Een versterker van bladeren

Wat af is, is niet gemaakt. Te zien in De Utrechtse School t/m 2 maart, wo t/m zo van 13.30 tot 17.30 uur. Op voorstellingsdagen ook van 19.30 tot 23.00 uur. Informatie: 030-2315355
Het moet een mooi gezicht zijn vanuit de treinen die van Utrecht richting Amersfoort rijden. Achter een van de ramen van De Utrechtse School, een gebouw dat langs het spoor ligt, kun je ‘savonds een schaduw zien dansen. Het is een dirigerende man. Wild zwaait hij met zijn armen. Z'n bovenlijf draait en buigt elegant mee. Voor wie staat hij te dirigeren? Hij lijkt zich te richten tot toehoorders binnen in het gebouw.

Vindt er in De Utrechtse School, podium voor muziek, theater en beeldende kunst, een orkestrepetitie plaats? Nee. De bewegende schaduw is een beeldend kunstwerk, onderdeel van de tentoonstelling Wat af is, is niet gemaakt, een verzameling oudere en nieuwe werken, bijeengebracht door conservator en kunstjournalist Mark Kremer.
Geen musici aan de voeten van de dirigerende schaduw. Als je hem van binnenuit bekijkt, lijkt hij zich ineens tot de buitenwereld te richten. Tot de treinen die traag voorbij trekken. Tot de mensen die zich buiten bevinden, die denken dat ze zich kunnen onttrekken aan het ritme dat hij hen oplegt.
De schaduw is gemaakt door René Kool. Hij bestaat uit een opeenvolging van dia’s, op het raam geprojecteerd door middel van vier projectoren. Een hels kabaal maken die apparaten. Een machinaal ritme dat de dirigent doorgeeft aan de wereld buiten maar waaraan hij zelf is onderworpen.
Binnen tref je ook een hoop bladeren aan die je buiten zou verwachten. Ze zijn in een hoek bij elkaar geharkt en je zou ze bijna negeren als ze geen geluid zouden maken. Het geritsel trekt onmiddellijk je aandacht. Er zit vast een diertje in de bladeren verborgen, is je eerste gedachte. Schaapachtig tuur je in de bladeren, zoals je dat in het park zou doen, fantaserend over enorme bevers of dassen terwijl het meestal een piepklein muisje is of een stomme mus. Dorre bladeren versterken het geluid en vergroten het dier dat de luisteraar zich erbij voorstelt.
In dit geval is de luisteraar ook de producent van het geluid. Arthur Elsenaar, de maker van dit kunstwerk, houdt zich bezig met het technisch manipuleren van biologische gegevens. Hij zette ooit elektroden op zijn eigen gelaatsspieren en verbond die met een radio, zodat hij onwillekeurig gezichten trok, gedirigeerd door het geluid. In dit (oudere) kunstwerk brengen de voetstappen van de bezoekers de hoop bladeren in beweging. Het doordringende geritsel doet de toeschouwers aandachtig stilstaan, waarop het geluid, net als in de natuur, verdwijnt.
Het geestige kunstwerk doet denken aan een van de installaties op de tentoonstelling The Second in het Stedelijk Museum. Christiaan Zwanikken zette op ooghoogte een doosje neer, met daarin een hoop ijzervijlsel. Ook uit dit doosje klinkt geritsel en geknisper. Meteen denk je aan insekten. Dikke elektriciteitssnoeren komen er uit het doosje, het technische geheim van het geluid is blootgelegd, en toch kun je het niet nalaten om tussen de apparatuur naar beestjes te zoeken.
In dezelfde museumzaal staan meer dierlijke verschijningen. Zwanikken heeft een beestenvelletje aan pennen geprikt. Ook hier is het een apparaat dat het dier doet bewegen, reagerend op signalen van het aanwezige publiek. Het knetterende geluid dat het beest produceert is - net als bij de dirigent van René Kool - afkomstig van de apparatuur die deze verschijning in beweging zet. Het zijn de ‘bijgeluiden’ van het mechanisme, die een bijdrage leveren aan de verbeelding. Maar het geraas van Kools diaprojectoren is onschuldig vergeleken bij de vonkende apparatuur van Zwanikken, die het tot leven gewekte dier gevaarlijk en onberekenbaar maakt.