Ger Groot

Een vlek

«Een nieuw boek? Nu? Wat voor boek zou ik moeten schrijven?» Aldus Arundhati Roy, auteur van De god van de kleine dingen, in een stuk dat vorige week zaterdag in NRC Handelsblad stond afgedrukt. Waarover schrijven terwijl India en Pakistan elkaar met kernbommen bedreigen en Roy zich er in Delhi op voorbereidt dat «elke vriend, elke boom, elk huis waarvan ik hou wordt verast»? Beelden van Hiroshima komen bij haar op: «We denken aan de man die zojuist versmolt in de trap van een gebouw. We zien onszelf in zijn plaats. Als vlekken op een trap. Dat was een schrijfster.»

Het is op het harteloze af, van iemand te verwachten dat ze onder die omstandigheden aan een roman gaat werken. Maar wat zou een schrijfster anders moeten doen dan schrijven? Vooralsnog is het bij Roy bij een krantenartikel gebleven. Is een roman in die omstandigheden dan toch te frivool?

Niets getuigt zo indringend van de realiteit als een verhaal, zeggen schrijvers en critici eenstemmig. Daarin krijgen catastrofes en wereldrampen een gezicht. Plotseling wordt hun betekenis persoonlijk en wordt fictie ernstiger dan journalistiek.

De roman De kannibalen van de Frans-Marokkaanse schrijver Mahi Binebine gaat over de oversteek van de Straat van Gibraltar door Afrikanen die op zoek zijn naar een betere toekomst (uitgeverij Atlas). Hun wrakke sloepen halen de overkant vaak niet, ook niet in dit boek. Het verhaal is fictie, maar ik vond het in mijn boekhandel bij de afdeling Actualiteit en Politiek.

De novelle Aarde en as van de Frans-Af ghaanse schrijver Atiq Rahimi (Prometheus) lag daarentegen bij Buitenlandse Literatuur. Daarin is een grootvader met zijn kleinzoon op weg naar zijn zoon, die in de mijnen werkt. Hun dorp is door de Russen verwoest, alleen zij tweeën zijn nog in leven. De zoon weet dat niet, of toch wel? Waarom is hij dan niet gekomen om zijn doden te begraven? Is hij als ontroostbare te beklagen of als lafaard te verachten? Rahimi laat het einde open.

Aarde en as leest ongemakkelijker dan De kannibalen. Niet alleen vanwege Rahimi’s wrange gestrengheid, die — anders dan bij Binebine — nergens door humor wordt verlicht. Maar ook omdat zich ongemerkt de vraag opdringt hoe gepast het lezen van zo’n verhaal eigenlijk is. We slaan Rahimi open omdat we Afghanistan in brand hebben zien staan, al speelt zijn verhaal vóór die tijd, toen het land ook al in brand stond, maar ons dat nauwelijks interesseerde. Onze belangstelling heeft iets opportunistisch.

Uit Afghanistan zijn de verslaggevers allang weer vertrokken; aan de Noord-Afrikaanse stranden zijn ze zelfs maar incidenteel geweest. Romans hebben een langere adem dan de journalistieke reportage, maar dat neemt het onbehagen over onze plotselinge interesse niet weg. Noch over het feit dat de literatuur weliswaar de herinnering aan de gebeurtenissen vasthoudt, maar dan wel onder een fictief gezicht. Al die hartverscheurende romanfiguren zijn maskers, waarachter de mensen die echt geleden hebben, verdwijnen. Ze lossen op in de fictie, die ook een vorm van abstractie is. Ze worden kunst.

Dat is het ongemak van romans over grote catastrofes. Niet alleen hun onloochenbare amusementsfunctie, maar ook hun verraad aan de historische namen die (al blijven ze gelijk) door verzonnen namen worden vervangen, geven hun een dubieuze status. Alleen het ironische antwoord dat de geschiedenis zonder hen volledig zou worden vergeten, delgt die schuld een beetje, maar de twijfel blijft.

Arundhati Roy zal over de angst in Delhi wellicht ooit een roman schrijven, maar daar is tijd en distantie voor nodig. Rahimi en Binebine werken allebei in Frankrijk, en die afstand maakt de luxe van de verbeelding aanvaardbaar. Maar zolang de vernietiging van «elke vriend, elke boom» nog een reële mogelijkheid is, verdraagt de breekbaarheid van hun bestaan geen fictionalisering. Hun naam en onvervangbaarheid zouden er bij voorbaat al door worden uitgewist.

Dan rest alleen de journalistiek, waarin de auteur, in concreto en bij name, over hen en over zichzelf moet schrijven. En hopen dat de geschiedenis haar niet vóór zal zijn door haar en de haren daadwerkelijk — en niet als personage — te reduceren tot een vlek: «Dat was een schrijfster. Niet Zij, of Hij. Dat.»