Een veteraan en zijn oorlog

Luitenant-generaal b.d. T. Meines, voorzitter van het Veteranen Platform. Natuurlijk tegen het visum voor Poncke Princen en tegen een debat over Indonesie. Maar ook oud-verzetsman die tientallen joodse kinderen onderbracht.

TWEE LIJNEN beheersen het leven van luitenant-generaal Ted Meines: strijdbaarheid en aandacht voor wat hij noemt ‘het mensvraagstuk’. In zijn beroepsleven als militair kwamen die lijnen niet altijd bij elkaar. Hij was als plaatsvervangend kwartiermeester- generaal vooral verantwoordelijk voor aankoop en onderhoud van het materieel van de Koninklijke Landmacht. Maar voor die tijd, toen hij als verzetsman joodse kinderen onderbracht in Zuid-Limburg, de Betuwe en Twente, vielen strijdbaarheid en aandacht voor het menselijke wel geheel samen. En ook nu, na zijn pensionering, als voorzitter van het Veteranenplatform, waarin hij niet minder dan 160.000 oud-militairen heeft weten te verenigen, voelt hij weer dat hij zorg voor de mens en vechtlust kan combineren.
De televisiekijker kent hem vooral als de man die kortaf 'nee’ zegt: tegen de komst van Poncke Princen, tegen een Indie-debat. Ikzelf ken hem vooral als oud-verzetsman van de NV-groep, de groep die tijdens de oorlog ook mijn leven als joods kind heeft gered. Daarom wilde ik graag met hem praten over zijn verleden en zijn huidige opvattingen, waar ik het lang niet altijd mee eens ben.
Hij spreekt over het 'zogenaamde niet-verwerkte verleden van Indie’, maar hij erkent dat veel Indie-veteranen in de jaren tachtig, toen hun werkzame leven beeindigd was, voor grote vragen kwamen te staan. Vragen als: wat heb ik eigenlijk in m'n leven gedaan en wat heeft de Nederlandse samenleving voor mij gedaan? Zelf kijkt hij tevreden op zijn leven terug. Hij is als 22-jarige in het verzet gegaan en heeft in 1945 dienst genomen als oorlogsvrijwilliger. Daarna heeft hij carriere gemaakt als beroepsmilitair en heeft hij als algemeen directeur de Nederlandse Hartstichting geleid. Vervolgens wist hij de vele verschillende veteranenorganisaties in het Veteranenplatform bijeen te brengen.
'Het was ook het avontuur dat trok’, zegt hij nu, 'laten we daar eerlijk over zijn. Toen de oorlog was afgelopen, was ons eigen grondgebied in Indie nog niet vrij, daarom ben ik toen vrijwillig in dienst gegaan. Maar er zat ook een stukje avonturisme in. En dat gold ook toen we tijdens de oorlog jullie als joodse kinderen hielpen.’
TED MEINES IS in 1921 in Leeuwarderadeel, in Friesland geboren in een orthodox gereformeerd gezin. Hij herinnert zich hoe hij in de jaren dertig mee mocht met z'n vader, die bij de spoorwegen werkte en opkwam voor de belangen van de arbeidersklasse. Zijn vader had graag gezien dat zijn zoon burgemeester zou worden en daarom begon Ted als volontair bij de gemeente. Bij de afdeling maatschappelijk hulpbetoon zag hij de ellende van werklozen die twee keer per dag moesten komen stempelen. Hij behoorde tot de lichting die in juni 1940 opgeroepen zou worden voor militaire dienst, bij de Duitse overval de maand daarvoor probeerde hij nog of hij vervroegd dienst kon nemen of anders het land uit kon komen. Maar zoals voor de meeste Nederlanders ging onder Duitse bezetting in eerste instantie het leven gewoon door. Wel was er al sprake van illegaal werk, het verspreiden van verboden informatie, illegale bladen zoals Trouw en zelfgemaakte blaadjes in Friesland. Meines: 'Daar deden we thuis allemaal aan mee.’
Zijn grootste zorg was de dreigende uitzending naar Duitsland. Hij werkte intussen bij de afdeling gemeentewerken. 'Toen de oproep kwam, heb ik me keurig gemeld en laten keuren, maar op de dag dat ik me bij het station in Leeuwarden moest vervoegen, ben ik ondergedoken. Formeel was ik weg, in elk geval hebben mijn ouders nooit huiszoeking gehad. Mijn vader kwam me wel eens opzoeken en van hem hoorde ik dat de familie Vermeer in Brunssum, waar we zoveel goede vrienden hadden, sterk betrokken waren bij het joodse werk. Ik besloot naar Limburg te gaan om te helpen. Mijn werk was onderduikadressen te vinden voor kindertjes die naar het zuiden kwamen, of ze zelf op te halen uit Amsterdam. Op een gegeven ogenblik moesten we rekening houden met razzia’s. Toen hebben we ook een week of vijf, zes met wel tien, twintig kinderen in een kelder gezeten, waar je via een soort gootsteenkastje in moest. In die tijd ben ook in spertijd opgepakt door twee landwachten, die me naar het politiebureau in Brunssum brachten. Gelukkig bleken het goede landwachters te zijn en werd ik de volgende ochtend na een interventie van tante Truus Vermeer vrijgelaten, maar ik moest weg uit Brunssum. De leiders van de NV-groep vroegen me naar Zaltbommel te gaan. Ik hoorde meer tot de jonge honden in de groep. De baas, Jaap Musch, was ouder dan wij, en hij besefte dat je niet al te wild te werk moest gaan. Wij jongeren deden het niet allemaal alleen maar uit christelijke overtuiging.’
De kinderen in de Bommelerwaard kwamen meestal niet meer uit Amsterdam; het ging vooral om kinderen uit Limburg die een nieuw adres nodig hadden. Meines zat vaak, als 22-jarige, met met kleine kinderen in de trein. 'Dat vonden mensen ongetwijfeld vaak vreemd, maar ik denk dat ze blij waren dat iemand anders het wel deed. Je werd als het ware bewust of onbewust door hen in bescherming genomen. Later besefte ik dat ik vaak door het oog van de naald was gekropen dank zij de apathische Nederlandse bevolking. Voor ons gold wat ik de “dan maar”-conventie noem. Dat komt uit het bridgen: je biedt twee klaver, twee ruiten en “dan maar” drie sans. Het idee: laten we dan maar iets doen, al is het misschien niet doordacht of wetenschappelijk gefundeerd. Als commandant heb ik ook vaak besluiten moeten nemen. We zeiden: altijd doen. Anders is er een potentieel slachtoffer. Dat is weer dat strijdbare, dat avontuurlijke.’
Later ging hij naar Twente. Daar was het kinderwerk, zoals Ted Meines zegt, door de spoorwegstaking 'statisch’ geworden: iedereen moest blijven zitten waar hij zat. Hij kreeg huiduitslag en wilde terug naar Friesland. Was het hem eigenlijk een beetje te tam? Ted Meines, verontwaardigd: 'Jongen, nee, het was de grootste uitdaging die je maar kon hebben. Want wij waren met levend materiaal bezig, het waren geen krantjes die je rondbracht, maar mensen, kinderen die ons eigen werden. Ik heb dat altijd gezien als een combinatie van het menselijke en het strijdbare en ik ben heel dankbaar dat ik dat heb mogen doen.’
Zit het avonturrlijke dus niet per se in zelf vechten? 'Nee, ik ben niet zo'n havik. Als het moet, doe ik het, maar ik ben meer de man die probeert ergens met een adequate voorbereiding en een dialoog te komen. Vandaag de dag zie je me ook niet in Leeuwarden met een bord rondlopen om te demonstreren tegen Graa Boomsma. Ik ga wel met de minister-president praten en met Van Mierlo. Ik probeer met hen in een dialoog te komen.’
NA DE BEVRIJDING in 1945 was zijn lichting niet meer dienstplichtig, maar hij meldde zich onmiddellijk om naar Indie te gaan, evenals andere leden van de NV-groep die al eerder in het zuiden waren bevrijd. 'Dat had niets te maken met koloniale politiek. Ik ben naar Indie\ gegaan, omdat het nog altijd een deel was van ons koninkrijk.’
Voorlopig echter volgde hij eerst in Engeland een officiersopeleiding, om vervolgens in Nederland anderen op te leiden. Pas in de zomer van 1949 werd hij naar Indie uitgezonden: 'Het was de periode na de twee politionele acties, toen het daar volstrekt een warboel was geworden. Het was de tijd dat de overstap moest worden gemaakt van het koloniale bewind naar de republiek. Westerling was daar actief, dat heb ik als bijzonder positief ervaren, maar je moet natuurlijk oppassen dat je dat nooit in het extreme doet. Je kunt wel spreken vanuit de kennis die je nu hebt, maar dat is pietepraat. Daarom verfoei ik ook wat die Jantje Pronk allemaal vertelt, die met z'n ervaring van nu zegt dat we dat toen zo niet hadden moeten doen. Je weet niet alles vooraf, je reageert op dat moment.
Ik zie me nog in het Bantamse. Ik heb daar nog achter Poncke Princen aan lopen jagen. Soms vlogen de kogels om je oren. Maar we deden in die tijd veel meer aan bestuurlijke hulp, geneeskundige hulp, waterleiding. In december 1949, na de soevereiniteitsoverdracht, ging ik afscheid nemen, toen stonden ze met tranen in de ogen. Ik had daar ook kunnen blijven, ik was aangewezen om Indonesische officieren op te leiden, maar ik heb toen gevraagd om te worden teruggestuurd naar Nederland. Later in Breda heb ik toch weer Indonesiche officieren opgeleid.
Wat ik er van heb geleerd? Behalve dat ik in Bandoeng mijn echtgenote heb gevonden, heb ik in die tijd geleerd dat een paar honderd diensplichtige mannen aan je zorgen zijn toevertrouwd en ik heb elke dag tegen mezelf gezegd: Ted, je moet zorgen dat je die jongens uiteindelijk weer als een onbeschadigd mens aan hun ouders kunt teruggeven. Wij konden niet elke dag naar huis bellen, zoals die jongens in Joegoslavie nu.’
Hoe verklaart u het dat met name de oud- Indie-veteranen zo gefrustreerd zijn en hun emoties vaak zo hevig en extreem uiten?
'Laat ik beginnen met het onstaan van mijn Veteranenplatform, want in 1988, 1989 lukte mij wat prins Berhard in de jaren zestig niet is gelukt: namelijk 32 organisaties van veteranen bijeen te brengen, zo'n 160.000 mensen. Mede door onze inzet is de overheid nu gekomen tot een veteranenbeleid. Maar het jammere is dat dat buiten ons om is gemaakt. Dat heb ik Relus ter Beek, die een vrind van me is geworden, ook verweten. Nu is er wel een klein stukje erkenning gekomen, in Utrecht is er nu de Stichting Dienstverlening Veteranen, daar is een stukje immateriele zorg in wording.
Maar de regering heeft nagelaten de Indie-veteranen ook een symbolische materiele hulp te geven. Volgens de wet konden de dienstplichtigen maximaal twee jaar in dienst worden geroepen; het merendeel is daar echter langer geweest. Alleen voor degenen die langer dan vijf jaar hebben gediend, heeft het parlement na veel problemen geld beschikbaar gesteld. Maar voor de anderen dus niet, dat steekt de veteranen, en terecht.
De Indie-veteraan heeft ook altijd gevoeld dat hij werd nagewezen en dat wij in het dekolonisatieproces een slechte rol hadden gespeeld. Zulks moet ik van de hand wijzen. Wij hebben niets anders gedaan dan wat de toenmalige regering en het toenmalige parlement ons heeft opgedragen. Dan moet je die mannen en vrouwen niet thuis ontvangen als moordenaars en oorlogsmisdadigers, dan moet je ze dankbaar zijn voor wat ze hebben gedaan. En die dankbaarheid hebben we nog nooit gehad.’
Is er dan niet juist een politiek debat nodig om de verantwoordelijkheid te leggen waar hij thuis hoort: niet bij de individuele veteranen maar bij de toenmalige regering, zoals Mansholt als enig nog levende minister van dat kabinet ook heeft erkend?
'Mansholt moet ophouden met zijn geouwewehoer. Hij doet niets anders dan zeggen dat hij als hij destijds had geweten wat hij nu weet, als minister dat besluit niet had genomen. Maar dat is een gepasseerd station. Daar moet eens een keer een streep onder worden gezet. Wij hebben als veteranen geen behoefte aan een debat. Die behoefte wordt ons opgedongen door jullie, door historici en pseudo-historici en door de media die zo graag met het vingertje willen aanwijzen wie er fout is geweest.’
Maar het zijn toch de veteranen die zoveel stampei maken over Poncke Princen of Graa Boomsma?
'Natuurlijk, omdat die veteraan zich dan weer gekrenkt voelt. Daarom heb ik telkenmale beklemtoond dat we hier in godsnaam mee moeten ophouden. Wat Poncke Princen betreft, Van Mierlo’s voorganger Kooiman zou me bij zich thuis hebben geroepen om te vragen wat er gebeurt als Poncke Princen dat visum zou krijgen. Maar van Van Mierlo krijg ik een brief dat hij weet dat hij een hoop tere snaren raakt, maar dat Poncke Princen het visum al heeft gekregen. Dan krijgt hij van mij een brief terug dat voor hem die ene man zwaarder weegt dan al die honderdduizenden die wel hun plicht hebben gedaan. Poncke Princen wordt telkenmale weer bij ons op tafel gelegd door zo'n dom besluit van de regering en het gebruik dat de media daarvan maken.’
Veel veteranen zeggen toch ook dat het zwijgen hun zo zwaar valt. Dat ze liever zien dat de regering een uitspraak doet over wat er is gebeurd.
'Er kunnen best mensen zijn die zo denken. Zo veel hoofden, zo veel zinnen. De veteraan bestaat niet. Maar zo'n dwarsoor als Jan Pronk moet niet komen vertellen dat zesduizend doden daar voor niks zijn gevallen en dat hij de deserteurs van destijds ondersteunt. Waarom rakelen we dat allemaal toch op? Probeer in de toekomst te kijken en naar wat er zich nu in de Kaukasus of in Joegoslavie afspeelt.’
Dat was ook wat Hueting wilde toen hij tijdens de Vietnam-oorlog de fouten die wij in Indie hebben gemaakt aan de orde stelde.
'Indonesie en Vietnam kun je niet met elkaar vergelijken. Zo'n Hueting wordt door onze veteranen echt niet omarmd. We moeten uit de geschiedenis leren, maar dan in dialoog. Ik ben altijd bereid geweest, ook met een overloper als Poncke Princen, te praten als er sprake was van een dialoog. Maar een dialoog veronderstelt kennis van de feiten en wederzijdse erkenning en respect. Dan heeft het zin.’
Is daar niet juist zo'n debat voor nodig?
'Elk debat, Max, leidt tot emoties en vervuilt de essentialia. De een zegt dat het wit is, en de ander zwart. Er worden emoties opgewekt en later krijg ik die geest nauwelijks weer in de fles. De kerken zijn schizofreen, die hebben er al gauw een handje van om ver weg te kijken, naar Zuid-Afrika of Latijns Amerika, maar de veteraan vlak naast ze die vanaf 1949 in geestelijke armoede heeft gezeten, laten ze verzuipen. Ook de kerken rammen de veteranen nog eens naar beneden. Dat is het effect van het zogenaamde open debat. Het leidt nergens toe dan tot het oproepen van emoties en nog grotere verwijdering van elkaar. Je kunt beter zeggen, net als in een familie: zand er over, we praten nergens meer over. En probeer die veteranen, die nu aan het eind van hun leven staan, nog een tijd te geven waarin ze het gevoel hebben dat wat ze destijds gedaan hebben, verantwoord was. Scheep ze niet af met een veteranenpas waar je geen flikker voor krijgt. Dat is de boodschap van Ted Meines, zolang hij nog in het leven staat.’