Een vet jaar

De jury van de C. Buddingh’-prijs laat met haar nominaties voor 2018 zien dat nieuwe poëzie nog altijd moeilijk mag zijn, experimenteel, politiek en (zelf)kritisch.

Medium 18 18 a

En bijna waren drie van de vier genomineerde debuutbundels voor de C. Buddingh’-prijs 2018 geschreven door dichters met een achtergrond (volledig of deels) buiten de grenzen van de Benelux. Dichters van kleur bovendien. Alsof voor de Libris Literatuurprijs naast Esther Gerritsen ook Karin Amatmoekrim, Rashid Novaire, Yasmine Allas, Astrid Roemer en Rodaan Al Galidi genomineerd zijn.

Schrijf je in voor de maandelijkse Boekenbrief van De Groene Amsterdammer, Athenaeum Boekhandel en De Gids en ontvang de beste literaire essays, recensies en boekentips in je mailbox

Simone Atangana Bekono’s hoe de eerste vonken zichtbaar werden zit echter niet bij de vier uitverkoren bundels die in deze dertigste editie meedingen naar het etiket ‘beste Nederlandstalige poëziedebuut’. Al had dat zomaar gekund, want Bekono’s bundel zit vol ijzersterke, associatieve regels die getuigen van een intrigerend vormgegeven bewustwordingsproces, en de lezer mag meezoeken:

we lopen lichaamloos van het duin naar de zandweg
en van de zandweg naar de provinciale weg en naar het dorpsplein
en op het dorpsplein kijken ze ons na
en wij maar lachen
hierna vergat ik het punt dat ik wilde maken

Wat hebben afkomst, kleur en identiteit in godsnaam met goede poëzie van doen, we gaan van de poëzie toch geen politiek correcte gebeurtenis maken, we gaan de randzaken toch niet opblazen zeker – u zult het wellicht allemaal denken. Nu ja, die randzaken zijn natuurlijk niet helemaal onbelangrijk. Het gaat hier immers niet om een uitstraling van zogenaamde diversiteit die op de eerste plaats vooral cosmetisch is; de verhalen die worden verteld door dichters als Bekono (‘alle zwarte mensen identificeren zich met verdronken mensen’) of Michael Tedja in zijn bundel Regen uit 2015 (‘Cultureel divers was de ideale steunkleur’), vergroten de inhoudelijke reikwijdte van de Nederlandstalige poëzie.

Niettemin heeft de jury van deze jaargang niet – mag ik aannemen – naar dit soort zaken gekeken, maar naar de poëzie: hoe staat en werkt het op papier. En daar zal ze het nog moeilijk genoeg mee hebben gehad. Zo debuteerde de eveneens niet genomineerde Dominique De Groen met een opvallende conceptbundel, of epos, Shopgirl – een bundel waarin het lyrisch ik de wereld van arbeid en kapitaal problematiseert, en tevens zichzelf en haar taal. Deze politieke en kritische dichtbundel is voor de argeloze poëzielezer wellicht een brug te ver, maar Shopgirl is een verleidelijke tekst, vooral vanwege de hyperzelfbewuste, anonieme stem die hier aan het woord is:

Ik vind mijn lichaam terug
aan het einde van een supply chain
die non-stop in mij leegloopt.

Ook Stalker van Joost Decorte, Mijn grote schuld van Laurens Ham, De wereld onleesbaar van Jeroen van Kan, Zonder titel zonder jaar van Nicolaas Matsier, We komen van ver van Carmien Michels en Vertraagd stilleven van Dorien De Vylder zouden in jaren met minder concurrentie zeker zijn genomineerd.

De driekoppige jury, bestaande uit Charlotte Van den Broeck, Jeroen Dera en Antoine de Kom, koos echter voor Bokman van Dean Bowen, Habitus van Radna Fabias, Voor het ideaal, lees de schaal van Elisabeth Tonnard en Vloekschrift van Arno Van Vlierberghe. Bundels die stuk voor stuk laten zien dat nieuwe poëzie nog altijd moeilijk mag zijn, meerduidig, associatief, experimenteel, politiek en (zelf)kritisch. In een tijd waarin het ouderwets schijnt te zijn om gewoon met een boekje in een hoekje gedichten te lezen en te herlezen, zonder toeters en bellen of applausmeters, bewijzen deze bundels dat de vormen waarin poëzie kan bestaan nog altijd kunnen worden opgerekt.

Het ambitieuze Bokman van Bowen (1984) is de weerslag van een zoektocht naar nieuwe betekenissen, naar een herschreven, alternatieve geschiedenis. Het is een omvangrijke tekst die de woede en de versplintering van de dichter zelfverzekerd presenteert, zoals in hiphop wel gebruikelijk is, bijvoorbeeld in het gedicht Terra belle:

Ik ben als bezit, lichter dan vader of moeder geboren.
Ik ben van een nieuwe collectie, gescheurd uit een afgeworpen huid.
Ik ben een religieuze nagalm. Aanwas van een europese vervuiling,
niet winti.
Ik ben uit ambacht vervaardigd.
Ik ben niet jouw neger. Een onvoltooide belofte tussen de wereld en mij.
Ik ben uit een verhaal van geboren mensen geboren.

‘Ik ben een religieuze nagalm. Aanwas van een europese vervuiling, niet winti

De dichter is in deze tijd al lang niet meer een min of meer alwetende en coherente ik, maar Bowen koppelt daar nadrukkelijk zaken als racisme, postkoloniale geschiedenis en dekolonisatie aan vast – de goede verstaander herkent antecedenten als James Baldwin en Ta-Nehisi Coates. De opeengestapelde statements vullen elkaar aan juist omdat ze elkaar weerspreken, met frasen als ‘Ik ben vierkant kinderspel’, ‘Ik ben de maliënkolder’, ‘Ik ben de zelfnegatie’ en ‘Ik ben de geest in de huls. Witgewassen cultureel erfgoed’. En dan zijn dit nog regels in de Nederlandse taal. Maar ook Surinaams, Frans, Arabisch, Portugees, Turks, Duits en Engels komen voorbij, vooral in de laatste afdeling ‘Chansons de diaspora’:

dit mens e waka leki wan drunguman
voorbij zijn oorsprong; een gemeenschappelijkheid
for the break of an overmorgen die in haar stedelijke
reuring een canvas voor ons ontvouwt
a skribieman no de santa

Meertaligheid biedt een uitweg uit het keurslijf van een opgedrongen, versleten en ingesleten narratief. Maar bovenal laat Bokman zien dat identiteit een klankkleur heeft, en een kakofonische kluwen is.

In Vloekschrift van Arno Van Vlierberghe (1990) wordt de poëzie zelf op de proef gesteld en uitgedaagd:

Laten we de poëzie laten voor wat ze is.
Laten we bewonderen hoe Hip Hop het graf van de poëzie delft.
Laten we erkennen dat zo’n eerlijkheid ons niet ligt.

Het moet anders: ‘Hysterische poëzie, waar blijf je?/ Niemand schrijft je.’ Of Vloekschrift een hysterische bundel is waag ik te betwijfelen, maar een harde bundel is het wel, hard voor de wereld en voor zichzelf. De dichter poseert, is zich van die pose bewust, en schiet intussen alle kanten op, op zoek naar – ja, dat is de vraag. Wat zoek ik, ‘Arno Van Vlierberghe’, als jonge, (witte) westerse stedeling? Als ‘hyperpersoon,/ alleen in de ruimte’? Oprechtheid? Authenticiteit? Wezenlijk lichamelijk contact? Kan ik nog wel met droge ogen naar de invulling van dat soort begrippen verlangen? En verlang ik eigenlijk wel en wat ís dat, ‘verlangen’? Ook in Vloekschrift is een hyperzelfbewuste, gedepersonaliseerde en kritische stem aan het woord, die zichzelf zo uitvoerig becommentarieert dat niets nog zonder ruis ervaren wordt: ‘Een Arno mist zijn vader./ Een Arno mist al jullie vaders.’ Politiek jargon maskeert het stuurloze en het ontheemde karakter van deze teksten, die Van Vlierberghe liever bestempelt als ‘zones’, die nadrukkelijk tijd- en plaatsgebonden zijn. Achter de radicale hang naar radicaliteit wordt ook weer een vraagteken geplaatst, wat maakt dat ik als lezer nadenk over wat dat nu precies voor een constructie is, zo’n ‘authentieke stem’: ‘Ik wandel de Vooruit binnen en zeg iets in mijn eigen stem.’ Vloekschrift denkt met mij mee en blijft me steeds een stapje voor. Net als ik denk, het wordt nu wel erg cynisch, is deze houding niet wat makkelijk, lees ik: ‘Hoezo “cynisch”?’ Over Voor het ideaal, lees de schaal van Elisabeth Tonnard (1973) en Habitus van Radna Fabias (1983) heb ik het hier eerder gehad. Tonnards officiële poëziedebuut is een zeer precies geschreven werk, dat in verschillende afdelingen ogenschijnlijk transparante teksten presenteert die tegelijkertijd het idee van artistieke oorspronkelijkheid in twijfel trekken: wat is geleend, wat is ‘bedacht’, wat is gerecycled, wat is ‘gezien’ of ‘gehoord’. Torso is daar een intrigerend voorbeeld van:

Zij zit op de zwemweide aan de wiel van Asperen,
tikt as op de grond rondom zich en blaast geparfumeerde rook.
De lichaamsbouw is vierkant, als van een prehistorische mens,
de kop klein, verweerd, tanig op de schouders.

Is deze mens getransporteerd uit een andere tijdzone? Het gedicht gaat niet op dit soort vragen in, zoals Tonnard, anders dan Van Vlierberghe of Bowen, überhaupt nergens tussenbeide komt in deze bundel: het beeld blijft beeld, en ik kan daarmee doen wat ik wil. Toch is dit geen cerebrale poëzie, integendeel: ‘Ze luistert op haar handdoek naar een transistorradio,/ gaat af en toe staan en kijkt onrustig uit over de omgeving en het water.’

En dan Habitus van Fabias. Wat een terechte nominatie, de overgave spat van de pagina’s. Zomaar een fragment uit deze barstensvolle, gulzige en gulle bundel:

de teruggekeerde migrant is de bar annex toko is
de drank in de hand van de dronkaard is
de dronkaard die in dezelfde hoek op dezelfde stoel is dezelfde
diabetische dronkaard die daar jaren geleden ook
zat de teruggekeerde migrant is verlamd op diezelfde stoel is die stoel
is fantoompijn

Ook in Habitus staan veelal lange, veelvormige, gefragmenteerde gedichten, en ook hier is sprake van een doorlopend verhaal, van een onontkoombare samenhang tussen de gedichten onderling. Ook in Habitus spreekt een kritische, zelfbewuste stem, maar tevens is hier ruimte voor ambiguïteit en zelfspot, die niet alleen voor lucht zorgen, maar het verhaal dat Fabias te vertellen heeft schrijnend en aansprekend maken.

Vier sterke, thematische debuutbundels. En het hadden zomaar zes nominaties kunnen zijn. Of alle vier geschreven door een vrouw. Dat van die appels en peren kennen we onderhand wel, dat heb je nu eenmaal met literaire prijzen. Het cliché van kop en schouders is lastiger dit jaar. Ik geloof dat mijn voorkeur uit gaat naar de bundels van Tonnard en vooral Fabias, maar ik ben er nog niet uit.

En dan ben ik niet eens met z’n drieën.