Eén-vier-vier

Het is kwart voor twee in de nacht. Alles is stil, alles is donker. Vooral het huis aan de overkant is donker, heel erg donker. Er staat een brommer voor de deur, maar dat betekent niet dat er iemand thuis is. Het is onmogelijk dat er iemand thuis is, want anders zou ik nu niet horen wat ik hoor.

Ik hoor een verschrikkelijk geluid.

Het is een klein, lief huisje, met een klein deurtje. Er zou zomaar een heks kunnen wonen. Maar er woont niemand, op dit moment. Als er wel mensen zouden wonen zouden ze iets doen aan dat geluid.

Het gaat als een cirkelzaag door mijn ruggengraat, en ik zou willen dat het mijn ene oor in en het andere weer uit ging. Het komt vanachter de deur, en het snijdt dwars door het grachtengordelgroene hout heen, naar buiten.

Er werd schamper gedaan toen de PVV kwam met het idee van de ‘dierenpolitie’. Die kon je dan bellen als er een dier in acute nood was. Hoezo dierenpolitie, zei men, doe niet zo gek. Moeten we niet eerst de mensenproblemen oplossen? Al die overspannen aandacht voor dieren, bejaarden en middenstanders – rechtse hobby’s, dat zijn het.

We denken aan het dierenuitvaartcentrum. We denken eraan dat we hier onze huisdieren beter voedsel geven, en dan ook nog te veel, dan mensen in sommige landen kunnen bemachtigen. We denken aan de hysterie rond teckeltjes, aan de poezenpsychiater. En dan concluderen we: de dierenpolitie, dat is geen goed idee. Er zijn grenzen.

Maar mijn oren kunnen geen grenzen trekken tussen wat ze wel en niet willen horen. En het dringt dus tot mijn bewustzijn door, het geluid.

Een hondje. Een hondje in nood. And it’s not a pretty sound.

Ik ken haar. Het is een heel opgewekt hondje, zo’n altijd-blij dier dat nergens enig kwaad vermoedt en altijd tegen je aan zal blijven springen en likken, ook al hoost het van de regen. Ze heeft een te lange pony, en soms schudt ze met haar hoofd om de haarlokken uit haar ogen te zwiepen en je beter te kunnen aankijken.

Ze is nogal klein, en als ze rent, dan moet ze heel veel snelle stappen nemen om een beetje vooruit te komen. Daardoor ziet ze er nog vrolijker uit, want ze rent dan met die hondentong uit haar mond en die pony dansend voor haar ogen naar je toe en springt net niet helemaal goed tegen je op en landt half tegen je knie. Als ze dan een keer haar hoofd heeft geschud is alles weer goed en krijg je een nieuwe lik over je enkel.

Maar het geluid dat ze nu maakt is niet te verdragen.

Een buurman komt naast me staan. Of er iemand thuis is.

Nee, niemand thuis. Ze zijn weg.

Hoe lang al?

Lang.

Nog meer buurmensen komen kijken. En ze horen het ook. Het wordt luider. Merg en been. Van een verschrikkelijke zieligheid.

Er staat nu een flinke groep mensen. Het is midden in de nacht.

Schande spreekt men ervan. Dat mensen dat doen. Zonder eten en drinken. Alleen laten. Zo’n dier. Een levend wezen, tenslotte.

Doen. Moeten we iets doen?

We gaan iets doen!

Stil maar, zegt iemand tegen de deur. Gekerm als antwoord.

Wacht maar, zegt een ander. Zacht gejank. Alsof ze geen kracht meer heeft.

Alles wordt nieuw.

De hemel en de aarde.

Laten we de dierenpolitie bellen. 1-4-4 – red een dier!

Laten we de deur forceren.

Nou nou.

Nog een hondensnik. Nog erger en dieper en gekwelder dan eerder. Dan wordt het stil.

Er wordt overlegd.

Moeten we bellen?

Een slotenmaker halen?

We kunnen wachten tot morgen.

Nee, dan is het te laat.

Dan vindt iemand die om de hoek woont dat er nu wel lang genoeg is overlegd. Eén-twee-drie en de deur is van het slot. Hij gaat langzaam open.

En wie komt daar kwispelend naar buiten, blij springend en rennend en blaffend?

Niemand. Niets. Geen hond.