Koudbloedigen hebben ook gevoel

Een Vlaamse reus voor de anaconda

Een gevaarlijk reptiel als huisdier en statussymbool: omdat meer mensen het willen dan kunnen zit Reptielenopvang Zwanenburg helemaal vol. ‘Ze denken dat we allemaal een soort Hells Angels zijn.’

08.43 uur

In een roze Honda – die een naam heeft: Diva – rijdt Bianca Oudhoff (22) de Zwanenburgerdijk op. Ze parkeert haar auto precies voor de ingang van Reptielenopvang Zwanenburg. Ze opent met een sleutel de voordeur, doet alle lichten aan en loopt in een rechte lijn door naar het verste en warmste dierenverblijf om te controleren of alles goed gaat met de varanen, leguanen, spinnen, anaconda Klicko, pythons en andere slangen. Daarna blijkt ook alles goed te gaan met de dieren in de quarantaine en de gifkamer.

Vervolgens loopt ze naar het verblijf van de schildpadden en krokodillen. Daar is een probleem: een van de kaaimannen zit niet in het bassin en Oudhoff baalt dat ze teenslippers aan heeft. Het is niet Fifi, die vorige week is binnengebracht. De eigenaar hield de kaaiman in zijn Amsterdamse woning, dat mag gewoon, tot hij hoorde dat het beest met gemak 1,80 meter kon worden. Vervolgens werd Fifi achtergelaten in Zwanenburg. De kaaiman die weg is, die inmiddels als Schnappie door het leven gaat, is pas twee dagen in de reptielenopvang. Hij is samen met 36 andere beesten, waaronder vijf koningspythons, zes boa constrictors, twee Argentijnse teju’s, agamen en varanen, opgehaald bij een opvang in financiële nood in de buurt van Den Haag.

09.31 uur

Vrijwilligers Patrick, Olle, Dylan en Torben pakken, geholpen door drie stagiaires, dozen met sprinkhanen en krekels uit, stoppen Vlaamse reuzen in een bak met warm water zodat ze sneller ontdooien en snijden groente. Bianca leidt alles in goede banen, nog steeds op haar slippers, want Schnappie is al snel gevonden en veilig in zijn verblijf teruggestopt.

Voor Torben (29) is het zijn eerste dag als vrijwilliger bij de reptielenopvang. Hij valt op met zijn opgeschoren haar met een staartje boven op zijn hoofd, tattoos in zijn nek van de namen van zijn kinderen en vuurwapens. Torben is een ‘oude bekende’ van Rob Dumont, die inmiddels achter zijn bureau zit en zichzelf ‘de stoelverwarming van de opvang’ noemt. In werkelijkheid is hij de oprichter en drijvende kracht, en al 35 jaar bezig met reptielen.

Dat begon toen de eigenaar van een dierenwinkel in Haarlem tijdens een vakantie in 1983 twee vogelspinnen op de kop had getikt en meegesmokkeld naar Nederland. Dumont wilde er een kopen, voor 150 gulden. Er was echter een probleem: de eigenaar van de winkel durfde de spin niet te pakken. Voor een korting van vijftig euro wilde Dumont dat zelf wel doen. Het bleek overigens een Mexicaanse roodknievogelspin te zijn, zo zou hij later leren. Hij kwam al snel bekend te staan als ‘die mafkees die gevaarlijke beesten durft op te pakken’, want een beetje gek moet je wel zijn.

Reptielenopvang Zwanenburg, oprichter Rob Dumont

Niet veel later stond op een dag de dierenbescherming voor zijn deur, die ook had gehoord van zijn reputatie. Ze hadden een paar slangen gevonden en of Dumont die kon opvangen, want niemand anders durfde het. Dat vond hij prima. Dumont observeerde de beesten, leende boeken in de bibliotheek en kwam er zo achter dat het om gifslangen ging, leerde zichzelf hoe hij ze moest verzorgen en werd een expert. Lange tijd runde hij de opvang aan huis, tot 2007. ‘Ik ben honderden keren gebeten, maar slechts één keer door een giftig dier: een westelijke diamantratelslang. Dat was meteen bijna fataal, in 2007. Ik wilde zijn verblijf schoonmaken – wat ontlasting verwijderen – toen die slang mij aanviel. Ik trok m’n hand nog weg, waardoor ik maar met één tand werd gebeten.’

‘Er komen hier kinderen binnen die geen bioloog willen worden maar Freek Vonk’

Door het ‘bedrijfsongeval’ zoals Dumont het zelf noemt, heeft de Haarlemmer aan zijn linkerduim geen muis meer en heeft hij op de boven- en onderkant van zijn onderarm een litteken van zo’n dertig centimeter, als gevolg van het gif en het daarmee gepaard gaande compartimentsyndroom. ‘Ik neem die slang niks kwalijk, ben je gek. Hij kiest er niet voor om opgesloten te zitten, hij hoort in de natuur.’

Het was wel een startsein om alles professioneler aan te pakken. Inmiddels zitten ze al een tijd op de huidige locatie, zijn er zo’n twintig vrijwilligers (‘niemand ontvangt hier een cent’), allerlei protocollen en extra veiligheidsmaatregelen.

De laatste tijd doet Dumont het iets rustiger aan dan de tachtig uur die hij voorheen besteedde aan zijn uit de hand gelopen hobby. Hij heeft uitgezaaide longkanker.

11.11 uur

Een ouder stel uit Haarlem komt bijna juichend de reptielenopvang binnen. Enkele dagen eerder was hun schildpad Olympia ontsnapt. Een buurtgenoot ving het dier, belde de dierenambulance, die weer contact opnam met de reptielenopvang. Dumont kon aan Olympia zien dat ze goed verzorgd werd, dat het niet ging om verwaarlozing en dat er dus waarschijnlijk iemand op zoek was naar haar. Vroeger konden ze in de opvang bij binnenkomst aan iemand zien wat voor dier diegene wilde of had. Kwam er een man, een beetje mager en halverwege de twintig, dan kwam hij voor een boa of een cobra, slangen om indruk mee te maken. Was het een vent van halverwege de dertig, dan was dat voor een kleinere slang. ‘Zo’n net stel als er nu binnen is, verwacht niemand hier’, aldus Dumont. ‘Ze denken dat we allemaal een soort Hells Angels zijn.’

Hoeveel ze ook van dieren houden in Zwanenburg, als er een beest wordt binnengebracht is het altijd slecht nieuws. Dan is het gewond of ziek, wil het baasje er niet meer voor zorgen of is het ontsnapt. Dumont kan er kwaad om worden, mensen die het ‘stoer’ vinden om een reptiel als huisdier te hebben, maar in werkelijkheid geen enkele affiniteit met het dier hebben of niet de moeite willen nemen om zich erin te verdiepen. Kinderen wier ouders het prima vinden om een slang of leguaan cadeau te doen, maar het ook goed vinden om er na enkele maanden weer vanaf te willen.

En dan is er nog Freek Vonk. Dumont is ‘stikjaloers’ op de wijze waarop Vonk kan vertellen, maar hij vindt het ook iets te populair. ‘Er komen hier kinderen binnen die geen bioloog willen worden maar Freek Vonk. Dat zorgt ervoor dat meer kinderen dieren interessant vinden, maar ook dat meer kinderen dieren willen waar ze niet voor kunnen zorgen. En dat merken wij hier: het is hier drukker dan ooit.’

Dumont pleit voor een wachttijd van een half jaar om de impulsaankopen uit te sluiten en een soort statiegeld: 250 euro betalen en als de eigenaar het dier niet binnen afzienbare tijd weg doet krijgt hij het geld terug. Hij zou die mensen graag de les lezen als ze een beest naar de opvang komen brengen dat ze niet meer willen, maar zo zit Rob Dumont niet in elkaar. Hij probeert het met een grap, zegt bijvoorbeeld dat als ze een gevaarlijk dier houden hun schoonmoeder niet meer langs komt. En hij is al lang blij als het beest niet ergens in de natuur wordt gedumpt.

Dat gebeurt ook. Een goed voorbeeld is Klicko de anaconda. Toen hij nog geen vier meter maar een kleine twee meter was, werd Dumont anoniem gebeld: er is een anaconda in een park in Beverwijk. Hij reed meteen naar het park, dat omringd werd door flatgebouwen, maar de slang kon hij niet vinden. Toen hij weer naar zijn auto wilde lopen werd hij opnieuw anoniem gebeld: niet weggaan, maar kijk even in die boom. Het bleek de eigenaar te zijn van de anaconda die hem in een boom had gedaan en vanuit zijn flat stiekem meekeek. Dat was twaalf jaar geleden, een geschikt baasje vinden voor Klicko is in al die tijd niet gelukt.

Het oudere stel haalt Olympia weer op en neemt meteen ook een nieuwe schildpad mee. Dumont: ‘Hun eigen dier opgehaald en een van ons ook meegenomen: als dit dagelijks zou gebeuren ben ik een gelukkig man.’

‘Hun eigen dier opgehaald en een van ons ook meegenomen: als dit dagelijks zou gebeuren ben ik een gelukkig man’

12.14 uur

Dumont blijft in het kantoor zijn stoel verwarmen en de administratie doen terwijl de rest zich opgewonden verzamelt in de afgesloten ruimte achterin: anaconda Klicko en twee pythons (vier en 5,5 meter) krijgen ieder een Vlaamse reus. Aan Olle deze keer de eer. Hij is autistisch en al ruim 3,5 jaar actief als vrijwilliger bij de reptielenopvang. ‘Bijna alle vrijwilligers hier hebben wel iets’, zegt Dumont.

Patrick ook, hij heeft het syndroom van Gilles de la Tourette. Toen hij tien jaar geleden begon, zat hij in een sociaal isolement. Hij werkte niet, kwam niet buiten en deed thuis ook niet echt veel. Van zijn moeder hoorde hij van de opvang, omdat zij wist van zijn fascinatie voor gevaarlijke dieren. Sindsdien is hij verknocht en een trouwe medewerker. In het begin mocht hij van Dumont geen reptielen vasthouden; hij maakte door Gilles de la Tourette te veel onverwachte bewegingen en daar schrokken de dieren van. Inmiddels gaat dat prima en deelt hij zijn kennis met jongere vrijwilligers en stagiaires van mbo-opleidingen.

Dumont vindt het een mooie bijkomstigheid dat hij anderen kan helpen. Maar als hij eerlijk is, is het vooral een win-win-situatie. ‘We hebben alleen maar vrijwilligers en die kunnen hier alleen maar helpen omdat ze elders niet hoeven te werken en een uitkering krijgen. Veel mensen met autisme en andere stoornissen. Ik kan daar goed mee omgaan, niet alleen omdat ik de papieren heb, maar ik heb zelf ook een lichte vorm van autisme. Om het wat oneerbiedig te zeggen: ik gebruik de vrijwilligers en vaak hebben ze er zelf ook nog iets aan, zoals in het geval van Patrick. We kunnen niemand betalen, dus we zijn blij met iedereen die komt helpen. Ik zeg altijd: bij ons blijft er niks aan de strijkstok hangen, want we hebben geen geld voor een strijkstok. We zijn voornamelijk afhankelijk van donaties en subsidies en verdienen wat geld door huisdieren te vervoeren. Maar eigenlijk is er altijd een tekort.’

Ondertussen doet Olle het laatste konijn aan een knijper en houdt die voor Klicko – die zijn naam dankt aan het feit dat hij al het eten dat over is van de andere dieren naar binnen werkt – die er rustig naartoe sluipt. Hij ruikt even, werpt zich dan op het konijn, kronkelt zijn lichaam er omheen, wat het geluid van verbrijzelde botten tot gevolg heeft, en vreet het dan op.

Bianca Oudhoff, op de achtergrond Olle Lammert

13.26 uur

Vanuit de quarantaine brengt Bianca een schorpioen naar de gifkamer en Torben loopt vrolijk mee. Hij vindt alle reptielen gaaf, echt wel, maar zijn hart gaat pas sneller kloppen van giftige beesten. Op zijn arm heeft hij rond een afbeelding van een zwarte mamba het woord ‘venom’ getatoeëerd. De schorpioen is een dag eerder gebracht door de Amsterdamse politie. Het diertje was ongezien in een rugtas van een backpacker meegekomen uit Costa Rica. Het is nog onduidelijk hoe gevaarlijk het precies is. Dat ongezien meekomen gebeurt overigens vaker, weten ze in Zwanenburg inmiddels. Zo was er een keer een nogal giftige duizendpoot meegereisd uit Zuid-Amerika, die pas drie maanden later in een sportschoen van een Nederlander werd gevonden.

De ouders van Torben hadden toen hij nog een klein kind was een Duitse encyclopedie met een plaatje van een spin die een muis opeet. Torben was bang, zo bang zelfs dat hij het boek niet meer durfde aan te raken of in te zien. Dat is niet heel raar, zo blijkt uit studie van het Duitse Max Planck Institute for Human Cognitive and Brain Sciences; de angst voor spinnen zit diep in de mens. Uit het onderzoek blijkt dat baby’s van een half jaar oud al heftiger reageren op een plaatje van spinnen dan op dat van een bos bloemen.

Over de jongen die niet naar een foto van een etende spin durfde te kijken zou later in een nieuwsbericht staan: ‘De politie heeft vandaag een inval gedaan bij een man die via het internet spinnen verkocht. Ze vonden in de woning maar liefst 49 levensgevaarlijke spinnen, waaronder de dodelijke vioolspin en de beruchte zwarte weduwe. De spinnen zaten in plastic bakjes voor snackbarsauzen. (…) Dit is namelijk al de zevende keer dat de politie bij de man is geweest om dieren in beslag te nemen. Het gaat tot nu toe altijd om zeer giftige en levensgevaarlijke dieren.’

En bij enkele van die zeven bezoekjes van de politie moest Dumont als ‘expert gevaarlijke dieren’ mee en zo leerden de twee elkaar kennen. Het was onverantwoord zoals Torben de gevaarlijke dieren hield, daar is iedereen het nu wel over eens. Torben kon het dan ook niet geloven toen hij onlangs via een hulpverlener waar hij in het verleden mee te maken had hoorde dat hij van Dumont meer dan welkom was als vrijwilliger in de reptielenopvang. Iedereen verdient een tweede kans en zeker iemand met zoveel kennis van giftige beesten. ‘Win-win’, aldus Dumont.

14.16 uur

Het werk zit er al weer op voor vandaag: alle terraria en andere verblijven zijn schoongemaakt, alle dieren die moesten eten hebben gegeten en alle zieke reptielen zijn verzorgd. Dumont houdt wel zijn telefoon de hele dag binnen handbereik, want als ergens een vreemd en gevaarlijk dier opduikt, moet hij erheen. Door zijn ziekte heeft hij hooguit een jaar of drie, en als het echt niet meer gaat, gaat hij wel achter de geraniums zitten, maar voorlopig blijft hij zijn kennis overdragen en zorgen voor de dieren. Ook de rest van de vrijwilligers en stagiaires vertrekt.

Torben blijft als laatste over en kijkt met een tevreden gevoel terug op zijn eerste dag. Hij woont tijdelijk in Nieuw-Vennep en kan daar geen giftige dieren houden. Dit is een mooi alternatief, al zijn er op dit moment weinig giftige beesten in Zwanenburg. Wat hij zo mooi vindt aan gevaarlijke dieren? ‘Het zijn interessante beesten en het is leuk om ze te houden. En vooral gif intrigeert me. Het is een stof waarvan we eigenlijk nog steeds niet veel weten, maar wat heel dodelijk is.’

Als hij weer een eigen huis heeft, is het eerste wat hij gaat doen een dier aanschaffen. Een ratelslang. Daarna komen er meer bij, maar niet meer zo veel als eerst. En deze keer verantwoord, niet in rare bakjes van sauzen, niet in een ruimte waar iedereen in en uit loopt. Nee, gewoon zoals het moet en zoals in Zwanenburg.