Films

Zelfs het moment van omslag brengt geen uitkomst voor de Grahams in Hereditary. Zonder iets van de plot weg te geven: de titel zegt alles over de film. Vanaf de dood van de grootmoeder is duidelijk dat Steve, Annie, Charlie en Peter kampen met krachten die ze niet kunnen zien noch controle over hebben. Hierin zijn ze met elkaar verbonden, en met de oude tragediefiguren, bijvoorbeeld Aischylos’ Agamemnon en Iphigenia waarover de dromer Peter ook les krijgt op school. Wie dat verhaal kent (een dochter die het slachtoffer van de goden wordt, een gezin gevangen in een cyclus van wraak en geweld dat geslachten teruggaat) kan tijdens het zien van Hereditary het een en ander invullen. Maar dan ben je er nog niet. In het laatste half uur van de film komt regisseur Aster met een meesterzet, een wending in het verhaal die het gevolg is van een ontdekking van Annie.

Ondanks genre-elementen, zoals mensen die spontaan in vlammen opgaan en schimmige figuren die verschijnen vanuit het hiernamaals, blijft Hereditary dicht bij het menselijke. Je zou zelfs kunnen zeggen dat Asters film in de kern gaat over een moeder die later in haar leven spijt heeft dat ze kinderen heeft gekregen. Of ten minste van één kind, Peter. In een vernietigende scène staat Annie in de nacht voor zijn bed. Ze staart naar de slapende jongen. Als hij wakker wordt zegt ze: ‘Ik wilde jou nooit hebben.’ Om vervolgens geschrokken door haar eigen eerlijkheid haar hand voor haar mond te slaan, alsof ze geen andere keus had dan deze zin uit te spreken.

Wat Piet Gerbrandy het ‘fermentatieproces’ in de klassieke tragedie noemt, bereikt een climax wanneer de finaliteit van de kaders van huize Graham duidelijk worden. In het ‘laboratorium’ is de sluimerende waarheid altijd aanwezig. De grootmoeder die dood is, lacht het hardst. Want zie háár dochter, Annie: die denkt vrij te zijn als moeder en echtgenote en vooral als kunstenaar, maar juist in het uitoefenen van haar kunst – de miniatuurhuizen die ze maakt – bouwt ze het leven van haar gezin alleen maar verder dicht met muren van balsahout. Het huis, symbool van geborgenheid, zorgt voor gevangenschap.

Op het moment dat Judy Collins’ prachtige hit Wildflowers uit 1967 klinkt en de aftiteling over het scherm rolt blijft de angst hangen. Het enge meisje dat tijdens de film in de zaal rondscharrelde is genadiglijk nergens te bekennen, maar ik heb het gevoel alsof ik deze zaal nooit weer zal verlaten. Hereditary legt bloot hoe broos het leven is, hoe ‘tragedie’ aan de basis van alles ligt. Menselijke dromen en wensen over ouderschap en het gezin zijn gebaseerd op de illusie dat het allemaal goed komt. Dat wij goed zijn. Dat we in alle vrijheid uiting geven aan de liefde voor een vader of een moeder of een kind. Maar we zijn getekend – door het verleden, door wie we diep vanbinnen echt zijn, en daar kunnen we niets aan doen. Dát is de onthulling, de waarheid, de horror.


Hereditary is nu te zien in de bioscoop; The Exorcist draait op 15 juni in EYE in het programma Cinema Egzotik