De terugkeerders

Een vingerafdruk op het slagveld

Nu het IS-kalifaat is ingestort zullen meer ‘foreign fighters’ proberen terug te komen naar hun landen van herkomst. In principe worden ze daar vervolgd. Maar hoe krijgt justitie het bewijs rond om tot veroordelingen te komen?

Medium 01869005 422d 43ea aea2 816790b66b17
Michael Kountouris \ cagle

Op het (voormalig) slagveld in Syrië en Irak is een schat aan bewijsmateriaal te vinden: achtergelaten mobiele telefoons, vingerafdrukken of dna-materiaal aangetroffen op in beslag genomen wapenvoorraden of op locaties waar IS-strijders zich hebben opgehouden, informatie over IS op laptops die aangetroffen zijn bij operaties van special forces, identiteitsdocumenten en dna-materiaal en vingerafdrukken van gedode, verwonde of gevangen genomen IS-strijders. Materiaal dat antwoord kan geven op cruciale vragen van inlichtingendiensten en opsporingsdiensten: hoeveel IS-strijders zijn er gedood, of nog in leven? Hoe functioneert de organisatie van IS? Hoe zijn de netwerken met, bijvoorbeeld, Europa opgebouwd? Wat zijn de reisroutes? Hoe gaat de financiering? Welke vervalste documenten zijn in omloop? Welke tactieken en technieken gebruikt IS om strijders een veilig heenkomen te bieden of naar landen in Europa te laten reizen, al dan niet met de opdracht aanslagen te plegen of nieuwe netwerken op te bouwen?

Het is ook materiaal dat in principe gebruikt zou kunnen worden bij de vervolging van terugkerende IS-strijders naar Europa. In Nederland is het uitgangspunt dat elke terugkeerder opgepakt en vervolgd zal worden door justitie. Het probleem is de bewijslast. Hoe bewijst justitie dat terugkeerders een (actieve) rol hebben gespeeld in IS of zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid of terroristische misdrijven? En het bewijsmateriaal kan ook een bijdrage leveren aan de reconstructie van de misdaden tegen de menselijkheid die de afgelopen jaren in Syrië en Irak zijn gepleegd – waarbij een groot aantal strijdende partijen betrokken is geweest die allemaal boter op het hoofd hebben.

Dat maakt het bewijsmateriaal ook tot gevoelige politieke informatie. Het was niet voor niets dat Carla Del Ponte enkele maanden geleden opstapte als lid van de VN-onderzoekscommissie voor Syrië. De commissie bracht oorlogsmisdrijven, misdaden tegen de menselijkheid en genocide in kaart. Maar de politieke wil ontbrak bij de VN om actief werk te maken van de opsporing en berechting van oorlogsmisdadigers. Niet alle betrokken partijen in de vuile oorlog die de afgelopen jaren heeft gewoed zijn even enthousiast over het idee dat bewijsmateriaal wordt verzameld dat wellicht een pijnlijk beeld oplevert over de geheime steun die aan diverse strijdgroepen is geleverd.

Elke advocaat zal willen weten hoe een vingerafdruk van een cliënt precies is gevonden en getransporteerd

Het bewijsmateriaal werd en wordt vooral verzameld tijdens militaire operaties. En daar zit meteen het knelpunt: kan materiaal dat is verzameld tijdens – al dan niet geheime – militaire operaties van bijvoorbeeld de Verenigde Staten gebruikt worden in de Nederlandse rechtszaal, opgenomen worden in databanken die worden gebruikt bij grenscontroles of gebruikt worden door internationale tribunalen die oorlogsmisdaden willen vervolgen?

In een vertrouwelijk document uit september 2017 constateerde de Europese contra-terrorismecoördinator Gilles de Kerchove dat de Verenigde Staten en Canada veel ervaring hebben opgedaan met militair-justitiële samenwerking. Opsporingsambtenaren en officieren van justitie maken deel uit van legereenheden en de special forces zijn getraind om bewijsmateriaal te verzamelen dat voor justitie van belang kan zijn. Via de Amerikaanse fbi en de internationale politieorganisatie Interpol wordt dit materiaal doorgesluisd naar de opsporings- en inlichtingendiensten van zo’n zestig landen. In de Europese Unie echter, zo constateert De Kerchove, ‘staat de discussie over informatie-uitwisseling tussen defensie, politie en Openbaar Ministerie nog in de kinderschoenen vanwege complexe juridische en praktische zaken’.

Eén probleem is de vertrouwelijkheid van veel militaire informatie waardoor uitwisseling met justitie niet mogelijk is. Omgekeerd kan justitie weinig aan met bewijsmateriaal waarvan de precieze herkomst niet duidelijk is. Elke advocaat zal terecht willen weten hoe bijvoorbeeld een vingerafdruk of dna-materiaal van een cliënt precies is gevonden, veiliggesteld, getransporteerd en via welke weg en welke procedure uiteindelijk in het bezit van het OM is gekomen. De kans is klein dat openheid van zaken zal worden gegeven als het materiaal bij een geheime militaire operatie is aangetroffen.

Met drones of speciale eenheden wordt aan targeted killing gedaan zonder dat er een rechter aan te pas komt

De internationale politieorganisatie Interpol is momenteel de schakel tussen defensie en justitie. De eerste ervaringen werden opgedaan in Operatie Vennlig in Irak en Hamah in Afghanistan. Materiaal aangetroffen op foreign fighters in deze landen werd via de fbi doorgegeven aan het bureau van Interpol in Washington. Van daaruit ging het materiaal naar het hoofdkwartier van Interpol in Lyon en werd verder verspreid. Maar niet dan nadat eerst alle Amerikaanse inlichtingen- en veiligheidsdiensten groen licht hadden gegeven. Aan project Vennlig kwam een abrupt einde toen de Amerikaanse strijdkrachten zich grotendeels terugtrokken uit Irak en de Iraakse autoriteiten weinig interesse toonden in voortgaande informatiedeling met andere landen. De Europese Unie dringt er bij de Amerikaanse autoriteiten al lange tijd op aan Vennlig opnieuw op te starten.

Interpol wisselde de militaire informatie uit via zogenaamde black notices: hierin staan de data van niet-geïdentificeerde gedode strijders. Europese lidstaten zouden via een check in de eigen databanken op die manier kunnen achterhalen of de ‘eigen’ foreign fighters dood zijn. Via purple notices wordt informatie uitgewisseld over geïmproviseerde explosieven: hoe worden ze gemaakt, hoe worden ze gebruikt. Het idee is dat deze technieken en tactieken vroeg of laat ook in Europa of de VS gebruikt zullen gaan worden. De blue notices kunnen gebruikt worden om de identiteit te achterhalen van de bommenmakers en instructeurs en de netwerken waar ze deel van uitmaakten. Momenteel maken echter slechts een paar EU-lidstaten gebruik van deze notices. De informatie-uitwisseling met Interpol is traag, elk stukje data moet worden getoetst aan juridische regels en de politieke vraag met welke landen het wel en niet uitgewisseld mag worden.

Om de ingewikkelde route via Interpol te omzeilen, wil de EU verbindingsofficieren van de Europese politieorganisatie Europol stationeren in Jordanië, de thuisbasis van Operation Gallant Phoenix. Hier zetelen militaire en civiele inlichtingendiensten van de coalitietroepen en worden de operaties van special forces en de bombardementsvluchten aangestuurd op basis van het verzamelde inlichtingenmateriaal. Waar de prioriteit eerst lag bij militaire doelen wordt nu het IS-kalifaat is ingestort gekeken naar de restwaarde van de informatie die al verzameld is en de komende tijd aangevuld zal worden met nieuwe data van het slagveld. Via Europol zou dit materiaal direct onder de politiediensten van de EU-lidstaten verspreid kunnen worden. Het wachten is nog steeds op het groene licht uit Washington.

targeted killing

Het kabinet-Rutte III kondigde in de regeringsverklaring aan foreign fighters voor het VN Strafhof te willen brengen. Ook werd gerept van samenwerking met onafhankelijke internationale organisaties die proberen bewijs te verzamelen. Een van die organisaties is de Commission for International Justice and Accountability, een non-profitorganisatie die wordt gefinancierd door de Europese Unie, het Verenigd Koninkrijk, Canada, Denemarken, Noorwegen en Duitsland. Zo’n 150 medewerkers zoeken in Syrië en Irak naar bewijs tegen zowel het leiderschap van IS als het regime van Assad. De informatie wordt doorgespeeld naar landen die eventueel bereid zouden zijn het materiaal te gebruiken voor vervolging. Europol is sinds februari 2017 bevoegd om informatie over oorlogsmisdaden te verzamelen en te analyseren; met steun van Duitsland en Nederland is Europol het Analysis Project on Core International Crimes gestart.

Gezien de juridische complexiteit en de politieke gevoeligheid is het niet realistisch te verwachten dat, ondanks al deze initiatieven, de berechting van oorlogsmisdadigers snel dichterbij zal zijn of dat bewijsmateriaal verzameld op het slagveld tot de Nederlandse rechtszaal doordringt. De informatie zal eerder terechtkomen in databanken die gebruikt worden voor grenscontroles, de controle op vluchtelingen of in het (militaire) inlichtingendomein. Ook daar is de vraag relevant waar informatie vandaan is gekomen, hoe betrouwbaar zij is en wat er precies mee gebeurt. En of er nog enige vorm van rechtsbescherming bestaat voor individuen die op deze manier in databanken en op watchlists terechtkomen.

Internationale informatie-uitwisseling over verdachte strijders en terroristen is begrijpelijk, maar wat gebeurt er vervolgens mee? Momenteel vindt er een ‘individualisering’ plaats van vijandige strijders. Vroeger was het niet nodig de namen en identiteiten te weten van de soldaten die werden bevochten. Nu zetten staten juist in op individuele identificatie en jagen landen als de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk over de hele wereld op strijders van IS en andere groeperingen, waarbij met behulp van drones of speciale eenheden aan targeted killing wordt gedaan zonder dat er een rechter aan te pas komt.

Uit het vertrouwelijke EU-document wordt duidelijk dat de Europese Unie momenteel de vragende partij is. Ze is afhankelijk van landen als de Verenigde Staten en organisaties als Interpol. Van die afhankelijkheid wil de EU af, zeker nu de relatie met de VS minder stabiel is sinds het aantreden van president Trump. Informatie is immers macht en aan de uitwisseling van informatie hangt altijd een prijskaartje. De EU heeft dus ook een politieke reden om een sterkere eigen positie te krijgen in de hybride internationale inlichtingenmarkt, waar de grenzen tussen defensie, justitie, inlichtingendiensten en grensbewaking steeds meer vervagen. Het is een van de redenen waarom de EU momenteel meer dan ambitieuze plannen ontwikkelt om de eigen databanken met elkaar te verknopen, biometrische identificatie tot de nieuwe standaard te maken en directe toegang te krijgen tot de plaatsen, organisaties en operaties waar informatie wordt verzameld.

Ook heeft de EU een proefproject in voorbereiding om militaire inlichtingen het opsporingsdomein in te krijgen. Voor de kust van Libië patrouilleren marineschepen van EU-lidstaten. Deze militaire missie moet de immigratie uit Libië tegengaan en verzamelt daartoe inlichtingen over Libische smokkelnetwerken. Op het vlaggenschip van de militaire missie moet een crime information cell worden gestationeerd, waarschijnlijk bestaande uit leden van de marechaussee of gendarmerie van diverse EU-lidstaten. De militaire inlichtingen zouden via de informatiecel moeten worden doorgespeeld aan opsporings- en handhavingsdiensten, voor de bestrijding van ‘illegale migratie, criminaliteit en terrorisme’. Ook zou de informatie moeten kunnen worden doorgespeeld aan inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Of dat juridisch allemaal kan, is een openstaande vraag. De Europese discussie staat inderdaad nog in de kinderschoenen, zoals Gilles de Kerchove constateerde, en de ‘complexe juridische en praktische zaken’ zijn inderdaad talrijk. Tegelijkertijd ontplooit de Europese Unie concrete initiatieven. Een reden te meer om deze discussie meer in de openbaarheid te voeren.


Jelle van Buuren is universitairdocent (Europese) intelligence-samenwerking aan de Universiteit Leiden