Ton Naaijkens

Een vertaling is een interpretatie

Onlangs verscheen een essaybundel van vertaalwetenschapper Ton Naaijkens. In zijn beschouwingen keert één gedachte steeds terug: vertalingen zijn zelfstandige teksten, geen slappe aftreksels van oorspronkelijke werken. Maar wat schieten deelnemers aan de Groene-vertaalwedstrijd daarmee op?

Afgelopen Buchmesse was het weer raak. Al is Moby Dick reeds ettelijke keren in het Duits vertaald, toch lagen er op de tafels van twee uitgeversstands opnieuw twee kersverse vertalingen van Melvilles meesterwerk. De verantwoordelijke vertalers zijn doodongelukkig met elkaars prestatie, en de overvoerde lezer en potentiële koper vraagt zich vertwijfeld af of hier geen sprake is van kapitaalvernietiging, of toch ten minste van overbodige luxe.

Voor vertaalwetenschapper Ton Naaijkens is het gefundenes Fressen. «Duitsland is een vertaalparadijs. Als germanist heb ik daar goed zicht op en als vertaalwetenschapper smul ik ervan. Want behalve misschien voor de twee Melville-vertalers en hun beider uitgevers is het bestaan van verschillende vertalingen van hetzelfde werk voor ieder ander toch een verrijking? Dan valt er tenminste te kiezen. En de verschillen tussen beide vertalingen zijn gigantisch. Met twee verschillende uitgangspunten zijn de vertalers op twee volstrekt andere vertalingen gekomen.» Eén is geschreven in vlot, makkelijk leesbaar Duits, in de andere heeft de vertaler tot uitdrukking proberen te brengen dat het Engels waarvan Melville zich bediende moeilijk is, ook voor zijn eigen tijdgenoten.

Ton Naaijkens doceert Duitse letterkunde in Utrecht en is als bijzonder hoogleraar theorie en praktijk van het vertalen verbonden aan de universiteit van Nijmegen. In zijn Utrechtse werkkamer beweert hij: «Ook de rel die in Duitsland is losgebarsten over de Melville-vertalingen is goed voor een vertaal wetenschapper. Je ziet daarin de verschillende vertaalopvattingen. Meer dan één vertaling van hetzelfde werk lokt altijd interessantere kritiek uit. In plaats van de zoveelste bespreking van de jacht op een walvis, wat in Nederland gebruik is, schrijven critici bij meer versies een recensie van de vertalingen, want die vormen natuurlijk onafhankelijke teksten, met hun eigen hoogtepunten, dieptepunten en merkwaardigheden.»

Onlangs verscheen De slag om Shelley (uitgeverij Vantilt), een bundel artikelen, essays, lezingen en commentaren die Naaijkens in de afgelopen tien jaar schreef. Met betrekking tot het eerste, theoretische deel van het boek sprak collega-hoogleraar Kees Fens in de Volkskrant van «geheimschrift», even «vlokkerig» en «schemerig» als de taal waarin literatuurtheoretici zich plachten uit te drukken. Toch is het juist in dit deel dat Naaijkens zijn onor thodoxe en opvallende kijk op het vertalen verduidelijkt. De kwintessens is de gedachte dat vertalingen op zichzelf staan. Ze zijn geen afgeleide, of aftreksel van hun originelen, maar ze vormen «gelijkwaardige teksten». Bij het beoordelen van vertalingen dient de nadruk volgens Naaijkens niet te liggen op het incasseren van verlies bij de omschakeling van de «brontekst» naar de «doeltekst» — zoals dat in de vertaalwetenschap jammer genoeg heet — maar op verandering, en op de verrijking die elke vertaling vormt.

Naaijkens voerde de consequenties van deze overtuiging tot het uiterste door in een vooralsnog onopgemerkt gebleven commentaar dat hij enkele jaren geleden schreef, kort nadat in Nederland een soortgelijke affaire speelde als die rond Moby Dick in Duitsland. De kleine Nederlandse vertaalwereld rolde als een kluwen vechtende dorpelingen door radio- uitzendingen en krantenpagina’s toen in 1995 twee vertalingen van Baudelaires Fleurs du mal kort na elkaar verschenen. De ene versie, van de gevierde vertaler Peter Verstegen, was rijmend en in strak metrum, en geschreven in minder dan drie maanden. De andere, van de armlastige, in Groningen wonende Baudelaire-adept Petrus Hoosemans, bleef dicht bij de Franse tekst en kwam er pas na twintig jaar opzichtig schrappen en zwoegen.

Hoosemans gunde Verstegen zijn Baudelaire niet, en begon ijverig met het opstellen van lijsten met fouten. Verstegen pareerde menige aantijging, maar bleek het op één punt met zijn antagonist Hoosemans eens. Het woord «dessous» had hij niet mogen vertalen met «ondergoed», en zeker niet in combinatie met het bijvoeglijk naamwoord «lorrige». Dat had het in Baude laires tijd nooit kunnen betekenen, zo gaf hij toe. In een tweede, herziene druk heeft Ver stegen zijn vertaling op dit punt aangepast. Naaijkens vond dat jammer, en schreef, zoals te lezen is in De slag om Shelley: «Is dat Nederlandse ondergoed geen schitterend extra?» En: «Het zijn de normen die onder foute en goede vertalingen steken, die je met een academische functietoets boven water wilt halen. In die zin zijn alle vertalingen vruchtbaar en is de fout helaas verbeterd — in mijn ogen niet tot meerdere glorie van Baudelaire, die indertijd weleens gretig dat lorrige ondergoed zou hebben buitgemaakt.»

Naaijkens nu: «De vertaling van Verstegen kan prima bestaan naast die van Hoosemans. Als er één absolute vertaling bestond, dan zouden alle andere vertalingen en vertaalkritieken overbodig zijn. Je norm staat vast: zo moet het en niet anders. Maar ‹vertalen wat er staat›, de opdracht van Karel van het Reve, is een holle frase. Er staat namelijk van alles. Een vertaling is een interpretatie. Meer niet. Maar daarom juist zo interessant. Daarom slaat zo’n discussie als die tussen Hoosemans en Verstegen ook altijd dood. Als de een zegt: dit staat er, en niet wat jij hebt geschreven, dan ontkent hij de vertaling van die ander. En dat is onmogelijk, want die vertaling is immers ook ontstaan, is dus ‹een› vertaling, misschien niet naar ieders smaak, maar van goed of fout is moeilijk te spreken.»

Maar wat schieten vertalers op met de rela tivistische, door het postmodernisme aangevreten opvatting van de vertaalwetenschap? Ton Naaijkens: «Juist door het naast elkaar bestaan van verschillende vertalingen kan de vertaalwetenschap de effecten van verschillende versies nagaan. Neveneffect is wellicht dat vertalers er iets aan hebben — het is handig en verstandig te zien welk effect een vertaling sorteert. De wetenschap neemt waar en wijst op verschillen, maar het is aan de vertaler uit het palet te kiezen. De aloude verwachting dat de wetenschap vertalers helpt, is begrijpelijk, maar ongegrond. Daarvoor moet men maar naar het, overigens uitstekende Steunpunt (Nederlands-Vlaams Steunpunt Literair Vertalen — red.). Dat Steunpunt zorgt met speciale cursussen voor deskundigheidsbevordering, en met een mentoratenprogramma hoopt het de professionalisering van beginnende vertalers te stimuleren. Ook zo’n vertaalwedstrijd is natuurlijk toe te juichen. Want al bestaan er geen fouten voor de vertaalwetenschap, dat wil nog niet zeggen dat verschillende interpretaties onvergelijkbaar zijn. De ene voldoet beter dan de andere.

Niet voor de vertaalwetenschapper, maar wél voor de vertaler is er sprake van concurrentie. Je wilt het beter doen dan de ander. Bij een vertaalwedstrijd is heel duidelijk wie daarbij de beoordelaar is: de lezer. In dit geval een jury. Wat mij betreft had die niet alleen uit vertalers hoeven bestaan. Ook had het van mij niet gehoeven dat de te vertalen teksten nooit eerder verschenen in het Nederlands. Het is juist interessant om te zien hoe nieuwe oplossingen worden gevonden voor oude problemen. Mede daarom doe ik in mijn boek een pleidooi voor een vertaalgeschiedenis. Literatuurgeschiedenissen zijn er te over, maar nooit brengt men de manieren bijeen waarop door de eeuwen heen over vertalen is gedacht. Zelf heb ik zo’n geschiedenis geschreven van in het Nederlands verschenen gedichten van Shelley. Kloos meende het alleenrecht op die poëzie te hebben, maar uiteindelijk zijn de meeste vertalingen van Verwey, die volgens Kloos niet dichtte uit ‹de diepste diepten van de ziel› maar zich bezondigde aan ‹verstandelijke versfabrieken›. Zo’n geschiedenis zegt veel over de vertalers, en daarmee over de poëzieopvattingen van de literaire kringen waarin zij zich begaven. Zelfs de modder die de heren naar elkaar smeten, is gekleurd door de tijd.

En neem nu zo’n Marko Fondse, die heeft na 25 jaar zijn eigen vertaling van De meester en Margarita herschreven, het werk als het ware hertaald. Die twee vertalingen zijn prachtige documenten voor een eventuele vaderlandse vertaalgeschiedenis. En opnieuw geldt: hoe meer vertalingen, hoe beter. Elke vertaling, ook een slechte, is er één meer en is dus pure winst.

Zelf heb ik ook niet de pretentie dat mijn Celan-vertalingen de beste en laatste zijn. Over enkele jaren komen er nieuwe, die beter aansluiten bij de taal, cultuur en gedachte wereld van die toekomstige tijd. Vertalingen zijn fases in het proces van verwoording. Geen enkele is daarom onverbeterlijk.»