De zeloten van Cultural Studies

Een vibrerende nepstudie

De yorinisering van de literatuurwetenschap is een feit door de oprichting van Cultural Studies, dat hoge literatuur ziet als een «bourgeoisfenomeen», en reclameposters, videoclips en soaps tot onderwerp van academische studie verheft. Cultural Studies, een bastion van politieke correctheid. En een klap in het gezicht van de literatuurwetenschap.

De Franse filosoof Alain Finkielkraut stelde het vijftien jaar geleden uiterst scherp: het postmodernisme was een te betreuren opstand tegen de zogenaamde rigiditeit en overheersingsdrang van de westerse canon. Het had daartegenover de «fluïditeit» van niet-westerse literaire en kunstzinnige uitingen geplaatst. Het postmodernisme, zo legde Finkielkraut uit in La défaite de la pensée, gaf de voorkeur aan vermenging van stijlen en benaderingen boven academische tradities. De laatste werden ervan beticht vanuit een historisch, cultureel maar vooral politiek verankerde context, andere visies te hebben weggedrukt.

Finkielkraut richtte zijn verwijten in de eerste plaats op het te ver doorgevoerde eclecticisme van het postmoderne denken. Hij verzette zich fel tegen de kreet «Alle culturen zijn legitiem en alles is cultuur». Met dit in feite nihilistische ideaal was de neiging ontstaan om «echte kunst» en literaire canon de rug toe te keren. In musea doken alledaagse gebruiksvoorwerpen op die als kunst werden gepresenteerd, en schrijvers voelden zich verplicht om zich aan te passen aan de criteria van de populaire literatuur — of liever het ontbreken daarvan. Deze had als groot voordeel dat zij niet gebaseerd was op de creatieve eisen en doordachte stijlmiddelen van wat voortaan met enig dédain «de grote literatuur» zou worden genoemd. Die «grote werken» waren daarbij door individuen gemaakt die ook nog meestal mannelijk waren, bovendien blank en behorend tot de elite, terwijl de nieuwe literatuur en de blik daarop uitging van de smaak van de collectiviteit, oftewel de massa. Het arrogante eurocentrisme diende te worden uitgeroeid, en voortaan moest iedere kunstenaar of auteur zich in dienst stellen van zijn eigen stukje innerlijke Derde Wereld.

Het postmodernisme had de grens tussen «hoge» en «lage» cultuur opgeheven. Daarmee was volgens Finkielkraut een houding ontstaan die een roman van Nabokov gelijkstelde met een stripverhaal, een pakkende reclametekst met een gedicht van Francis Ponge, hardrock met Duke Ellington, voetbal met een ballet van Pina Bausch, hedendaagse soap opera’s met Verdi of Wagner. Terwijl de overdracht van de hoge cultuur langzaam verdween, werd de lage cultuur uitgeroepen tot de hoogste scheppingsvorm van de mensheid.

Finkielkraut werd in Frankrijk zowel geprezen als verdediger van de beschaving als bekritiseerd als decadentistische doemdenker. Zijn essay over het grote zwijgen van de intellectuele elite en het verval van de letteren was mooi provocerend maar leek wat overdreven. Waarom zou je bijvoorbeeld geen vraagtekens zetten bij de noodzaak van de literaire canon? Op scholen en universiteiten werden auteurs bestudeerd waarvan niemand nog wist wie zij waren en wier werk gedateerd aandeed, terwijl in dezelfde periode een nieuwe zinderende exotische literatuur op de markt werd gebracht waarin vragen werden gesteld die beter pasten bij veranderde cultuurpatronen. Maar bij dit soort vragen bleef het niet. Onder invloed van postmarxistische en postfeministische literatuurwetenschappers ontstond in Engelstalige landen een richting die de nadruk op de cultuur wilde leggen. Geheel geschoeid op postmoderne leest werden de «Cultural Studies» geboren.

Dat onder cultuur niet alleen het maken van kunst moet worden verstaan, was allang door de antropologie en de psychoanalyse duidelijk gemaakt. Dat was niets nieuws. Maar binnen Cultural Studies werden culturele producten niet langer als uitingsvormen van een gegeven cultuur beschouwd. Er werd in de eerste plaats gekeken naar de manier waarop de (kapitalistisch-racistisch-misogyne) samenleving zich in cultuurproducten manifesteert. Daarbij werd de hoge literatuur tot een «bourgeoisfenomeen» bestempeld, en vervaagde het begrip cultuur tot een bijna grenzeloos concept. Reclameposters, videoclips en soaps konden hiermee tot onderwerp van academische studie worden verheven; dit tot groot genoegen van middelmatige studenten, die de wetenschap een worst zal wezen en zich liever bezighouden met The Bold and the Beautiful en ER dan met de sonnetten van Shakespeare. Waarom zou je De Bello Gallico nog lezen als je het allemaal in Astérix kunt vinden, met plaatjes ook nog? In feite volgen de aanhangers van Cultural Studies blind het door hen zo verfoeide kapitalistische systeem van vraag en aanbod. In Nederland worden zij daarin gesteund door een onverschillige overheid en uitgebluste decanen voor wie alleen studentenaantallen en rendement tellen.

De afgelopen jaren zijn succesvolle studierichtingen als Film- en Televisieweten schappen opgericht, die studenten wegtrokken bij de meer traditionele talen- en literatuur studies en helaas tot voorbeeld moeten dienen voor vakgroepen met minder mass appeal.

Een ander effect van het verwerpen van de mannelijke, blanke bourgeoisliteratuur was dat groepen die zich onderdrukt voelden om hun afwijkende huidskleur, land van herkomst, sociale afkomst en natuurlijk sekse door Cultural Studies als door een magneet werden aangetrokken. Daar was plaats voor ieder die zich gediscrimineerd voelde, homo’s, lesbo’s, postkolonialen en vooral vrouwen die zich hevig verzetten tegen de heersende «fallocentrische» visie op de wetenschap. Zong John Lennon niet dat woman the nigger of the world is? Vanzelfsprekend legt Cultural Studies het accent op machtsverhoudingen en onderdrukking via de cultuur. De nieuwe theo rieën werden dan ook geboren uit onbehagen en frustratie, en kenmerken zich om die reden door een volledig ontbreken van humor of ironie. Cultural Studies werd snel een bastion van politieke correctheid. Het houdt zich volgens eigen zeggen bezig met een vorm van engagement die draait om het begrip identiteit, en wie kon hier beter over spreken dan voornoemde verworpenen der aarde?

Ook in Nederland hebben sommigen het licht gezien. Het recent verschenen Cultural Studies: Een inleiding (uitgeverij Vantilt, onder redactie van Jan Baetens en Ginette Verstraete) laat zien met welke onderwerpen wetenschappers zich tegenwoordig bezighouden: pratende poppen, muzak, sciencefictionfilms, de vraag of internet mannelijk, vrouwelijk of gender-ontstijgend is (het is namelijk cyberfeministisch), Big Brother, de kleuren van het Nederlands elftal en de versjes van Annie M.G. Schmidt, die volgens een van de medewerkers aan de bundel een plaats verdient tussen de Vijftigers.

Vermakelijk is het altijd weer als het verfoeilijke machisme in cultuuruitingen wordt geëtaleerd. Zo analyseert Maaike Meijer in haar bijdrage tot deze zelfverklaarde wetenschap het liedje Living Doll van Cliff Richard als een voorbeeld van een «heteroseksuele liefdesrelatie» die door de man geheel wordt beheerst. Die man reduceert zijn geliefde tot een pop, die hij in eenzelfde beweging dood maakt en toch ook een beetje levend, een «levende pop». Zij ontdekt hierin «het geweld dat kan samengaan met romantische liefde», want juist het feit dat Cliff dit lied «melodieus en lieftallig zingt», maakt deze «gewelddadige romantiek nogal sinister». In het liedje is een «triomfantelijke macho aan wie de angst knaagt» aan het woord. Een triomfantelijke macho, die godvruchtige zoetsappige Cliff, die nauwelijks voor zijn homoseksualiteit durft uit te komen omdat dit God en zijn publiek wellicht mishaagt? En Wim Sonneveld dan, met zijn Margootje? Ook een male chauvinist pig?

Meijer geeft een aantal voorbeelden van het gebruik van «popvrouwen» in liedjes en poëzie en concludeert dat de vrouw als pop een «cultuurtekst» is, een «stereotiep-patriarchale» representatie die in zoveel gedaanten voorkomt dat we kunnen spreken van een «wijdverbreid cultureel scenario, van een bekende, diepverankerde toop (gemeenplaats)». Op zich is deze uitspraak een gemeenplaats: de negentiende-eeuwse literatuur wemelt van poppen, automaten en zelfs necrofiele verlangens naar gestorven vrouwen. Waarom dit niet analyseren en in een historische context plaatsen? Ook in de film is dat een bekend gegeven: zie Grandeur nature, waarin Michel Piccoli de voorkeur geeft aan een mooie opblaasbare pop boven echte vrouwen. Dat daar een zekere angst achter schuilgaat voor overheersing door vrouwen is geen psychoanalyse zoals Meijer dat denkt, maar psychologie van de koude grond.

Cultural Studies is volgens de aanhangers geen discipline maar een «interdiscipline» waarin cultuuruitingen vanuit verschillende methodologische uitgangspunten worden geanalyseerd. Dit gebeurt lang niet altijd met kennis van zaken: dikwijls wordt er leentjebuur gespeeld bij een andere discipline en worden daar enkele concepten weggehaald die de eigen theorie moeten komen versterken. Zo is er het een en ander overgenomen van het sociaal-constructivisme, dat nagenoeg op sterven lag maar nieuw leven kreeg ingeblazen dankzij die hypocriete vorm van omgekeerd racisme en seksisme die politieke correctheid wordt genoemd. Het heen en weer swingen tussen verschillende theorieën wordt wel eens aangewezen als de grote zwakte van Cultural Studies. Veel van wat uit die richting komt, wordt in eigen kringen bejubeld maar door specialisten met de grond gelijk gemaakt. Interdisciplinariteit is de slogan, maar niemand lijkt precies te weten wat dat is. Nou, volgens mij is interdisciplinariteit het samenwerken van wetenschappelijke onderzoekers via onderzoeksprojecten waarin twee of meer disciplines worden betrokken, zoals bijvoorbeeld in de neuropsychologie. Ook in de cultuurgeschiedenis heeft interdisciplinariteit bewezen te kunnen werken. Maar interdisciplinariteit houdt niet in dat je zomaar wat kunt aanrotzooien.

Bovengenoemde inleiding laat duidelijk zien dat Cultural Studies in feite een ratjetoe is, geen interdiscipline maar een non-discipline. Voor Ginette Verstraete is het een interdisciplinaire cultuurstudie die is ontstaan uit onvrede met de traditionele, academische omgang met cultuur, die was gereduceerd tot een vastgeroeste literaire canon van grote namen, netjes verdeeld in allerlei disciplines die amper met elkaar communiceerden. Cultural Studies omschrijft zij als «een controversieel, vibrerend concept dat in allerlei vormen circuleert binnen een netwerk van elkaar beconcurrerende interpretatieve praktijken en disciplines» en die ook een plaats heeft gekregen «in die takken van de geesteswetenschappen en sociale wetenschappen die zich in het verschil met de hybride cultural studies manifesteren en op die manier meer met elkaar gemeenschappelijk hebben dan zijzelf in hun angst voor hybriditeit willen toegeven». Wat of wie is hier hybride? En hoezo vibrerend?

Cultural Studies wordt ook omschreven als een algemene reflectie op en analyse van representaties, en dat kunnen videoclips en geschiedverhalen zijn, dromen en contact advertenties, de Heilige Hostie en computerhandleidingen. De invalshoek kan natuurlijk gender zijn, de sociale constructie van sekse zoals die bij vrouwenstudies, homo- en lesbische studies en etnische studies wordt gehanteerd. Er kan ook gebruik worden gemaakt van het antikapitalistische onderzoek naar «hegemonie», de semiotische analyse, als ook de studies over «polysemie» en «hybridisering». Ook wordt gezocht naar verbanden tussen inhoud, technologie, publiek en sociale krachten, zonder dat dit ontaardt in een «methodologisch instrumentarium» (stel je voor!). Weer een ander noemt Cultural Studies een «combinatie van etnografisch onderzoek, tekstanalyse en politiek engagement». Ik wil wedden dat al die mensen op een gegeven moment net als Molières Monsieur Jourdain hebben geroepen: is dat nu Cultural Studies? Maar zonder het te weten was ik daar mijn hele leven al mee bezig!

Tegenstanders van Cultural Studies verwijten de «interdiscipline» naast een totaal gebrek aan coherentie vooral onwetenschappelijkheid, vrijblijvendheid en doorgeslagen politieke correctheid. In het enige kritische artikel van het boek spreekt René Gabriëls terecht van «culturalisme»: complexe sociale vraagstukken worden uitsluitend op grond van cultuurverschillen beschreven en geanalyseerd, waarbij juridische en economische systemen en hun implicaties voor kunst en literatuur volledig over het hoofd worden gezien. Kennis van de geschiedschrijving en historisch besef ontbreken eveneens bij Cultural Studies: alles wordt geanalyseerd met de ogen van nu. Volgens de wetenschapsfilosofie heeft een wetenschap pas waarde als deze onderscheidingen aanbrengt, en hier worden die juist opgeheven. Als we Verstraete moeten geloven, is de reden voor alle kritiek heel eenvoudig: doordat Cultural Studies de traditionele indeling in disciplines op z’n kop zet, bedreigt het de autoriteit en vooral het inkomen van duizenden wetenschappers. Ik zou willen weten wat hiermee wordt bedoeld in de universitaire bureaucratie waar de meest doorgewinterde spookprofessor met geen mogelijkheid kan worden ontslagen.

Het allerergste van deze nepstudie is de vervanging van literatuur door een vaag cultuurbegrip. Literatuur wordt moedwillig naar de achtergrond gedrongen, omdat het slechts een «culturele representatie» zou zijn, louter materiaal voor de vorming van dwaze theorieën. Literatuur is slechts instrument en nooit meer doel. De literatuurwetenschap, die vanouds werd gedragen door het interpretatieve onderzoek, het literair-historische onderzoek, het vergelijkende onderzoek en het onderzoek naar maatschappelijke aspecten van het literaire bedrijf, kan zeker voordeel halen uit een diversiteit van standpunten en methodes. Maar kunnen we nog spreken van literatuurwetenschap als studenten zich mogen bezighouden met emotie- en reality-tv? Er is niets tegen een wetenschappelijke analyse van films, soaps en sitcoms, maar dit mag geen vervanging worden voor literatuurwetenschap, zoals het kijken naar televisie ook geen vervanging mag worden voor het lezen van Flaubert of Thomas Mann. Tot de taak van de literatuurwetenschap behoort ook het levend houden van het cultureel erfgoed door voortdurende reflectie daarop, maar het heeft er de schijn van dat de zeloten van Cultural Studies een afkeer hebben van de literatuur zelf. Hun voortdurend refereren aan het werk van anderen en hun vlucht in moeizaam en betekenisloos jargon moeten in feite hun eigen gebrek aan creativiteit en eigen inzichten verbloemen. Zij haten creativiteit en hun voorkeur voor lage cultuur doet denken aan Nietzsches eunuchen-mentaliteit: de «onvruchtbaren», zij die niet creatief zijn en geen eigen standpunten innemen, willen het liefst dat alles gelijk is. Cultural Studies vormt de academische variant van het poldermodel. Weg met de tureluurwetenschap en iedereen lekker creatief met kurk.

Opvallend is ook het fanatisme en het sektarisme waarmee sommige beoefenaars van Cultural Studies hun theorietjes verkondigen. Wie niet bij de club hoort, is volgens hen geen literatuurwetenschapper. Maar theorieën zijn slechts theorieën, gedoemd om ooit door andere theorieën te worden vervangen. Ik heb ze elkaar zien bevechten en wegdringen, van marxistische analyse tot structuralisme tot postmodernisme, van narratologie tot genderanalyse tot feministische deconstructie, aangedragen door overambitieuze wereldverbeteraars met een iets te stalinistische ijver. Nu verspreidt het nieuwe fenomeen zich als een kwaadaardig gezwel over de literatuurwetenschap, en andere disciplines zullen ongetwijfeld ook besmet raken. Maar ooit zal het worden vervangen door andere theorieën en uiteindelijk nog slechts bruikbaar zijn als voorwerp van literair-historisch onderzoek. Theorieën zijn net mensen, zij worden geboren en verdwijnen weer. Ook dit zal weer voorbijgaan. Het enige dat blijft is de literatuur.