De opkomst van de groene gevel

Een verticaal park voor de deur

In Milaan wordt dit jaar een flat in gebruik genomen met een gevel van struiken en bomen; een nieuw hoofdstuk voor de stadslandbouw. De moderne plaggenhut weert warmte en voorziet in energie, fruit en bloemen. Maar wie gaat dat bos snoeien?

Worden de hangende tuinen van Babylon (zesde eeuw voor Christus volgens de overlevering) anno 2013 dan toch werkelijkheid? Het zou zomaar kunnen. Ook al waren die Babylonische tuinen in strikte zin geen verticale tuinen maar begroeide terrassen die als een cordon om de stad lagen en zo een weelderig front vormden tegen potentiële belagers. De mythe heeft zijn werk gedaan. Want of die tuinen werkelijk bestaan hebben, is onzeker. Al helemaal als je naar het hedendaagse Bagdad kijkt dat, oorlog of niet, allesbehalve groen lijkt.

We spreken dan ook niet over hangende tuinen maar verticale tuinen, en die bestaan echt. De pagina’s op de site van ontwerper Patrick Blanc, bekend van Musee du Quay Branly in Parijs, staan er vol mee. Daarover zo meteen meer. Het allernieuwste is namelijk een gevel van algen die begin mei op de bouwbeurs in Hamburg werd gepresenteerd. Het is een vinding van het ingenieursbureau Arup, het bedrijf Colt International uit Cuyk en een Duits wetenschappelijk instituut. Algen, bah glibberig en wellicht riekend, is de eerste reactie die opkomt, maar deze algen zijn gedomesticeerd als het ware. Ingepakt in glaspanelen. Hoe meer zonlicht op de glaspanelen valt, hoe sneller de algen groeien, zoals ook gebeurt met stilstaand water in de zomer. Volgens de bedenkers vormen ze aldus een ideaal zonweringsysteem. Ik moet even technisch worden: meer zonlicht, meer algen, meer fotosynthese en dus meer schaduwwerking. Een deel van de biomassa wordt omgezet in biogas. Met behulp van een wisselaar kan de thermische warmte van de vloeistof in het systeem direct gebruikt of opgeslagen worden. Deze duurzame energie wordt dan gebruikt om een gebouw in zijn energiebehoefte te voorzien.

Dat lijkt de aantrekkingskracht van een groene gevel, of die al dan niet met algen is gevuld. De hitte wordt geweerd, of in het alternatieve geval: het overschot wordt opgeslagen in accu’s om in de winter te worden gebruikt. Het probleem van de hedendaagse gebouwen en woonhuizen is niet dat ze te koud zijn maar te warm, veroorzaakt door computers en rigoureuze isolatie.

Gelukkig zijn er dus planten. Welbeschouwd keren we daarmee terug naar het concept van de plaggenhut, ‘s winters redelijk warm (naar we aannemen), ‘s zomers betrekkelijk koel. De plaggenhut van nu ziet er beslist anders uit dan het Drentse exemplaar in het Openlucht­museum. In Milaan wordt eind dit jaar een flat in gebruik genomen met een gevel van struiken en bomen. Dat die het (zon)licht weren, ligt voor de hand, maar de initiatiefnemers wijzen nog op een ander voordeel: de bewoners kunnen straks boeketten snijden uit hun eigen voortuin op zes-hoog, of citroenen en sinaasappelen plukken. Waarmee het Milanese experiment een nieuw hoofdstuk toevoegt aan de opzienbarende opkomst van de stadslandbouw. Voor architecten lijkt me dit wennen, want het is niet zozeer hun ontwerp dat de dienst uitmaakt als wel de natuur. De flat wordt als het ware geleast van de hovenier. Het gezichtsbepalende aspect is het gewas dat als een groen gordijn rondom hangt. Wat voor effect dat heeft op het interieur van de woningen, is nog onbekend: je zou flauw kunnen zeggen dat de bewoners door de bomen de stad niet meer zien, maar misschien hebben ze daar geen behoefte aan. Een verticaal park pal voor de deur, daar valt ook wat voor te zeggen.

Op internetsites wordt al smalend commentaar gegeven op het Milanese experiment, zoals ‘wie gaat dat bos snoeien, wie is verantwoordelijk voor de opbrengst en het onkruid, en wat te doen met de wortels?’ Dat is natuurlijk te voorkomen. Zoals het vee is terug­gedrongen naar de stal, zo is ook het geboomte geknecht in potten of zodanig gemodificeerd dat de groei beperkt blijft. Denk maar aan de appel- en kersenbomen op stok.

De verticale tuin of beplanting op niveau deed zijn intrede in het Nederlands paviljoen op de Wereldtentoonstelling van Hannover in 2000. Indertijd werd het ontwerp van mvrdv terecht geprezen om zijn voorzienigheid en de durf om een gevel van een regengordijn te voorzien en daaronder een etage te vullen met een bos. Een nieuwe zelfvoorzienende biotoop was geboren.

Je hebt de neiging de verticale tuin in de architectuur te plaatsen in de ecologische hoek en het eerder genoemde modeverschijnsel van de stadslandbouw. Maar in feite is het niets anders dan een logisch vervolg op het sedumdak (beplant met vetplanten en mossen). Totdat eerder dit jaar het nieuwe Paleis van Justitie in Amsterdam werd gepresenteerd. Een overheids­gebouw nota bene. Zoals passanten inmiddels hebben kunnen vaststellen is de rechterlijke macht weggeborgen achter een hagelwitte betegeling, maar wie schetst mijn verbazing dat in het hart van het gebouw een groene wand oprijst in de patio. Justitiemedewerkers kunnen dus in een gestoffeerde omgeving hun sigaret opsteken. Collega-architecten deden een beetje laatdunkend over dit ontwerp van Felix Claus, in de trant van ‘straks zijn de planten dood en houd je een mislukte wand over’. Kan. Goed irrigeren, lijkt me. Justitie moet een hovenier inhuren.

Voor Claus was het een bewuste keus, alleen al vanwege het contrast met de eerder genoemde aalgladde witte gevel. In het masterplan, waar dit ‘justitie-eiland’ uit voortgekomen is, was een snede voorzien, een breuk tussen de twee bouwdelen. Om die snede te accentueren koos de architect voor een opvallende, groene gevel. Het is, aldus Claus, een variant op een gemetseld patroon in een baksteen gevel, alleen wordt het patroon nu bepaald door bloeiende planten. Zo krijg je vanaf de Prinsengracht in de toekomst het verrassende gevoel dat je naar een park kijkt – alleen staat het rechtop.

Claus vermoedt dat er al meer groene gevels voorkomen in Nederland, vooral op initiatief van particulieren. Intussen heeft ook het Utrechts bureau Coppijn, bekend van de tuin rond het Rijksmuseum, deze vorm van landschaps­architectuur opgepikt. Er is een aparte afdeling opgericht die zich bezighoudt met onderhoud en garantie. Want je wil natuurlijk niet dat het verticale struikgewas afsterft. Dat is de dood in de pot. In afwachting van de groei en bloei van de rechtbankwand moeten we voor de spectaculaire voorbeelden voor­lopig naar Frankrijk. De eerder genoemde Patrick Blanc verraste Parijs een kleine tien jaar geleden met de begroeide gevel van het Musee du Quay Branly aan de Seine, het museum dat oud-premier Jacques Chirac ‘cadeau deed aan de Fransen’. Blanc plakte als het ware een grondpakket tegen de betonnen gevel, voorzag die van een soort douchegordijn waardoor grassen, varens en vetplanten niet bij de eerste de beste regenbui omlaag dropen. Dat ‘douchegordijn’ (van vilt bijvoorbeeld) is voorzien van pockets waarin de planten gestoken worden en gaan wortelen. Het is deze achtergrond of ondergrond die garant staat voor de juiste vochtigheid waardoor de wand tot bloei kan komen.

Hoewel er ook tegenslagen zijn, omdat aan de noordkant van Musee de Quay Branly prille planten en bloesems door de wind werden weggeslagen, liep het juist aan de rustige oostkant goed af met de groene wand. De verticale tuin is niet overal toepasbaar: te veel zon is dodelijk maar winderigheid dus ook. Blanc, een botanicus, is dankzij de groene muur in Parijs een voorvechter geworden voor deze vorm van verticale landschapsarchitectuur. Hij heeft zijn sporen achtergelaten in Beiroet, New Delhi, Singapore en Hongkong, in officiële gebouwen maar ook als decoratie in hotels. Net als Felix Claus experimenteert hij met patronen en vlakken waardoor de groene wand kan concurreren met het wandtapijt of patchwork. Een van Blancs mooiste en meest functionele groene muren trof ik naast Caixa Forum in Madrid, een voormalige elektriciteitscentrale die door de architecten Herzog De Meuron is getransformeerd tot een kunsthal. Na sloop van een paar hoofd­gebouwen bleef er een blinde muur over die nu als een verticaal park beschutting biedt aan de openbare ruimte. Die verandert, want dat is de charme van de verticale tuin, voortdurend van kleur en textuur. Levendigheid en onvoorspelbaarheid, dat zijn de zichtbare voordelen.

Dat een groene wand uitkomst kan bieden, bijvoorbeeld bij geluidsschermen langs de snelweg, was al bekend. Het is hooguit vreemd dat daar de laatste tijd niet verder mee is geëxperimenteerd. Het experiment is verschoven naar de stad waar tot dusver de bemoste daken zich bewezen hebben als een deugdelijke dakbedekking. De wand komt daar nu bij. Met name particulieren stellen Blanc vragen voor hun zelfbouwprojecten over de ondergrond, het effect op de dragende muur en de aard van de beplanting. Het spreekt vanzelf dat niet elke plant wil wortelen in een zakje van vilt. Blanc was daarom opgetogen over de vondst van een begonia in de Filippijnen in 2011 die goed gedijt in een pocket.

Mocht deze gevelbekleding zich verder ontwikkelen, dan ontstaat er geleidelijk een ander soort architectuur. Een nieuwe zachtheid. Een groene gevel. Verrassende patronen. De openbare ruimte zal er veel mee winnen. Het stedelijk klimaat knapt ervan op, het lawaai wordt op deze manier ingenieus bestreden en de gevel kleurt met de seizoenen mee. Trouwens, er is niets nieuws onder de zon: een eeuw geleden bekleedden onze voorouders de gevel al met klimop en clematis. Alleen hadden die als nadeel dat ze het metselwerk binnendrongen. Dat is met de groene gordijnen niet het geval. Nu nog een listig irrigatiesysteem. Medewerkers van Blanc raden de goedkoopste bevochtigings­apparaten aan. Daarmee houden we de glazenwassers buiten.