Decamerone 2020

Een vis op het droge

Terwijl de pest op de deur klopte, vertelden de Florentijnse jongeren van Giovanni Boccaccio elkaar sterke verhalen over verliefdheid, waanzin en bedrog om de verveling van hun quarantaine te doorbreken. Nu, zevenhonderd jaar later, kunnen we die traditie voortzetten. Verteller nummer twee: Peter Buurman

Er was eens een fjord. Diep, koud, donkerblauw water omringd door bergwanden, hier en daar een naaldboom, enfin, je zult het je moeten voorstellen want je kunt er niet naartoe. Zie het als de waterval aan de overkant, waarvan het water in slow motion lijkt te vallen. Dat komt doordat het verder weg is dan je denkt, het fjord zoveel groter is dan je denkt. Je kunt het water amper de rotsen horen raken, alleen als je diep inademt en je ogen sluit hoor je het, in de verte.

Tussen de bergtoppen roetsjte een jongen naar beneden, op een mountainbike over een slingerend grindpad. Het was zondagochtend. Hij was voor zonsopgang opgestaan, hij was de trap afgeslopen en had boterhammen met pindakaas gesmeerd op het aanrecht. Door het keukenraam had hij het duister ingekeken en geluisterd naar het zware gesnurk van zijn vader, dat door het huis trok als een trilling door een aardplaat vlak voordat de boel uitbarst. Hij had het knakworstblik dat zijn vader die nacht had leeggegeten van de keukentafel gepakt en het sap langzaam in de gootsteen gegoten. Hij had de boterhammen in zijn jaszakken gestoken en de achterdeur voorzichtig achter zich dichtgedaan.

De jongen hield zijn voeten stil op de trappers. Bergafwaarts hoefde hij alleen af te remmen. Meer aandacht ging naar het bedwingen van de vishengel in zijn linkerhand, die bij iedere bocht wild uitzwenkte alsof-ie niet kon wachten om uitgeworpen te worden. Zo daalde die jongen af in het dal. Er trok een witte lijn langs de bergranden, ergens achter al dat steen kwam de zon op.

Beneden aan de oever stapte de jongen af. Hij trok een hangslot door het achterwiel en liet de fiets vallen in het hoge gras. Het water kabbelde onder zijn voeten door terwijl hij over de steiger liep, naar een roeiboot die aan het einde van de vlonder op hem lag te wachten. Met een kleine sprong landde hij in het midden van de boot. Hij ontwarde de knoop rond een steigerpaal en zette zich af tegen het hout. Het was bijna windstil. Geleidelijk gleed het bootje het fjord op. De jongen ging zitten op de plank die fungeerde als bankje en tilde de zware houten spanen van de bodem. Hij legde ze in hun roestige houders en begon te roeien.

Het fjord groeide met iedere slag. Al het andere kromp, de steiger, de kerktoren in het dorp, hijzelf. Hij voelde het gebeuren terwijl hij achteruit roeide, langzaam naar het midden. Eenmaal daar, nu bijna onzichtbaar klein vanaf de kant, stopte hij met roeien. Hij haalde de spanen weer binnen en nam de boterhammen pindakaas uit zijn zak. Hoe stil de wereld kon zijn, kalm dobberend op dat bootje. Voel je de bries?

De jongen bevestigde het kunstaas aan de haak, de kleurrijke metalen schubben aan de hanger weerkaatsten het licht. Hij stak de hengel over de rand en keek de glinstering na terwijl die dieper en dieper zonk, totdat het licht het aas niet langer raken kon.

Een groot misverstand over vissen is dat het om de vissen gaat, dat je dag alleen geslaagd is als je beet hebt. Het gaat namelijk om de tijd tussen al die vissen in, waarin je niet eens denkt aan die vissen, waarin je gedachten over dat donkere water glijden, zonder te weten wat er onder het oppervlak allemaal beweegt. Je ziet een waterige zon opkomen, de wereld krijgt kleur, dat is een geslaagde dag.

Hij was bijna verrast toen de hengel in zijn hand begon te bewegen. Het werd even stil, toen bewoog hij nog eens, en nog eens. Iets had toegehapt. Wat volgde was een oefening in beheersing. Te snel of te langzaam en zijn vangst zou hem ontglippen. Tegelijkertijd moest hij zijn fantasie onder controle houden. Het is gemakkelijk om te hoge verwachtingen te krijgen als je aan de molen draait, tegen de tijd dat je het boven water haalt heb je er al een teleurstelling van gemaakt. Daarom concentreerde hij zich op de bewegingen zelf. Als in een dans probeerde hij mee te bewegen met het wezen aan de andere kant van de draad. Dit ging perfect tot het einde, het moment suprème waarop hij met een laatste ruk de vis boven water trok, en de stilte op het fjord plotseling onderbroken werd door een luid gevloek.

Het duurde even tot de jongen begreep dat het geluid uit de mond van de vis kwam, die eerst nog spartelend en schreeuwend door zijn boot stuiterde voor hij buiten adem tot stilstand kwam op de bodem.

‘Verdomme’, mompelde de vis. ‘Het is waar.’

De jongen bekeek het dier met opengesperde ogen. Het was een forse zilvergrijze forel met donkere stippen op zijn rug. Van kop tot staart was hij ongeveer zo lang als de onderarm van de jongen, groter dan hij ooit gevangen had.

‘Ik dacht dat het een fabeltje was’, zei de vis. Zijn buik ging op en neer terwijl hij sprak. Hij had een schorre mannenstem. ‘Je hele leven zeggen ze tegen je: pas op voor de haak, goed kijken voor je bijt. Blablabla. Je houdt er gewoon geen rekening mee dat het jou kan gebeuren, snap je?’

De vis hoestte wat water op, hij leek te lachen terwijl hij recht omhoog keek, de blauwe lucht in. Hij praatte meer tegen zichzelf dan tegen de jongen. ‘Tering, moet je mij nou zien. Precies zoals ze zeiden. Een vis op het droge. Maar dat aas leek zo echt!’

Opeens keek hij de jongen recht aan met een van zijn kraalogen. De jongen merkte dat hij schrok.

‘Wat ga je met me doen?’ vroeg de vis. ‘Ga je me grillen? Je weet dat dat illegaal is hè?’

Vissen gaat over de tijd tussen al die vissen in, waarin je niet eens aan ze denkt

De jongen wist niet wat hij moest terugzeggen. Hoewel hij wist dat hij vele malen groter en wendbaarder was dan het dier dat hij gevangen had, voelde hij zich geïntimideerd. Nu pas merkte hij dat hij was teruggedeinsd toen hij de vis had binnengehaald, en dat zijn handen zich stevig hadden vastgegrepen aan de rand van de boot.

‘Kijk’, zei de vis, hij begon zachter te spreken. ‘Kun je op z’n minst die haak uit mijn onderlip halen? Dat praat makkelijker.’

Voorzichtig klom de jongen over het bankje dichterbij. Hij haalde diep adem terwijl hij zijn handen naar de mond van de vis bracht en probeerde te vergeten dat het dier de afgelopen minuten tegen hem had gesproken. Van dichtbij zag de vis er gewoon uit als een vis, niets vreemds. Het verwijderen van de haak ging snel, de vis bleef stil liggen en hield de mond behulpzaam open.

‘Je weet dat vissen gevoel hebben hè?’ zei de vis nadat hij bevrijd was. ‘Ik weet niet wat jullie elkaar wijsmaken hierboven, maar natuurlijk voel ik dat, zo’n gat in m’n lip. Dan kun je me teruggooien maar dan blijf ik er gewoon last van houden natuurlijk.’

De jongen was op de plank naast de vis gaan zitten. ‘Sorry’, zei hij. Hij wist ook niet wat hij anders moest zeggen.

‘Ah kijk!’ riep de vis uit. ‘Dus je kunt wel praten!’

De blik van de vis richtte zich even weer tot de blauwe lucht boven hen. Het dier mompelde bewonderende woorden in zichzelf en draaide zich toen weer naar de jongen toe.

‘Wat ze me nooit verteld hebben…’ De vis aarzelde even. ‘Is waarom jullie het doen.’
‘Wat?’
‘Waarom jullie ons vangen.’

De jongen keek voor zich uit over het fjord. Niemand had hem die vraag ooit gesteld, over het antwoord had hij zelden nagedacht. Wanneer was hij begonnen met vissen? Toen zijn moeder vertrok? Toen de school afbrandde? Toen zijn klasgenoten op zijn nieuwe school zeiden dat hij het vuur had aangestoken? Misschien viste hij wel omdat hij weg wilde zijn van dat leven, roeide hij naar het midden van het fjord om niemand te kunnen zijn, ongezien. Het vissen kon ook een metafoor zijn, het uitwerpen van een hengel in donker, koud water, zonder te weten wat daarin zwemt. Maar de waarheid was dat hij daar nooit op die manier over had nagedacht. Hij viste gewoon. Hij at boterhammen met pindakaas terwijl de zon opkwam, ademde de frisse berglucht in door zijn neus. Kon dat ook het antwoord zijn?

‘Het voelt goed’, zei de jongen.
‘Hm’, zei de vis.
‘Ze zullen dit nooit geloven.’
‘Wie?’ vroeg de vis.
‘Ze zullen denken dat ik gek ben. En dat denken ze al.’

Luidende kerkklokken galmden door het dal. Zondagochtend. De mensen zouden daar inmiddels al over straat gaan.

‘Het geeft niet’, zei de vis. ‘Wat ze denken over jou verandert niets aan de werkelijkheid. Jij weet dat dit echt is, ik weet dat dit echt is. Dat is genoeg.’

De jongen vroeg zich af of dat ook zo voelde.

‘Kijk’, zei de vis. ‘Je moet me zo weer teruggooien, anders droog ik uit, maar ik heb nog wel tijd voor één verhaal, denk ik. Wil je het horen?’

De jongen keek om zich heen. De bergwand, de naaldbomen. Ergens ver achter zich hoorde hij de waterval kletteren op de stenen. ‘Ach’, zei hij tegen de vis. ‘Vertel maar.’


Peter Buurman is podcastmaker en schrijver van de onlangs verschenen roman Een goede nachtrust